De gynaecoloog heeft de operatie op zichzelf goed uitgevoerd, maar heeft wel inadequaat gehandeld in de pijnbegeleiding van cliënte. Ook in de klachtafhandeling zijn de arts en het ziekenhuis tekortgeschoten

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 116196

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], gemeente [naam gemeente], en de Stichting Ziekenhuis Bernhoven, gevestigd te Uden, (verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
 
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. In de ontvankelijkverklaring van de commissie van 6 juni 2018 is de cliënte ontvankelijk verklaard in haar klacht. De inhoud van die verklaring wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken, waaronder een verklaring van de doktersassistente van 21 september 2018 met bijlagen. De mondelinge behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 28 september 2018 te Eindhoven. Bij deze behandeling zijn verschenen:
– De cliënte en haar echtgenoot;
– Het ziekenhuis, vertegenwoordigd door [naam], gynaecoloog, en [naam], juridisch
  beleidsmedewerker.

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling hun standpunt (nader) toegelicht.

Onderwerp van het geschil

De cliënte beklaagt zich over de wijze waarop de gynaecoloog van het ziekenhuis (verder te noemen: de arts) haar bij gelegenheid van een medische ingreep heeft bejegend.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt van de cliënte op het volgende neer.

Op 29 september 2017 heeft de arts een lisexcisie van de baarmoedermond bij de cliënte uitgevoerd. Vóór de ingreep was de cliënte gestrest, omdat zij gedurende elf maanden na de geboorte van haar dochter bloed uit haar vagina heeft verloren en er de laatste tijd een vreemde lucht uit haar vagina kwam. De arts zei daarop: “nou ik ben hier wel wat gewend dus ga maar gewoon liggen”. Ook werd er toen vermeld dat het om een lisexcisie zou gaan, maar de cliënte kreeg daar geen uitleg over, terwijl zij wel had gevraagd wat precies de bedoeling van de ingreep was. Toen de cliënte ging liggen heeft zij nogmaals aangegeven dat het haar slim leek om eerst even te kijken of er een reden was voor de vreemde geur. Dit had geen resultaat en de cliënte moest op de tafel gaan liggen. De vragen en zorgen die de cliënte had werden genegeerd. De cliënte heeft aan de arts meegedeeld dat verdovingen bij haar nauwelijks of laat werkten. De arts gaf echter aan dat het wel goed zou komen. Met veel tegenzin heeft de arts de verdoving drie minuten laten inwerken, terwijl de cliënte om zes minuten had gevraagd. Op de vraag van de cliënte wat te doen als de verdoving niet werkt, antwoordde de arts dat dat eigenlijk niet kon en dat zij dadelijk niets meer voelde. De arts heeft meerdere keren aan de assistente gevraagd hoe lang ze al aan het wachten waren, waardoor de cliënte het gevoel kreeg dat er niet echt tijd voor haar werd genomen. Toen de cliënte bij de ingreep voor het eerst werd aangeraakt, voelde zij direct dat de verdoving niet werkte en zij schreeuwde het uit van de pijn. Zij vroeg om meer verdoving. De arts deelde haar mee dat dat niet meer mogelijk was omdat hij al met de ingreep was begonnen en dat het lichaam van de cliënte niet méér verdoving aankon. De cliënte heeft tijdens de ingreep alles gevoeld. Regelmatig schoof zij door de immense pijn weg van de arts, die daarop duidelijk geïrriteerd reageerde door te zeggen dat hij zo niet kon opereren. Daarna heeft de arts nog alles dicht moeten branden, omdat de cliënte bleef bloeden. Ook dit heeft de cliënte moeten doorstaan zonder verdoving. Na de ingreep was de cliënte helemaal in shock. De cliënte heeft na de ingreep lang nachtmerries gehad en zij is getraumatiseerd. Achteraf is gebleken dat er mogelijk een oude tampon in de vagina van de cliënte aanwezig was, waardoor zij onnodig risico op ontstekingsgevaar heeft gelopen. Volgens de cliënte heeft de arts na haar klacht over de vreemde lucht niet goed onderzoek gedaan voordat hij overging tot behandeling. Na de behandeling gaf de arts aan dat de cliënte ’s middags weer gewoon kon gaan sporten en haar leven kon “hervatten”. De cliënte begreep dit niet omdat andere ziekenhuizen een rustperiode van twee tot vier weken adviseren. Toen de cliënte de arts na de behandeling belde, deelde hij mee dat het afgenomen weefsel getest was als CIN-III. Dit was eigenlijk de enige mededeling. De cliënte heeft verder geen uitleg gekregen. De cliënte is van mening dat enige betrokkenheid of inleving geheel heeft ontbroken. De cliënte is ook ontevreden over de reactie van de arts op haar bij het ziekenhuis ingediende klacht, zoals die reactie is vermeld in de e-mail van de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis van 22 november 2017 en de wijze waarop (de klachtenfunctionaris van) het ziekenhuis de klacht van de cliënte heeft afgehandeld.

