Dat de cliënt het vertrouwen heeft verloren in het handelen van de uroloog, komt door de wederzijdse stroeve communicatie

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 113842

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats], en Stichting Amphia, gevestigd te Breda.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 16 februari 2018 te Eindhoven. Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht. Het ziekenhuis werd vertegenwoordigd door [naam], (jurist van het ziekenhuis).

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de onzorgvuldige of ondeugdelijke uitvoering van de operatie en de slechte nazorg door het ziekenhuis.

Standpunt van cliënt

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer.

De cliënt stelt zich op het standpunt dat zijn klacht ontvankelijk is. Daartoe voert de cliënt aan dat de klachtenbemiddeling reeds is afgerond met zijn antwoord op de brief van 24 november 2017 van de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Niet kon worden voldaan aan het eerste verzoek van cliënt, te weten een gesprek met de behandelend uroloog. In de brief van de behandelend uroloog van
27 oktober 2017 staan volgens cliënt heel veel zaken die niets met zijn klacht van doen hebben, zodat cliënt daarop niet meer inhoudelijk heeft gereageerd. Wat hem betreft is was daarmee de kous af; het ziekenhuis heeft het vertrouwen van de cliënt niet terug kunnen winnen en dus is de commissie bevoegd om de zaak over te nemen.

Cliënt stelt dat bij hem naar aanleiding van de in maart 2017 uitgevoerde operatie aan zijn blaas, de nazorg en de vervolg bezoeken aan de afdeling urologie de nodige twijfels en bedenkingen zijn ontstaan over de problemen die hij na de operatie heeft ondervonden. Allereerst heeft cliënt de eerste vijf dagen na de operatie de behandelend uroloog niet gezien. Toen cliënt na deze vijf dagen naar huis mocht was volgens hem alles nog niet in orde. Hij plaste nog bloed en had tijdens het plassen veel pijn. Thuis bleef de pijn aanhouden. De conclusie van het urineonderzoek was waarschijnlijk een blaasontsteking. Ondanks de voorgeschreven antibioticakuur bleef de pijn aanhouden. Cliënt bracht enkele maanden na de operatie een controlebezoek en kreeg te horen dat de pijn werd veroorzaakt door de wonden bij de uitgang van de blaas waar de tumoren waren weggehaald. Later bleek er nog iets in de blaas te zitten wat er niet hoorde te zitten en volgens cliënt heeft de behandelend uroloog dat mogelijk bij de eerste operatie over het hoofd gezien. Cliënt heeft het gevoel dat er niet goed is gehandeld bij de eerste operatie. Hij heeft geen vertrouwen meer in de behandelend uroloog. Daarbij komt dat het laatste controle bezoek op 16 oktober 2017 niet zorgvuldig verliep. Cliënt moest heel lang wachten. Tot slot vraagt cliënt zich af waarom geen blaasspoeling en/of bestraling/radiotherapie is voorgesteld of heeft plaatsgevonden, dit om de aangroei van eventuele nieuwe tumorcellen tegen te gaan en doorgroei van nog eventuele aanwezige tumoren te stoppen.
Ook zijn urine controles nagelaten en is niet medegedeeld dat blaastumorcellen weer snel kunnen aangroeien.

Ter zitting heeft de cliënt zijn standpunt nader toegelicht.

In de vijf dagen die cliënt na de operatie op 13 maart 2017 in het ziekenhuis heeft gelegen, heeft hij de behandelend arts, [naam uroloog], geen één keer aan zijn bed gezien. Cliënt kreeg geen duidelijk antwoord van de verpleegkundigen of [naam uroloog] nu wel of niet in het ziekenhuis aanwezig zou zijn. Naderhand is er geen contact meer geweest. Na een aantal dagen thuis te zijn geweest, ondervond cliënt veel pijn. De huisarts heeft geprobeerd contact op te nemen met de behandelend arts. Het ziekenhuis dacht dat cliënt een blaasontsteking had en cliënt kreeg antibiotica die niet werkte. Bij de uitgang van de blaas zaten wonden en dat veroorzaakte pijn. [Naam uroloog] vertelde dat alle tumoren waren weggehaald. Tijdens het controle bezoek op 3 juli 2017 werden opnieuw tumoren aangetroffen. Tijdens dit bezoek vroeg cliënt of [naam uroloog] wellicht vergeten was iets weg te halen. [Naam uroloog] was daarop beledigd. Cliënt heeft met [naam uroloog] geen afspraak gemaakt de tumoren weg te laten halen, omdat hij geen vertrouwen meer had in een behandeling door [naam uroloog]. Cliënt heeft verzocht om een gesprek met [naam  uroloog] maar deze wilde niet in gesprek met hem. Hij weet niet meer wanneer hij heeft verzocht om een gesprek. De arts had in het gesprek kunnen uitleggen dat indien wordt verteld dat alle tumoren zijn weggehaald dit zo is en dat indien tumoren worden weggehaald er 80% kans is dat deze weer terugkomen. Cliënt wenst dat [naam uroloog] terecht wordt gewezen op de fouten die hij heeft gemaakt. Deze fouten hebben te maken met de nazorg, zoals het gesprek [naam uroloog] niet wenste aan te gaan. Dit jaar is cliënt naar het TweeSteden Ziekenhuis geweest. Hij wordt op 20 februari 2018 geopereerd.

