De cliënte heeft de crisisdienst gebeld. Pas na 4 uur werd zij teruggebeld door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Dat is onzorgvuldig. Er was echter geen aanleiding om cliënte met spoed op te nemen. Tijdens de opname en de (ambulante) vervolgbehandeling heeft de zorgaanbieder zorgvuldig gehandeld

  • Home >>
  • Geestelijke Gezondheidszorg >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 118729

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Stichting Emergis, gevestigd te Goes (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 25 oktober 2018 te Rotterdam. De cliënte is ter zitting verschenen. Namens de zorginstelling is verschenen [naam], jurist gezondheidsrecht.

Onderwerp van het geschil

De cliënte beklaagt zich over de behandeling voor haar eet- en dwangstoornis door de zorginstelling.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door de cliënte overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de cliënte op het volgende neer.

De cliënte is van mening dat zij niet de mate van zorg heeft gekregen die zij mocht verwachten. Toen de cliënte op 14 oktober 2016 als gevolg van haar eet- en dwangstoornis in een crisissituatie terechtkwam en de crisisafdeling van de zorginstelling belde voor hulp, werd zij niet inhoudelijk te woord gestaan, maar pas vier uur later teruggebeld. Daags erna kon ze pas op gesprek komen. Vervolgens is ze op een wachtlijst geplaatst voor ambulante therapie en kreeg ze een telefoonnummer dat ze in noodgevallen kon bellen. Ongeveer een week later heeft ze dit noodnummer gebeld toen het wederom niet goed met haar ging. De volgende dag werd ze opgenomen op de (gesloten) crisisafdeling van de zorginstelling.
In het verouderde gebouw had de cliënte vanwege haar smetvrees last van de sigarettenlucht en het stof. Door een uitspraak van een stagiaire, die beaamde dat het er niet schoon was, verloor de cliënte alle controle over zichzelf, hetgeen resulteerde in een inbewaringstelling. De cliënte heeft in paniek over de afdeling gedwaald, tot ze medicatie kreeg. De cliënte heeft het gevoel dat ze door een hel is gegaan op deze afdeling. Zij kreeg weer last van automutilatie, wat door de zorginstelling niet werd opgemerkt. Toen de situatie van de cliënte na drie dagen nog niet was verbeterd, werd de cliënte naar huis gestuurd. De ondersteuning die zij kreeg via Intensive Home Treatment (verder te noemen: IHT) was voor haar niet meer dan ‘een gezellig gesprekje’ en dagelijks een telefoongesprek, waar ze geen baat bij heeft gehad. Na een aantal weken kreeg zij geen therapie meer en heeft ze zelf uitgezocht dat er ook een dagbehandeling mogelijk was. Voorts beklaagt de cliënte zich erover dat de uit Bulgarije afkomstige psychiater de Nederlandse taal onvoldoende beheerste en niet voldoende op de hoogte was van het medicijngebruik van de cliënte. De cliënte heeft de behandelrelatie met de zorginstelling vervolgens verbroken.

Ter zitting heeft de cliënte haar standpunt herhaald en benadrukt dat de zorg niet aan haar verwachtingen voldeed, gelet op de ernst van haar situatie.

Standpunt van de zorginstelling

Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorginstelling op het volgende neer.

Toen de cliënte op 14 oktober 2016 de crisisafdeling van de zorginstelling belde, werd ingeschat dat de situatie niet dusdanig nijpend was dat acute hulpverlening geboden was. Een sociaal psychiatrisch verpleegkundige van de crisisdienst heeft later op de avond contact opgenomen met de cliënte. In overleg met de cliënte werd een spoedscreening gepland voor na het weekend, op 17 oktober 2016. De cliënte had voldoende medicatie voor het weekend en een spoedopname werd niet noodzakelijk geacht. Op 17 oktober 2016 werd besproken dat de cliënte een zorgprogramma zou gaan volgen, waarmee zij op 25 oktober 2016 startte. De dagen erna is er diverse keren contact geweest met de cliënte en werden afspraken gemaakt over de medicatie en het behandelplan. De cliënte zou nog andere behandelingen volgen en het resultaat zou worden afgewacht alvorens tot opname over te gaan.