De cliënte verlangt dat dat er naar de werkwijze van de arts eens goed wordt gekeken, omdat de arts zich van geen kwaad bewust is. Daarnaast verlangt de cliënte een immateriële schadevergoeding van € 5.000,–.

Standpunt van het ziekenhuis

Voor het standpunt van het ziekenhuis en de arts verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen het ziekenhuis tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt van het ziekenhuis op het volgende neer.

De behandeling van de cliënte heeft volgens de regelen der kunst plaatsgevonden, hoe naar het verloop door de opgetreden complicatie en de opgetreden pijnklachten voor de cliënte ook moet zijn geweest. De arts gaf tijdens de zitting aan dat hij het heel vervelend vindt hoe cliënte dit ervaren heeft.
Het ziekenhuis heeft gesproken met de doktersassistente die de arts bij de behandeling heeft geassisteerd. Zij gaf aan dat haar bijstaat dat het verloop van de behandeling en het tijdsbeslag daarvan niet afweken van wat normaal de gang van zaken is. Zij kon zich ook herinneren dat de behandeling voor de cliënte pijnlijk was. Volgens de doktersassistente doen dergelijke pijnklachten zich regelmatig tijdens een dergelijke behandeling voor en zij vond dit ook in dit geval niet uitzonderlijk. Op grond van het feit dat de lezing van de arts overeenstemt met de lezing van de doktersassistente, is het ziekenhuis van mening dat de behandeling medisch-inhoudelijk en qua bejegening overeenkomstig de professionele standaard heeft plaatsgevonden. De arts acht het mogelijk dat door de optredende complicatie, die hem tot kordaat optreden noopte, de communicatie van zijn kant wat kortaf was, althans door de cliënte, mede gezien haar nervositeit, zo werd ervaren. Dit – en communicatie met een gespannen patiënt wanneer zich een complicatie voordoet in zijn algemeenheid – is voor het ziekenhuis een leerpunt. Mede gezien het feit dat de behandeling overeenkomstig de professionele standaard heeft plaatsgevonden, mag dit voor de commissie geen aanleiding zijn om de klacht van de cliënte en de ernstige verwijten die daarin worden geuit, gegrond te verklaren. Er is evenmin aanleiding tot toekenning van een schadevergoeding. Het ziekenhuis verwijst verder naar het verweer van de arts.