Standpunt van het ziekenhuis

Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar het verweer dat het ziekenhuis heeft ingediend en dat hierbij als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Ontvankelijkheid

Het ziekenhuis stelt zich allereerst op het standpunt dat de klacht van de cliënt niet-ontvankelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de klachtenbemiddeling nog niet is afgerond, de klacht nog niet tot een oordeel heeft geleid en nog geen beslissing is genomen over en naar aanleiding van de klacht.
De cliënt heeft namelijk niet, zoals afgesproken, laten weten over welke punten hij graag met de behandelend uroloog in gesprek zou willen, opdat er een bemiddelingsgesprek had kunnen plaatsvinden. Op 19 oktober 2017 heeft de cliënt een klacht over zijn behandelend uroloog ingediend bij de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis. Op 27 oktober 2017 heeft de behandelend uroloog een brief aan de cliënt gestuurd in reactie op de klachtbrief. Op 7 november 2017 wordt door de klachtenfunctionaris telefonisch contact opgenomen met de cliënt om de brief van de behandelend uroloog te bespreken. De cliënt geeft aan graag een gesprek met zijn uroloog te wensen. Afgesproken wordt dat hij de klachtenfunctionaris schriftelijk laat weten over welke punten hij met de behandelend uroloog in gesprek wil. Op 24 november 2017 wordt de cliënt door de klachtenfunctionaris schriftelijk herinnerd aan deze afspraak. Op 1 december 2017 beklaagt de cliënt zich erover dat niet direct een gesprek heeft kunnen plaatsvinden met de behandelend uroloog.

Het ziekenhuis verzoekt de commissie de cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.

Ter zitting heeft het ziekenhuis het volgende nog aangevoerd.

Inhoudelijk

Het ziekenhuis is van oordeel dat [naam uroloog] op een juiste manier heeft gehandeld. Hij heeft regelmatig met cliënt gepraat en een en ander toegelicht. [Naam uroloog] is niet tekort geschoten in enige informatievoorziening of bereidwilligheid de cliënt te spreken. Er is een bemiddelingstraject opgestart waarbij de cliënt heeft aangegeven [naam uroloog] niet meer te willen spreken.

Beoordeling van het geschil

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting overweegt de commissie als volgt.

Ontvankelijkheid

Ter zitting is vast komen te staan dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van het ziekenhuis geen bespreking meer behoeft, dit omdat afronding van het klachtentraject in het ziekenhuis, ervan uitgaande dat deze nog niet is afgerond, geen zin meer heeft. De zaak kan mitsdien inhoudelijk worden behandeld.

Inhoudelijke beoordeling

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Indien voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis jegens cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht, waardoor cliënt schade heeft geleden, kan het ziekenhuis hiervoor aansprakelijk worden gesteld.
De commissie dient de vraag te beantwoorden of toerekenbaar tekort is geschoten bij het uitvoeren van de behandeling en in het bijzonder bij de nazorg. De commissie stelt vast dat de cliënt thans geen gesprek meer wenst met [naam uroloog]. Hij wenst een uitspraak van de commissie waarin wordt geoordeeld over het handelen van [naam uroloog]. De cliënt heeft bezwaren over de wijze waarop
[naam uroloog] na de operatie (niet) is opgetreden. Hoewel de cliënt weliswaar twijfels heeft of tijdens de operatie op 13 maart 2017 daadwerkelijk alle tumoren zijn weggehaald, kan hij dat niet aannemelijk maken, stelt de commissie vast.

