Commissie kan geen oordeel geven over vaststellingsovereenkomst

  • Home >>
  • UWV >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: UWV    Categorie: schadevergoeding/ overeenkomst    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 207784/254948

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De klacht van cliënte gaat over het handelen van de verzekeringsarts. Cliënte stelt dat de medische rapportage niet voldoet aan de zorgvuldigheidsnormen. Het rapport dat door de verzekeringsarts is opgesteld, is onvolledig en de verzekeringsarts weigert om met cliënte in persoon hierover praten. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door, ondanks uitdrukkelijke verzoek, cliënte tijdens het gehele proces geen enkele mogelijkheid te bieden om de verzekeringsgeneeskundige rapportage in persoon met de verzekeringsarts te bespreken. De commissie zal de klacht gegrond verklaren.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

UWV, Sociaal Medische Zaken, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Onderwerp van het geschil
Cliënte stelt dat de verzekeringsgeneeskundige rapportage door de verzekeringsarts niet zorgvuldig is opgesteld, omdat zij voor de herbeoordeling niet de gelegenheid heeft gekregen om in een persoonlijk gesprek met deze arts haar situatie toe te lichten.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie UWV (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De cliënt heeft ter zitting fysiek het standpunt toegelicht. Door de zorgaanbieder is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ter zitting het standpunt toe te lichten.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2024 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Beoordeling van het geschil
De commissie merkt in de eerste plaats op dat zij het betreurt dat de zorgaanbieder, als professionele organisatie, heeft nagelaten inhoudelijk verweer te voeren op de klachten van cliënte en dat de zorgaanbieder het ook niet nodig heeft gevonden om ter zitting aanwezig te zijn om mondeling zijn standpunt toe te lichten.

Standpunt cliënte
De klacht van cliënte gaat over het handelen van de zorgaanbieder/verzekeringsarts. In het kader van een mediation-traject werd haar gevraagd of zij akkoord ging dat de medewerker van de zorgaanbieder haar medische gegevens zou voorleggen aan een verzekeringsarts voor advies. Cliënte heeft hiervoor toestemming gegeven. Achteraf is gebleken dat er geen advies is gevraagd van de verzekeringsarts, maar dat deze arts de ingangsdatum van haar duurzame arbeidsongeschiktheid opnieuw heeft beoordeeld. In het volgende gesprek dat in het kader van de mediation werd gevoerd, kreeg cliënte te horen dat er een nieuwe rapportage door een verzekeringsarts was opgemaakt en dat de datum waarop haar duurzame arbeidsongeschiktheid zou ingaan, was vervroegd. Cliënte moest eerst tekenen dat zij akkoord zou gaan met deze nieuwe datum en dan zou zij inzage in het rapport krijgen. Tijdens dit gesprek was cliënte, vanwege een hersenschudding als gevolg van een mishandeling, niet in staat om de papieren in te zien. Dit had zij vooraf aangegeven aan de mediator. Thuis heeft zij de rapportage met moeite gelezen en ze had veel vragen, die de zorgaanbieder niet wilde of kon beantwoorden. De verzekeringsarts heeft zij niet gezien of gesproken. Na tussenkomst van de afdeling klachten heeft cliënte de arts schriftelijk op de hoogte gesteld van een aantal fouten in de rapportage. De arts heeft echter geweigerd om deze fouten in de rapportage recht te zetten. Cliënte stelt dat de medische rapportage niet voldoet aan de zorgvuldigheidsnormen. Voor de herbeoordeling heeft cliënte geen gesprek gehad met de verzekeringsarts. Het rapport is onvolledig en bevat onjuistheden. De zorgaanbieder weigert te reageren op de brieven van cliënte. Cliënte heeft door het handelen van de zorgaanbieder schade geleden die zij begroot op €25.000,-, te weten € 5.000,– voor de immateriële schade die zij heeft geleden door de tegenwerking van de zorgaanbieder en ongeveer € 20.000,– voor de materiële schade die zij leidt als gevolg van de latere ingangsdatum van haar arbeidsongeschiktheid.

Standpunt zorgaanbieder
De zorgaanbieder heeft voor haar verweer verwezen naar twee brieven die naar cliënte zijn verstuurd. De commissie heeft uit deze twee brieven opgemaakt dat de afdeling bezwaar en beroep van mening is dat er voldoende inhoudelijk is gereageerd op de vragen van cliënte en er nu geen aanleiding is om hierop terug te komen. Voorts heeft de commissie uit voornoemde brieven opgemaakt dat de zorgaanbieder tijdens het telefoongesprek van 15 februari 2023 aan cliënte heeft aangegeven dat hij voor wat betreft zijn reacties, zowel telefonisch als schriftelijk, in maximale zin heeft gecommuniceerd en op toekomstige verzoeken, telefonisch en schriftelijk, niet meer zal ingaan.

Overwegingen van de commissie
Cliënte heeft voor wat betreft de ingangsdatum van haar arbeidsongeschiktheid een mediationtraject doorlopen, dat is afgesloten met een vaststellingsovereenkomst die door cliënte is ondertekend. De commissie kan geen oordeel geven over deze, onder leiding van een onafhankelijk mediator, tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst. Deze procedure valt buiten de reikwijdte van het reglement van de commissie. De commissie overweegt dat het niet tot haar taak behoort om een verzekeringsgeneeskundige rapportage opnieuw te beoordelen. Wettelijk is vastgelegd dat tegen dit deskundigenoordeel geen bezwaar mogelijk is. Wel kan de commissie een oordeel geven over de wijze waarop de zorgaanbieder heeft gehandeld. Daarbij is de vraag aan de orde of de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgaanbieder in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. De verzekeringsarts heeft in het kader van de mediation een verzekeringsgeneeskundige rapportage opgesteld, die is gebruikt voor de vaststelling van de ingangsdatum van de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van cliënte. Ter zitting heeft cliënte aangegeven dat zij voor deze herbeoordeling de verzekeringsarts niet heeft gezien of gesproken, terwijl zij hier meerdere keren om heeft gevraagd. De zorgaanbieder heeft dit niet weersproken. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld door, ondanks uitdrukkelijke verzoek, cliënte niet de gelegenheid te bieden in persoon met de verzekeringsarts te spreken. De commissie zal de klacht gegrond verklaren.

Schadevergoeding
Cliënte heeft een schadevergoeding gevorderd van € 25.000,-. De commissie zal de gevorderde materiële schadevergoeding afwijzen. Cliënte heeft met de zorgaanbieder een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin is bepaald wanneer de volledige en duurzame arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingegaan. Deze overeenkomst, die bindend is voor partijen, kan dan ook niet worden aangetast door een beslissing van de commissie. De commissie zal ook de gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen, nu cliënte onvoldoende gronden heeft aangevoerd op basis waarvan deze vergoeding zou moeten worden toegewezen. Klachtengeld Daar de klacht van cliënte gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 20 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50. Derhalve wordt als volgt beslist.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van €52,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie UWV, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer dr. E. Khoe, de heer A.R.M. van Riet, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 12 april 2024.