Volgens de arts had een bevolkingsonderzoek uitgewezen dat er bij de cliënte sprake was van een PAP 3B-uitslag van de baarmoedermond, hetgeen betekent dat veelal ook een lisexcisie zal plaatsvinden. De cliënte was bij binnenkomst zeer nerveus. De arts heeft geprobeerd haar gerust te stellen door haar uit te leggen waar ze precies voor kwam, dat er nu eerst onderzoek (colposcopie) en daarna, afhankelijk van de bevindingen, eventueel een behandeling (lisexcisie) zou volgen. De cliënte was hiervan al voor een deel op de hoogte door de informatie die zij thuis ontvangen had. De arts heeft vervolgens nog uitgebreid uitleg gegeven over de verschillende klassen van het uitstrijkje, diagnostiek en eventuele behandeling. De arts heeft de cliënte uitgelegd dat een lisexcisie onder plaatselijke verdoving gebeurt, maar desondanks soms toch nog gevoelig kan zijn. Hij heeft met de cliënte besproken dat zij last had van een riekende fluor en haar uitgelegd dat dat zou kunnen komen door haar eerdere antibioticabehandeling in verband met een keelontsteking. Vaak is dat een schimmelinfectie die spontaan verdwijnt. De arts herkent zich maar ten dele in de door de cliënte geciteerde opmerking “nou ik ben hier wel wat gewend, ga maar gewoon liggen”. Waarschijnlijk heeft hij wel iets van die strekking gezegd, omdat hij het gevoel had dat zij het voor hem vervelend vond dat er riekende fluor zou kunnen zijn. Het lijkt erop dat goed bedoelde woorden helaas verkeerd zijn overgekomen. Wat betreft de tampon merkt de arts op dat hij onmogelijk een colposcopie en lisexcisie kan uitvoeren als zich nog een tampon in de vagina bevindt. Vervolgens heeft de arts bij de cliënte een colposcopie verricht en haar zoals gebruikelijk verdoofd met lidocaïne 1%, 10cc, dat is 100 mg (de maximale dosis is 150mg). Dit is normaliter voldoende verdoving, maar bekend is dat deze hoeveelheid in sommige gevallen niet voldoende is. Een inwerktijd van twee minuten is daarbij ruim voldoende, maar in dit geval heeft de arts op verzoek van de cliënte een inwerktijd van drie minuten aangehouden. Vanaf het begin van het onderzoek en eigenlijk al vóór het inbrengen van het speculum voor de colposcopie was de cliënte erg onrustig. De arts heeft geprobeerd haar gerust te stellen en te laten ontspannen, hetgeen weinig effect had.

Bij het uitvoeren van lisexcisie gaf de cliënte aan veel pijn te hebben. Als het begin van de lisexcisie eenmaal is gemaakt, is deze vaak snel voorbij en daarbij de pijn ook. Halverwege stoppen is moeilijk en bijverdoven is lastig als de ingreep eenmaal is begonnen. Ook is het bijverdoven vaak vervelender en pijnlijker dan de ingreep afmaken. De arts heeft dit tijdens de ingreep ook tegen de cliënte gezegd. De arts heeft de cliënte niet beloofd dat zij geen pijn zou hebben, omdat de ingreep soms nog best gevoelig kan zijn. Bij de cliënte was het helaas zo dat de ingreep pijnlijk was en dat daarbij een lastig te stoppen bloeding ontstond. Mede door de onrust van de patiënte was het moeilijk deze bloeding te stoppen. Dit heeft zeker niet bijgedragen aan de beleving van het geheel door de cliënte.
De cliënte kan mogelijk iets van irritatie bij de arts hebben gemerkt, maar dat had niet met haar of met haar gedrag te maken, maar met het feit dat de bloeding moeilijk te stoppen was en de arts dat voor de cliënte heel vervelend vond. Tenslotte heeft de arts gesteld dat hij onmogelijk een colposcopie kan uitvoeren als zich nog een tampon in de vagina bevindt.

