Commissie oordeelt dat ten aanzien van koude consument wel vastrechtkosten verschuldigd is, maar dat geen variabele kosten in rekening mogen worden gebracht.

  • Home >>
  • Warmtelevering >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Warmtelevering    Categorie: Omvang verbruik    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 101048

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de voor warmtelevering in rekening gebrachte tarieven, in het bijzonder de voor levering van koude in rekening gebrachte vaste kosten en het voor de afleverset in rekening gebrachte tarief.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De tarieven die de ondernemer in rekening brengt en gebracht heeft in het kader van de levering van warmte zijn en waren, hoewel verschillend gespecificeerd voor en na de invoering van de Warmtewet, volgens mij veel hoger dan redelijk. Toppunt is wel dat de invoering van de Warmtewet door de ondernemer is aangegrepen om het maandelijks voorschot zelfs nog te verhogen met € 8,08. De vaste kosten zijn zelfs gestegen met € 9,35.  Mijn medehuurders en ik hadden van tevoren een geheel ander effect van de Warmtewet verwacht.
Gelet op de mededelingen die door, dan wel namens de ondernemer, andermaal en zeer expliciet zijn gedaan in voorlichtingsbijeenkomsten, namelijk dat de koude gratis geleverd zou worden, handhaaf ik mijn bezwaar tegen de vaste kosten die de ondernemer in rekening brengt voor koude levering.
Het tarief dat de ondernemer in rekening brengt voor vaste kosten van de afleverset is volgens mij veel te hoog. Dit vooral omdat in mijn wooncomplex van 25 appartementen afleversets zijn gemonteerd per 2, soms zelfs 3 appartementen.
De consument verzoekt:
1. Schrappen van het vaste kostentarief voor levering van koude met terugwerkende kracht tot
   aanvang.
2. Verlaging van het vaste kostentarief voor de afleverset. Ik denk aan een reductie van € 5,– per
   maand.

Ter zitting heeft de consument nog betoogd dat hij de individuele leveringsovereenkomst weliswaar -op het kantoor van de ondernemer- heeft getekend, maar dat hij nauwelijks de gelegenheid heeft gehad om het hele pak papier goed door te lezen.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer stelt dat er tussen partijen geen juridische grondslag bestaat voor een tussen partijen bindend advies van de geschillencommissie. Noch in de tussen partijen gesloten leveringsovereenkomst, noch in de Algemene Voorwaarden staat opgenomen dat er tussen partijen geschillenbeslechting op grond van bindend advies plaatsvindt.

Er is geen toezegging gedaan dat er geen vastrecht voor koude levering in rekening zou worden gebracht. Integendeel, de ondernemer heeft vanaf het eerste moment aan de (potentiële) huurders gecommuniceerd dat ook voor levering van warmte en van koude een vastrecht in rekening zou worden gebracht, maar dat er voor de levering van koude -in tegenstelling tot levering van warmte- geen variabel tarief in rekening zou worden gebracht. De ondernemer verwijst daarbij naar een schriftelijke toelichting op de energietarieven die de huurders hebben ontvangen, een algemene informatiebrochure en de individuele leveringsovereenkomst die door de consument is ondertekend en het bijbehorende Product- en Tarievenblad. Ook een juiste beschouwing van de dia uit de powerpoint presentatie leert dat die communicatie in lijn is. Er staat immers vermeld: “[afkorting ondernemer] levert verwarming en koeling. Verrekening op basis van vastrecht”. Vervolgens staat er: “Warmte: prijs per GJ. Koude/koeling; Gratis”. Deze formulering is niet geheel gelukkig, maar deze regel ziet op het variabele deel, waarvoor bij koude geen aanvullend tarief in rekening wordt gebracht.

