De ambulancehulpverleners mochten zich terecht zorgen maken over de veiligheid en het welzijn van de 12-jarige zoon van de cliënt. Dat de cliënt over de melding van kindermishandeling werd geïnformeerd op het moment dat deze zich in halfdronken toestand en met een hoofdwond in een ambulance bevond, is niet zorgvuldig

  • Home >>
  • Ambulancezorg >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ambulancezorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 112210

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats] en Witte Kruis Ambulance (RAV Zeeland en RAV Noord- en Oost Gelderland), gevestigd te Alkmaar.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ambulancezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Het geschil is ter zitting behandeld op 10 januari 2018 te Bergen op Zoom.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. De cliënt is niet verschenen. Hij heeft op voorhand aangegeven zijn standpunt niet mondeling te willen toelichten.
Namens de zorgaanbieder zijn verschenen:
– [naam manager Projectbureau & Legal Witte Kruis, tevens klachtenfunctionaris],
– [naam directeur zorg],
– [naam manager RAV Zeeland/Witte Kruis],
– [naam project-/beleidsmedewerker en waarnemend klachtenfunctionaris], en
– [naam aandachtfunctionaris kindermishandeling/Veilig Thuis].

Onderwerp van het geschil

De cliënt beklaagt zich over de bejegening door de zorgaanbieder en het feit dat onterecht melding is gedaan van kindermishandeling.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door hem overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de cliënt op het volgende neer.

Op 10 juli 2017 is de echtgenote van de cliënt van de trap gevallen. Als gevolg daarvan had zij een flinke hoofdwond met ernstig bloedverlies en verloor zij enige tijd haar bewustzijn. De cliënt heeft 112 gebeld, waarna de ambulance spoedig ter plaatse kwam. Eén van de ambulancehulpverleners was naar de mening van de cliënt erg bot naar hem en zijn vrouw. Kort hierna ontving de cliënt een brief van het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (hierna: AMK), waarin stond dat een melding van kindermishandeling is gedaan, omdat de cliënt persé naar zijn werk had willen gaan en zijn zoon alleen had willen achterlaten. De cliënt is echter van mening dat hij niets verkeerds heeft gedaan en begrijpt dan ook niet wat de reden is geweest om de melding te doen. Hij vindt het beledigend en beschamend voor hem en zijn gezin en verlangt welgemeende excuses van de zorgaanbieder.

Op 5 augustus 2017 heeft de cliënt zijn klacht ingediend bij de commissie. Hij verzoekt de commissie zijn klacht jegens de zorgaanbieder gegrond te verklaren en hem ten laste van de zorgaanbieder een schadevergoeding ter hoogte van het klachtengeld (€ 52,50) toe te kennen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder is van mening dat hij heeft gehandeld conform het vigerende protocol c.q. de Meldcode en dat gelet daarop de klacht ongegrond moet worden verklaard.
Bij aankomst in de woning van de cliënt en zijn echtgenote (hierna: de patiënte) troffen de ambulancehulpverleners de patiënte aan, die in dronken toestand van de trap was gevallen. Zij vernamen al vrij snel dat de patiënte vaker dronk, hetgeen door de cliënt werd bevestigd. Toen de ambulancehulpverleners met de patiënte richting de ambulance liepen, kwam ter sprake dat zij een zoon van 12 jaar hadden die op dat moment thuis was. Volgens de zorgaanbieder heeft de cliënt pas na aandringen van de ambulancehulpverleners besloten om niet naar zijn werk te gaan, maar bij zijn zoon te blijven.
In de ambulance vernamen de hulpverleners nogmaals dat de patiënte vaker alcohol drinkt, dronken naar bed gaat en problemen heeft. Op dat moment zijn bij de ambulancehulpverleners zorgen ontstaan over de veiligheid en het welzijn van het kind en over het feit of er al dan niet een wenselijke algemene (gezins-)situatie aanwezig is. De ambulanceverpleegkundige heeft dit met de patiënte besproken en aangegeven dat hij een melding bij het AMK zal doen. Hij heeft hierbij benadrukt dat een dergelijke melding tot doel heeft om het gezin hulp te bieden.
Bij overdracht van de patiënte aan de Spoedeisende Hulp in Goes hebben de ambulancehulpverleners de zorgen besproken met SEH-collega’s. Daarnaast is de situatie besproken met de aandachtfunctionaris Veilig Thuis en zijn de verplichte stappen uit het vigerende protocol (12.5 Landelijk Protocol Ambulancezorg) doorlopen. Gezamenlijk hebben zij de ernst, de aard en het risico van de situatie afgewogen en aanleiding gezien om de melding bij het AMK te doen.

De zorgaanbieder is gelet hierop van mening dat het ambulanceteam c.q. de beroepsbeoefenaars bij het beroepsmatig handelen binnen de grenzen van een bekwame beroepsuitoefening zijn gebleven, rekening houdend met hetgeen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard is aanvaard.

Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, verzoekt de zorgaanbieder het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen, omdat het veronderstelde verwijtbaar handelen daarvoor te licht moet worden geacht.