Na de ingreep krijgen patiënten altijd mondelinge en schriftelijke instructies mee. De arts kan zich niet voorstellen dat hij gezegd zou hebben dat de cliënte ’s middags weer kon gaan sporten. De arts neemt aan dat hij, zoals gebruikelijk, het advies heeft gegeven om het even rustig aan te doen. Binnen enkele dagen kunnen alle normale activiteiten weer worden opgepakt. Een rustperiode van twee tot vier weken is na een lisexicie niet nodig. Bij het eerste bezoek van de cliënte heeft de arts uitgelegd, zoals ook in de schriftelijke informatie staat, dat een CIN-III of ernstige dysplasie geen baarmoederhalskanker is en ook geen voorstadium daarvan, maar daar wel dicht tegenaan zit. Als dit met een lisexicie wordt verwijderd, is geen aanvullende behandeling meer nodig en wordt na een halfjaar voor het eerst een controle-uitstrijkje gemaakt. De arts heeft de cliënte twee weken na de ingreep gebeld over de uitslag. In dat telefoongesprek heeft de arts zijn mededeling van dat eerste bezoek nog eens kort herhaald en bevestigd dat zijn na een halfjaar voor een controle zou worden opgeroepen.

Beoordeling

De commissie overweegt het volgende.

Het toetsingskader
De overeenkomst die de cliënte en (de arts van) het ziekenhuis met elkaar hebben gesloten, kwalificeert als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446, zoals opgenomen in boek 7, titel 7, afdeling 5,  van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de overige bepalingen van het BW, in het bijzonder de bepalingen van die afdeling. De cliënte is van mening dat de uitvoering van die overeenkomst door de arts – en in het bijzonder de wijze waarop zij door de arts is bejegend – onjuist is geweest. De cliënte houdt het ziekenhuis hiervoor aansprakelijk op grond van artikel 7:462 BW, welk artikel de (mede-)aansprakelijkheid van het ziekenhuis betreft voor tekortkomingen van de hulpverleners die in het ziekenhuis betrokken zijn geweest bij de behandeling van een patiënt.

Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de arts tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan de arts verweten kunnen worden en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de arts bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de arts in de te onderscheiden fasen van de medische behandeling – te weten de voorfase (informed consent), de hoofdfase (de operatie) en de nafase (de nabehandeling) – die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Het verwijt van de cliënte jegens de arts heeft wat de hoofdfase betreft geen betrekking op de
operatie op zichzelf. Deze is ¬– zo heeft de cliënte tijdens de mondelinge behandeling verklaard – prima uitgevoerd. De commissie heeft ook geen aanwijzingen dat dat anders is geweest. Wat betreft de voorfase en de hoofdfase ziet het verwijt hoofdzakelijk op de verdoving van de cliënte.
De commissie zal deze fasen hierna gezamenlijk bespreken omdat beide fasen wat de verdoving betreft in elkaar overlopen en het niet goed mogelijk is daarin een scheiding aan te brengen. Vervolgens zal de commissie de nafase bespreken.

De voorfase en de hoofdfase
Met betrekking tot de tampon overweegt de commissie dat zij op dit punt de visie van de arts deelt, inhoudende dat het (medisch) niet mogelijk is een lisexcisie te doen indien nog een tampon in de vagina aanwezig is. Om die reden moet aan het argument van de cliënte voorbij worden gegaan.