Ten aanzien van de hoogte van het tarief voor de afleverset stelt de ondernemer dat hij op grond van de Warmtewet gerechtigd is een redelijk tarief in rekening te brengen en dat de Warmtewet geen maximumprijs stelt. Met verwijzing naar de brief d.d. 7 juli 2014 van de Minister van Economische Zaken stelt de ondernemer dat ook centrale afleversets, die voor meerdere woningen worden gebruikt, onder het begrip afleverset in de zin van de Warmtewet vallen en dat de redelijke kosten hiervan in rekening mogen worden gebracht. In het complex De Wiekslag is gekozen voor het aanleggen van een aantal bronnen, waarop per bron meerdere woningen zijn aangesloten, middels een centrale warmtewisselaar/afleverset. Gevolg is dat ook de capaciteit van de toegepaste warmtewisselaar groter is, omdat daarmee dus meerdere woningen dienen te worden bediend. Dit alles leidt ertoe dat er bij de technische constellatie van een gezamenlijke installatie hogere investeringen per installatie nodig zijn, dan voor een installatie die enkel geschikt is voor één woning. Daarmee zijn zodoende de kosten van investering, onderhoud en vervanging van de (constellatie van) de warmtewisselaar ook hoger.
De ondernemer stelt zich op het standpunt dat de kosten die voor de beschikbaarstelling van de warmtewisselaar in dit licht dienen te worden aangemerkt als redelijke kosten in de zin van de Warmtewet.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Na de zitting heeft de vertegenwoordiger van de ondernemer schriftelijk bevestigd dat de ondernemer de zogenaamde registratieverklaring heeft ondertekend, hetgeen betekent dat de ondernemer geacht wordt vanaf 1 januari 2016 in haar Algemene Voorwaarden de mogelijkheid te bieden om geschillen voor bindend advies voor te leggen aan de Geschillencommissie Warmtelevering. De commissie is derhalve bevoegd kennis te nemen van de klacht van de consument.
De commissie stelt verder vast dat de consument op 3 mei 2014 voor het eerst over de in geding zijnde bezwaren een klacht heeft ingediend bij de ondernemer en dat hij binnen 24 maanden nadien, te weten op 11 februari 2016, terzake een klacht heeft ingediend bij de commissie. De consument is derhalve ontvankelijk.

Ten aanzien van de inhoudelijke bezwaren overweegt de commissie het volgende.

Met betrekking tot de koude levering is de commissie van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat uit de door de consument ondertekende individuele leveringsovereenkomst en het bijbehorende Product- en Tarievenblad duidelijk volgt dat terzake van koude levering wel vastrecht verschuldigd is. Enig verschil met warmtelevering is dat er voor koude levering geen variabele kosten in rekening worden gebracht. Dat staat ook uitgelegd in de overige in het verweerschrift genoemde schriftelijke informatie. Hoewel de betreffende passage uit de powerpoint presentatie op zich weliswaar tot enige verwarring aanleiding kan geven, is dat onvoldoende om te oordelen dat de consument niet meer gebonden is aan de door hem ondertekende leveringsovereenkomst en het Product- en Tarievenblad. De stelling van de consument ter zitting dat hij bij de ondertekening op het kantoor nauwelijks de gelegenheid heeft gehad om het hele pak papier goed door te lezen maakt dit niet anders. De consument had zelf kunnen aangeven dat hij meer tijd wilde om de overeenkomst goed door te lezen voor de ondertekening.

Ten aanzien van de kosten van de afleverset overweegt de commissie het volgende. Niet in geschil is dat de ondernemer op grond van de Warmtewet gerechtigd is om een redelijk tarief in rekening te brengen voor het ter beschikking stellen van de afleverset. Uit de brief d.d. 7 juli 2014 van  de Minister van Economische Zaken blijkt genoegzaam dat dat ook geldt voor een centrale afleverset, die voor meerdere woningen wordt gebruikt zoals in dit geval.
De commissie is in beginsel niet bevoegd te beslissen over de hoogte van in rekening gebrachte tarieven of kosten. De commissie heeft hier slechts een marginale beoordelingsruimte.

Mede gelet op het aannemelijke gegeven dat de investeringen in een centrale afleverset voor meerdere woningen hoger zijn acht de commissie het in rekening gebrachte tarief (dat over 2016 € 16,65 per maand bedraagt en derhalve € 199,80 per jaar) in dit geval niet apert onredelijk.

De commissie concludeert derhalve dat de klacht moet worden afgewezen.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Warmtelevering, op 19 augustus 2016.