De commissie gaat van de volgende feiten uit. Op 13 maart 2017 is cliënt geopereerd door
[naam uroloog]. Door middel van een kijkoperatie via de plasbuis zijn alle blaastumoren verwijderd.
De operatie is ongecompliceerd verlopen. Op 3 april 2017 vond tijdens het spreekuur van [naam uroloog] een controlebezoek plaats. Een tweede controlebezoek vond op 3 juli 2017 plaats. Door [naam uroloog] is een controle cystoscopie verricht, waarbij op de voorwand van de blaas een klein verdacht veldje werd gezien en een onrustig gebied op de linker zijwand. Geadviseerd werd dit met een transurethrale operatie te behandelen. Cliënt wilde deze operatie niet ondergaan. Een derde controle van de blaas vond plaats op 16 oktober 2017. Op de voorwand van de blaas werd een wat grotere tumor gevonden. Deze moest operatief worden behandeld. Cliënt heeft aangegeven hierover na te willen denken. Eerder dit jaar is cliënt naar een ander ziekenhuis gegaan, waar hij op 20 februari 2018 wordt geopereerd.

De commissie ziet niet goed in waarom het door de cliënt gewenste gesprek met de uroloog niet heeft plaatsgevonden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is evenwel naar voren gekomen dat dit te wijten was aan de communicatie tussen de cliënt en het ziekenhuis, welke te wensen overliet. Cliënt heeft bij het ziekenhuis aangegeven een gesprek met [naam uroloog] te willen, welk gesprek in eerste instantie door [naam uroloog] werd geweigerd. Dit getuigt naar het oordeel van de commissie van een onvoldoende professionele houding. Een gesprek had daarnaast het wantrouwen van de zijde van cliënt kunnen wegnemen; dat was van belang omdat de waarnemingen maakten dat het gewenst was dat de cliënt snel opnieuw zou worden geopereerd. Later bleek een gesprek nog wel mogelijk over de punten die niet in de brief van [naam uroloog] van 27 oktober 2017 stonden vermeld. Cliënt is daarop echter niet meer ingegaan en wenst thans ook geen gesprek meer met [naam uroloog].

Een week na de operatie had de cliënt nog veel pijn. De uitslag van het urineonderzoek was waarschijnlijk een blaasontsteking waarvoor cliënt een antibioticakuur kreeg voorgeschreven. Deze kuur hielp echter niet, de cliënt bleef pijn houden. Hij heeft meerdere keren gebeld met het ziekenhuis maar kreeg geen bevredigend antwoord. Eerst bij het controlebezoek op 3 april 2017 werd aan cliënt medegedeeld dat de pijnklachten werden veroorzaakt door het weghalen van de tumoren vlakbij de uitgang van de blaas en dat een en ander tijd nodig heeft om te genezen. Hoewel hieruit blijkt dat het ziekenhuis in de informatieverstrekking niet optimaal heeft gehandeld, kan naar het oordeel van de commissie niet worden gesteld dat sprake is van klachtwaardig handelen. Dit geldt eveneens voor de omstandigheid dat cliënt in de vijf dagen dat hij na de operatie in het ziekenhuis lag [naam uroloog] niet te zien kreeg. Wellicht had het aan de cliënt duidelijk moeten worden gemaakt dat de zorg voor de patiënten op de verpleegafdeling wordt gedaan door de arts-assistenten urologie, zoals [naam uroloog] ook vermeldt in zijn brief van 27 oktober 2017. Cliënt had immers de verwachting dat zijn behandelend arts voor hem klaar zou staan. Overigens is door de cliënt niet weersproken dat hij na afloop van de operatie op 13 maart 2017 [naam uroloog] heeft gesproken over het verloop van de ingreep.

De rode lijn in onderhavige zaak is naar het oordeel van de commissie de communicatie, welke stroef verliep. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is dit te wijten aan beide partijen.

Gelet op het vorenstaande is de commissie van oordeel dat er geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van het ziekenhuis in de nakoming van de uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende inspanningsverplichting. De klacht van de cliënt dient dan ook ongegrond verklaard te worden.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van cliënt ongegrond.

Aldus beslist op 16 februari 2018 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.