Onbetwist is dat de cliënte aan de arts heeft meegedeeld dat verdovingen bij haar nauwelijks of laat werken en dat de arts deze mededeling heeft afgedaan door te zeggen dat het wel goed zou komen.
Eveneens heeft de arts niet betwist dat de cliënte bij aanvang en ook tijdens de behandeling zeer veel pijn heeft gehad en dat zij dit aan de arts kenbaar heeft gemaakt. Volgens zijn eigen verklaring wist de arts dat een lisexcisie ondanks een plaatselijke verdoving soms toch nog gevoelig en/of pijnlijk kan zijn. In het onderhavige geval had de arts kunnen weten, althans behoren te begrijpen, dat de ingreep niet meer is aan te merken als gevoelig en had hij zich moeten realiseren dat de verdoving bij de cliënte nog niet of onvoldoende had gewerkt. De cliënte heeft vervolgens om méér verdoving gevraagd, maar deze niet gekregen. De arts kan zich naar het oordeel van de commissie niet disculperen door te stellen dat halverwege stoppen moeilijk is en bijverdoven lastig als de ingreep is begonnen. Het moge zo zijn dat stoppen moeilijk en bijverdoven lastig was, maar gesteld noch gebleken is dat stoppen en bijverdoven in dit geval onmogelijk was. Het is de arts bekend dat de gebruikelijk toegediende verdoving van 100 mg in sommige gevallen niet voldoende is. De cliënte had de maximale dosis verdoving van 150 mg nog niet gekregen, zodat voor de commissie niet goed valt in te zien waarom de verdoving in een vroegtijdig stadium van de operatie direct na de eerste aanraking niet verhoogd had kunnen worden. De commissie is van oordeel dat de arts in de pijnbegeleiding van de cliënte volstrekt inadequaat heeft gehandeld. Daarenboven heeft de arts  met betrekking tot de verdoving onvoldoende blijk gegeven van empathie jegens de cliënte. Dit betekent dat de arts niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. In zoverre acht de commissie dit klachtonderdeel gegrond.

De nafase
De cliënte heeft gesteld dat de arts na de ingreep tegen haar heeft gezegd dat zij ’s middags weer gewoon kon gaan sporten. De arts heeft gesteld dat hij zich niet kan voorstellen dit tegen de cliënte gezegd te hebben. Hij neemt aan dat hij, zoals gebruikelijk, de cliënte het advies heeft gegeven om het even rustig aan te doen. De commissie stelt vast dat de standpunten van partijen op dit punt diametraal tegenover elkaar staan. Ook de verklaring van de doktersassistente biedt op dit punt onvoldoende uitsluitsel. Dit onderdeel van de klacht kan echter toch niet leiden tot gegrondheid.
Niet omdat de lezing van de cliënte minder geloof verdient dan die van de arts, maar omdat de commissie voor de juistheid daarvan onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden in het dossier. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Vast staat dat partijen twee weken na de operatie met elkaar hebben gebeld over de uitslag van de lisexcisie. De cliënte heeft gesteld dat de arts haar in dat telefoongesprek heeft meegedeeld dat het afgenomen weefsel getest was als CIN-III en haar verder geen uitleg heeft gegeven. De arts heeft gesteld dat hij de cliënte in dat gesprek heeft uitgelegd wat de uitslag CIN-III inhoudt, dat er geen aanvullende behandeling meer nodig is als de aandoening met een lisexcisie wordt verwijderd en dat er na een halfjaar een eerste controle-uitstrijkje wordt gemaakt. Partijen staan lijnrecht tegenover elkaar wat betreft de door de arts gedane mededelingen.
De arts had in dit geval zijn stelling kunnen aantonen met zijn aantekeningen van dit gesprek in het patiëntendossier zo hij die aantekeningen heeft gemaakt. Immers de op de arts rustende dossierplicht dient niet alleen ertoe een goede hulpverlening aan de patiënt mogelijk te maken, maar is ook van belang met het oog op de overdracht van de behandeling aan andere hulpverleners, voor toekomstige behandelingen, voor de beoordeling van de behandeling bij aansprakelijkheidstellingen en in procedures als de onderhavige. De arts heeft overlegging van zijn aantekeningen uit het patiëntendossier achterwege gelaten. Desalniettemin acht de commissie de lezing van de arts de meest aannemelijke, omdat het redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht dat de arts alleen heeft meegedeeld dat het afgenomen weefsel getest was als CIN-III en de cliënte verder geen uitleg heeft gegeven en verder niet heeft meegedeeld dat de ingreep voldoende was om de afwijking te verwijderen, dat nacontrole moet volgen en dat er een vervolgafspraak gemaakt moet worden.
In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

