Commissie onderzoekt bevoegdheid in geschil over auto met startproblemen

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Commissie    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: tussenadvies   Uitkomst: aanvullende informatie nodig   Referentiecode: 253990/304042

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kocht op 24 maart 2023 een auto bij de ondernemer, maar ondervond binnen vijf maanden herhaaldelijke schade en ernstige startproblemen. Hij stelt dat het defect al vóór de aankoop aanwezig was en beroept zich op non-conformiteit. De consument wenst ontbinding van de overeenkomst en vergoeding van bijkomende kosten.

De ondernemer betwist de bevoegdheid van de Geschillencommissie Voertuigen, omdat de auto volgens hem zakelijk is aangeschaft via een eenmanszaak en betaald vanuit een zakelijke rekening. De ondernemer stelt bovendien dat de schade is veroorzaakt door te laat tanken of door polymerisatie, en dus niet door een gebrek aan de auto.

De commissie oordeelt dat er gerede twijfel bestaat over de hoedanigheid van de koper: is hij consument of ondernemer? Daarom krijgt de consument een maand de tijd om bewijs aan te leveren dat hij de auto als particulier heeft gekocht. Daarna volgt een mondelinge behandeling waarin zowel de bevoegdheidsvraag als de inhoudelijke klacht besproken worden. Verdere beslissingen worden aangehouden.

De volledige uitspraak

TUSSENADVIES
Geschillencommissie Voertuigen

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de klacht over startproblemen van een door de ondernemer geleverde auto.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 24 maart 2023 heeft de consument bij de ondernemer een auto gekocht. In de eerste vijf maanden heeft de auto drie keer bij het bedrijf gestaan wegens schade. Bij de derde keer stond de auto volledig stil en kan de consument zijn auto niet gebruiken.
De oorzaak is een technisch gebrek en is ontstaan ruim voor de aankoop door de consument.
De consument doet een beroep op de non-conformiteit en wenst ontbinding van de overeenkomst en heeft geen vertrouwen meer in de ondernemer ook gelet op de wijze waarop de ondernemer de consument heeft behandeld en heeft aangesproken.
Daarnaast wenst de consument een schadeloosstelling voor de bijkomende, gemaakte en nog te maken kosten.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De commissie is in deze niet bevoegd, nu het geen aankoop betreft van een consument.
De consument wekt de indruk de auto in kwestie te hebben aangekocht in de hoedanigheid van particulier. Dat is echter niet juist. Hij heeft de auto aangekocht vanuit zijn onderneming; een eenmanszaak. Uit het in deze ingebrachte betalingsbewijs blijkt dat de auto is voldaan vanuit de zakelijke rekening van de eenmanszaak van de consument. Voorts is de consument voor de auto ook een financial leaseovereenkomst aangegaan. Daarnaast blijkt een en ander ook uit de in deze ingebrachte mail ‘verzoek kopie tenaamstellingsverslag’ met daaraan gehecht het tenaamstellingsverslag. In die mail, welke werd gezonden aan [e-mailadres] en aan [ondernemer] wordt onder ‘klant’ ook vermeld: [consument].

Daarnaast heeft de ondernemer inhoudelijk verweer gevoerd.

Uit de initiële rapportage van Experda, alsmede de reactie van Experda op de rapportage van DEKRA komt duidelijk naar voren dat geen sprake is geweest van enig gebrek aan de auto. Het is de consument geweest die in weerwil van (meerdere) waarschuwingen (en mogelijk overigens ook reeds in de maanden voor het voorval) niet tijdig heeft getankt. Als gevolg daarvan is het ontstane defect opgetreden en is de auto stil komen te vallen.
Daarnaast is door DEKRA gewezen op de mogelijkheid van ‘polymerisatie’. Indien dit verschijnsel daadwerkelijk de oorzaak is geweest van de schade, zoals de consument ook zelf lijkt te stellen, dan staat zonder meer vast dat de ondernemer voor de schade op geen enkele wijze aansprakelijk kan zijn. Niet alleen is die schade dan op geen enkele wijze aan de ondernemer toerekenbaar, maar ook staat dan vast dat van enige gebrek aan de auto geen sprake is geweest. Immers, de schade is dan het gevolg van door van overheidswege opgelegde maatregelen. In het kader van polymerisatie wenst de ondernemer overigens ook nog te wijzen op de inmiddels vrij ver gevorderde kilometerstand van bijna 150.000 km.
Of het defect al dan niet binnen enige garantieperiode c.q. de ‘wettelijke termijn’ van een jaar is opgetreden, is dan ook niet relevant. De ondernemer is (mogelijk) slechts aansprakelijk voor gebreken aan de auto. Van dergelijke gebreken c.q. van non-conformiteit is evenwel geen sprake: de schade (c.q. het gebrek) is gevolg van handelen van de consument zelf (te laat tanken) dan wel van ‘polymerisatie’, hetgeen zonder meer geen gebrek oplevert als bedoeld in de Wet.

Beoordeling van het geschil
De commissie ziet aanleiding een tussenadvies te wijzen en heeft het volgende overwogen

De commissie heeft op de voet van het in deze geldende reglement ondermeer tot taak geschillen tussen consument en ondernemer te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van overeenkomsten met betrekking tot door de ondernemer te leveren of geleverde diensten.

Onder consument wordt volgens dit reglement begrepen de natuurlijke persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en hebben ingebracht, bestaat er naar het oordeel van de commissie minst genomen gerede twijfel of er wel sprake is van een aankoop door een consument van een door de ondernemer geleverde auto. Hetgeen de consument daarover thans heeft aangevoerd, kan daar onvoldoende aan afdoen, maar de commissie wil de consument alsnog gelegenheid bieden als meest gerede partij bewijs voor zijn stelling te leveren.

De commissie staat dan ook een praktische voortgang van de procedure voor waarbij de consument in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen dat hier sprake is van een door een consument gekochte auto, dit bewijs door hem vervolgens kan worden toegelicht en de ondernemer daarop kan reageren tijdens een mondelinge behandeling waarbij om pragmatische redenen ook de zaak inhoudelijk zal worden behandeld waarbij partijen over en weer in de gelegenheid worden gesteld een toelichting te geven en de commissie zo nodig vragen zal stellen.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie geeft de consument de gelegenheid binnen een maand na verzending van deze tussenuitspraak te bewijzen dat in deze sprake is van een aankoop door een consument.

Voorts bepaalt de commissie dat er na het door de consument aangedragen bewijs er een mondelinge behandeling plaats zal vinden waarbij dit bewijs en de inhoudelijke standpunten van partijen aan de orde zullen komen.

Het aangedragen bewijs wordt na ontvangst door de commissie in afschrift aan de ondernemer gezonden. Deze wordt in de gelegenheid gesteld daarop binnen twee weken een schriftelijke reactie aan de commissie kenbaar te maken.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer C.J. Bosboom, mevrouw mr. E.J.P.J.M. Kneepkens, leden, op 6 augustus 2024.

 

 

Opslaan als PDF