Ter zitting is de zorgaanbieder bij zijn standpunt gebleven. Hij heeft een toelichting gegeven op de procedure die is gevolgd en benadrukt dat het doen van een melding niet per definitie inhoudt dat sprake is van kindermishandeling, maar slechts aangeeft dat er zorgen bestaan. Voorts heeft de zorgaanbieder aangegeven dat de ambulancehulpverleners in de ambulance aan de patiënte hebben medegedeeld dat zij een melding bij het AMK zouden doen, terwijl pas daarna de verplichte stappen uit het protocol zijn genomen, bestaande uit het zorgvuldig toetsen bij andere personen en het maken van een afweging, naar aanleiding waarvan is besloten de melding te doen.
Ten aanzien van de bejegening door de ambulancehulpverleners merkt de zorgaanbieder op dat de situatie in de woning zo gespannen was, dat de cliënt zich meer zorgen om zijn werk leek te maken dan om zijn echtgenote en dat de ambulanceverpleegkundige geen toegang tot de woonkamer kreeg, maar de nodige zorg in de smallere gang van de woning moest verlenen.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van de stukken en hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht, overweegt de commissie als volgt.

Op 10 juli 2017 heeft de cliënt het alarmnummer 112 gebeld nadat zijn echtgenote in dronken toestand van de trap was gevallen en hierbij letsel had opgelopen. De ambulancehulpverleners die kort daarna ter plaatse kwamen, vernamen dat de patiënte vaker alcohol nuttigde, laat naar bed ging en problemen had. Aangezien de cliënt vanwege zijn werk regelmatig vroeg in de ochtend het huis verlaat, maakten de ambulancemedewerkers zich zorgen over de gezinssituatie en in het bijzonder over de veiligheid en het welzijn van de 12-jarige zoon. In de ambulance deelden zij aan de patiënte mede dat zij een melding bij het AMK zouden doen. Vervolgens werden de verplichte stappen uit het vigerende protocol doorlopen. De situatie werd besproken met collega’s van de Spoedeisende Hulp waar de patiënte naartoe werd gebracht en met de aandachtfunctionaris Veilig Thuis. Na een afweging van de ernst, de aard en het risico van de situatie is gekozen voor het doen van de melding bij het AMK.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op de bejegening door de ambulancehulpverleners overweegt de commissie het volgende. Volgens de cliënt heeft de ambulanceverpleegkundige zich bot gedragen tegenover hem en zijn echtgenote, terwijl uit hetgeen de zorgaanbieder heeft aangevoerd, kan worden afgeleid dat hij van mening is dat de cliënt zich anders had moeten opstellen. Nu de standpunten van beide partijen dermate uiteen liggen en de commissie verder geen aanknopingspunten heeft om een inhoudelijk oordeel te kunnen geven, onthoudt zij zich ten aanzien van dit klachtonderdeel van een oordeel.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op de gedane melding van kindermishandeling, is de commissie van oordeel dat de ambulancehulpverleners zich gezien de omstandigheden terecht zorgen hebben gemaakt over de veiligheid en het welzijn van de 12-jarige zoon van de cliënt en de (algemene) gezinssituatie.

Uit de gesprekken met de cliënt en de patiënte bleek immers dat de dronkenschap van de patiënte geen incident betrof en dat de cliënt regelmatig afwezig was vanwege zijn werk. Dit levert voldoende grond op voor het doen van de melding bij het AMK. De commissie is dan ook van oordeel dat de zorgaanbieder niet onzorgvuldig heeft gehandeld en gelet hierop zal zij de klacht ongegrond verklaren.

Hoewel de klacht uitsluitend betrekking heeft op de bejegening door de ambulancehulpverleners en de gedane melding van kindermishandeling, overweegt de commissie nog het volgende. Dat (terecht) melding is gedaan van een situatie waarover de hulpverleners zich zorgen maakten, wil nog niet zeggen dat daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Na onderzoek kan immers blijken dat kindermishandeling niet aan de orde is. De commissie acht het echter alleszins begrijpelijk dat de melding een grote impact had op de cliënt, in die zin dat hij het gevoel had beschuldigd te worden van kindermishandeling. Voor hem was niet aanstonds duidelijk dat de melding is gedaan omdat de hulpverleners zich zorgen maakten over de veiligheid en het welzijn van zijn kind, noch dat zij met de melding een onderzoek door Veilig Thuis in gang wilden zetten. Gelet op de impact die een dergelijke mededeling kan hebben, is het van groot belang dat in de communicatie de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt betracht. In het onderhavige geval is de communicatie naar het oordeel van de commissie niet zorgvuldig verlopen. Het moment van de melding en de wijze waarop de melding is gedaan, namelijk in de ambulance tegen de patiënte die in halfdronken toestand verkeerde, terwijl zij een hoofdwond had omdat zij zojuist van de trap was gevallen, zijn ongelukkig gekozen en bovendien procedureel gezien niet juist. Nadat de zorgen waren besproken met onder meer de aandachtfunctionaris Veilig Thuis en vervolgens de afweging omtrent de ernst, de aard en het risico van de situatie was gemaakt, had de melding op een voor de cliënt begrijpelijke wijze met hem besproken moeten worden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht met betrekking tot de gedane melding van kindermishandeling ongegrond;

– bepaalt ambtshalve dat het vigerende protocol ten aanzien van de communicatie onvoldoende
 in acht is genomen.

Aldus beslist op 10 januari 2018 door de Geschillencommissie Ambulancezorg