Op 2 november 2016 gaf de cliënte aan dat ze een korte crisisopname wilde om in een veilige omgeving met de medicatie te herstarten. Omdat er op dat moment geen plaats beschikbaar was, werd de cliënte op 4 november 2016 opgenomen. Vrijwillige ambulante behandeling heeft verslechtering van de situatie niet kunnen voorkomen, de angstklachten en suïcidale gedachten waren juist toegenomen. Door de behandelend psychiater werd daarom een inbewaringstelling aangevraagd.
De zorginstelling erkent dat het gebouw verouderd was en dat er een rooklucht hing, maar bestrijdt dat hierdoor de kwaliteit van de geboden zorg onder de professionele standaard is gekomen. Er werd rekening gehouden met de smetvrees van de cliënt, bijvoorbeeld door haar medicatie te brengen, zodat zij niet door de rooklucht hoefde om het te halen.

Uit de rapportage volgt niet dat de cliënte zich afzonderde en niemand had om mee te praten. Omdat het een crisisopname betrof, was er geen bewuste controle op haar eetgedrag. Over (een toename van) automutilatie tijdens de opname is ook niets gerapporteerd. Na drie dagen was de situatie van de cliënte sterk verbeterd en was er geen acuut gevaar meer als ze niet langer opgenomen zou zijn. In goed overleg met de cliënte, haar moeder en de psychiater is besloten de inbewaringstelling op te heffen. Afgesproken werd dat de cliënte een zorgprogramma zou gaan volgen, dat een dagbehandeling gestart zou worden en dat zij nog enkele dagen directe toegang tot de crisisdienst had. Met IHT werd de cliënte ondersteuning geboden ten aanzien van haar dwangmatigheden en werd haar een dagstructuur aangeleerd.
In dit kader werd doelbewust de nodige bevestiging aan haar gegeven, er was dus niet slechts sprake van ‘een gezellig gesprekje’, zoals de cliënte het heeft beschreven. Na afsluiting van de IHT en de dagbehandeling is afgesproken dat ambulante dagbehandeling zou plaatsvinden. De zorginstelling is aldus van mening dat de stelling van de cliënte dat zij zelf moest uitzoeken dat er dagbehandeling was, niet juist is.

De zorginstelling herkent zich niet in het beeld dat de cliënte heeft geschetst en is van mening dat zij gedurende de opname niet tekort is geschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst, dat zij de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en dat zij heeft gehandeld in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid.

Ter zitting heeft de zorginstelling haar verweerschrift toegelicht en aangegeven dat de crisisdienst cliënte direct wilde terugbellen maar haar niet konden bereiken en ook het telefoonnummer van haar moeder langdurig in gesprek was. Na enkele uren lukte dit wel en is met cliënte besproken dat de cliënte in het eerste weekend bij haar moeder kon verblijven, hetgeen tevens een rol heeft gespeeld bij de afweging om een persoonlijk gesprek pas na het weekend te plannen. Voorts heeft de zorginstelling de werkwijze bij een (crisis-)verblijf in de instelling toegelicht. Er wordt veel waarde gehecht aan het behoud van de eigen regie. De huisregels zijn bekend bij de cliënten en er lopen verpleegkundigen rond aan wie vragen gesteld kunnen worden. Er is volgens de zorginstelling voldoende aandacht gegeven aan de cliënte en de te nemen vervolgstappen zijn telkens in onderling overleg afgesproken. Als sprake was van (een toename van) automutilatie, dan zou dit zijn opgemerkt. De psychiater die met de cliënte heeft gesproken, had de benodigde kwalificatie en was derhalve bevoegd om het werk uit te oefenen. De communicatie met de cliënte en haar moeder werd door de psychiater juist als open ervaren. De overige punten die de cliënte in haar klacht heeft geformuleerd, worden door de zorginstelling evenmin herkend en dus weersproken.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Vooropgesteld wordt dat voor gegrondverklaring van de klacht vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorginstelling tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst. Van tekortschieten is alleen dan sprake als niet is voldaan aan hetgeen in redelijkheid van een redelijk bekwaam en redelijk handelend zorgverlener mag worden verwacht.

De cliënte heeft op 14 oktober 2016 rond 18:00 uur de crisisdienst gebeld, omdat zij in psychische nood verkeerde. Door een telefoniste werd zij te woord gestaan, maar zij werd pas vier uur later teruggebeld door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De cliënte werd hierdoor vier uur lang in het ongewisse gelaten en zij heeft zich gedurende deze tijd zonder deskundige hulp staande moeten houden. De zorginstelling heeft aangevoerd dat de cliënte niet meteen kon worden teruggebeld, omdat zowel de cliënte als haar moeder telefonisch onbereikbaar waren. De commissie is van oordeel dat de zorginstelling er zich onder de gegeven omstandigheden op een andere manier van had moeten vergewissen of direct ingrijpen noodzakelijk was. Immers, wanneer iemand de crisisdienst belt, moet er in beginsel van worden uitgegaan dat sprake is van een noodsituatie. De commissie verklaart dit klachtonderdeel dan ook gegrond.