De reactie van de arts op de door de cliënte in eerste instantie bij het ziekenhuis ingediende klacht, zoals die reactie is verwoord in de e-mail van de klachtenfunctionaris van 22 november 2017 aan de cliënte geeft geen blijk van de vereiste empathie aan de kant van de arts. Tot een gesprek tussen de cliënte en de arts, welke mogelijkheid in die e-mail werd aangeboden, is het niet gekomen. Uit de stukken heeft de commissie niet de indruk gekregen dat het ziekenhuis voldoende in het werk heeft gesteld om een dergelijk gesprek te arrangeren. Dat had wel van het ziekenhuis verwacht mogen worden gezien het feit dat het ziekenhuis tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard er altijd naar te streven een (juridische) escalatie te voorkomen en van mening te zijn dat de onderhavige procedure met een gesprek wellicht niet nodig was geweest. Met betrekking tot dit onderdeel is de commissie van oordeel dat de arts en het ziekenhuis jegens de cliënte niet de zorgvuldigheid hebben betracht die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. In zoverre is dit klachtonderdeel gegrond.

Conclusie
Met betrekking tot de klachtonderdelen die de commissie gegrond acht, heeft het ziekenhuis niet de zorgvuldigheid betrachten die van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Hierdoor is (de arts van) het ziekenhuis toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de voor hem uit de geneeskundige behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, welke tekortkoming in beginsel tot schadevergoeding kan leiden.

De verlangde schadevergoeding
De cliënte verlangt een immateriële schadevergoeding van € 5.000,–. Daartoe heeft zij gesteld dat zij na de operatie heel lang nachtmerries heeft gehad en getraumatiseerd is.

De commissie stelt het volgende voorop. Voor toekenning van immateriële schadevergoeding kan buiten de – zich hier niet voordoende – gevallen van lichamelijk letsel en aantasting van de eer en goede naam plaats zijn indien de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106, lid 1 aanhef en onder b. BW). De lat voor toekenning van immateriële schadevergoeding ligt hoog en daarmee moet terughoudendheid worden betracht, zowel ten aanzien van de vraag of er sprake is van een aantasting in de persoon als de omvang van het toe te wijzen bedrag.

Om voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking te komen, zal sprake moeten zijn van een ernstige aantasting in de persoon. Geestelijk letsel kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting in de persoon, die recht geeft op vergoeding van immateriële schade, maar daarvoor is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Er moet sprake zijn van ernstig geestelijk letsel, waarmee wordt bedoeld een in de psychiatrie erkende ziekte, die objectief is of kan worden vastgesteld.
Degene die vergoeding van immateriële schade vordert, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval ernstig geestelijk letsel is ontstaan. Daarvoor is nodig dat naar objectieve maatstaven het bestaan van dergelijk letsel is vastgesteld. De cliënte heeft haar desbetreffende stelling niet nader onderbouwd en ook niet met stukken gedocumenteerd, zodat niet kan worden vastgesteld dat de cliënte geestelijk letsel aan de medische behandeling heeft overgehouden. Dit betekent dat de commissie de gevorderde schadevergoeding zal afwijzen.

Het klachtengeld
Het reglement van de commissie bepaalt dat indien de klacht van de cliënt door de commissie geheel of gedeeltelijk gegrond wordt bevonden, in het bindend advies tevens wordt bepaald, dat het ziekenhuis aan de cliënt het door deze betaalde klachtengeld geheel of gedeeltelijk moet vergoeden. Nu de commissie in dit geval een onderdeel van de klacht gegrond heeft bevonden, zal zij uitvoering geven aan deze bepaling.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de in de beslissing specifiek aangeduide onderdelen van de klacht van de cliënte gegrond;

– verklaart de in de beslissing specifiek aangeduide onderdelen van de klacht van de cliënte
  ongegrond;

– wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding af;

– bepaalt dat het ziekenhuis een bedrag van € 52,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van
  het door haar betaalde klachtengeld.

Aldus beslist op 28 september 2018 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.