De commissie acht de overige klachtonderdelen ongegrond.

Op 14 oktober 2016 heeft de zorginstelling in overleg met de cliënte afgesproken dat zij na het weekend, op 17 oktober 2016 op gesprek zou komen. Hierbij speelde een rol dat de cliënte voldoende medicatie had tot na het weekend en in dat weekend bij haar moeder kon verblijven.
De commissie is van oordeel dat de zorginstelling onder die omstandigheden in redelijkheid kon besluiten dat er op dat moment geen aanleiding was om de cliënte met spoed op te nemen. Op 4 november 2016 vond een opname plaats op de acute afdeling, die gehuisvest was in een verouderd gebouw. De cliënte had hier vanwege haar smetvrees grote problemen mee. De commissie heeft daar begrip voor maar is van oordeel dat de geboden zorg hiermee niet onder de professionele standaard is gekomen. De zorginstelling heeft zoveel mogelijk geprobeerd de overlast voor de cliënte te beperken.

De cliënte is  tijdens haar verblijf op de afdeling door artsen bezocht. Er is een inbewaringstelling afgegeven, omdat sprake was van een terugval in angstklachten en een toename van suïcidale gedachten en automutilatie. Dat hieraan geen uitgebreid gesprek vooraf ging, is verklaarbaar door het feit dat de ernst van de situatie duidelijk was. De zorginstelling heeft voorts afdoende toegelicht dat er geen controle was op het eetgedrag van de cliënte, omdat het uitgangspunt is dat men op de afdeling de eigen regie behoudt. Uit de rapportage volgt niet dat sprake was van (een toename van) automutilatie. Als dit wel plaats vond maar onopgemerkt bleef, moet het ervoor worden gehouden dat cliënte dit heeft verheimelijkt en is dit niet althans niet automatisch aan de zorginstelling te wijten.

Ook ten aanzien van de (ambulante) vervolgbehandeling is naar het oordeel van de commissie niet gebleken van een tekortkoming in de inspanningsverplichting die op de zorginstelling rust. In het kader van de IHT werd aan de cliënte welbewust bevestiging gegeven om de cliënte te stimuleren haar zelfvertrouwen terug te krijgen. Een garantie dat cliënte hier baat bij heeft biedt dit helaas niet. De gekozen behandelmethode is daarmee echter niet onjuist of anderszins onbegrijpelijk.

Ten aanzien van de klacht dat de psychiater niet over de juiste kwalificaties en bevoegdheden beschikte omdat zij niet wist welke medicatie cliënte gebruikte, dit aan haar vroeg en met name onvoldoende Nederlands sprak om haar werk goed uit te oefenen, is door de zorginstelling afdoende toegelicht dat het taalniveau van de betreffende psychiater is getoetst en zij daaraan voldeed. Dat de psychiater niet op de hoogte zou zijn van de medicatie van cliënte is onjuist nu deze door haar is vermeld in het medisch dossier van cliënte.

Ten aanzien van de te lange wachttijden waarover de cliënte heeft geklaagd, merkt de commissie op dat hoewel het onwenselijk is dat in situaties als de onderhavige sprake is van wachttijden, dat heden ten dage de realiteit is. Naar het oordeel van de commissie is de zorginstelling ook daarmee niet tekortgeschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst.

Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de commissie dat de zorginstelling de zorg van een goed hulpverlener in acht heeft genomen en heeft gedaan wat binnen haar mogelijkheden lag. De genoemde klachtonderdelen worden dan ook ongegrond verklaard. Uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken leidt de commissie af dat veeleer sprake was van een discrepantie tussen hetgeen de cliënte als resultaat van de behandeling verwachtte en de inspanning die redelijkerwijs van de zorginstelling verwacht mag worden. Wellicht zijn de verwachtingen over en weer niet voldoende helder op tafel gekomen en had een uitgebreidere en meer zorgvuldige communicatie voorafgaand aan de behandeling het verschil van inzicht op dit punt kunnen voorkomen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
 
De commissie:

– verklaart het klachtonderdeel met betrekking tot het tijdsverloop tussen de eerste twee
 contactmomenten van de cliënte en de zorginstelling gegrond;

– verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

– bepaalt dat de zorginstelling overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van
 € 52,50 dient te vergoeden aan de cliënte ter zake van het klachtengeld.
 
Aldus beslist op 25 oktober 2018 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.