De klachten over de lange wachttijd, het ontbreken van een behandelplan, het beëindigen van de behandeling, het ongewild doorverwijzen voor een second opinion en het opvragen van het medisch dossier zijn niet gegrond

  • Home >>
  • Geestelijke Gezondheidszorg >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 121552

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Klaagster], wonende te [plaats], en Stichting Arkin, gevestigd te Amsterdam, (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Partijen hebben te kennen gegeven geen mondelinge behandeling te willen en prijs te stellen op een schriftelijke afhandeling van de klacht. Het geschil is ter zitting behandeld op 17 december 2018 te Eindhoven.

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil betreft de behandeling voor psychische klachten van klaagster door een onderdeel van de Stichting Arkin, het Sinaï Centrum.

Bij het vragenformulier, ontvangen op 27 september 2018,  heeft klaagster het geschil aanhangig gemaakt tegen de zorgaanbieder. Klaagster vordert een schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,–.

Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door klaagster overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Puntsgewijs zijn de klachten:
1. Klaagster staat sinds april 2017 op een wachtlijst bij het Sinaï Centrum, hetgeen langer dan een half jaar is.
Volgens klaagster is er sprake van psychische schade door het te lang op de wachtlijst staan bij het Sinaï Centrum. Klaagster heeft verklaard eerst in februari 2018 een uitnodiging voor behandeling te hebben ontvangen. Door de situatie van klaagster en de wachtlijst heeft zij veel stress ervaren, waardoor ze een psychose heeft gekregen. De schade, die klaagster stelt te hebben geleden, bedraagt € 25.000,–;
2. Klaagster stelt geen behandelplan te hebben ontvangen betreffende een periode van ambulante behandeling van november 2017 tot en met april 2018;
3. Klaagster stelt door haar Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige (SPV) tegen haar wil te zijn doorverwezen (via haar huisarts) naar het UMC Utrecht voor een second opinion, van welk onderzoek, eveneens tegen haar wil, de conclusies aan de SVP’er moesten worden medegedeeld, omdat er zonder second opinion en bekendmaking van de uitkomsten geen traumabehandeling zou worden gestart;
4. Op 21 augustus 2018 is aan klaagster door het Sinaï Centrum medegedeeld dat zij voor klaagster geen traumabehandeling zal starten. Het contact met het Sinaï Centrum is kort daarna beëindigd, waardoor klaagster op een wachtlijst bij een andere instelling is komen te staan;
5. Klaagster heeft verzocht haar een formulier toe te sturen waarmee ze haar gehele dossier kan opvragen, maar stelt dit formulier nooit te hebben ontvangen. Klaagster wenst alsnog een kopie van haar gehele dossier te ontvangen. Uit een nagekomen stuk van klaagster blijkt dat zij van mening is dat, nu zij het dossier heeft opgevraagd bij de locatie Amstelveen, zij het dossier ook in Amstelveen moet kunnen ophalen. Klaagster heeft opgemerkt dat zij geen toestemming heeft gegeven om haar dossier te versturen naar of op te halen van een andere locatie van het Sinaï Centrum. Voorts heeft klaagster opgemerkt dat zij heeft verzocht per email te worden benaderd voor het ophalen van het dossier en dat zij in plaats daarvan per post is uitgenodigd.

Klaagster heeft eerst een klacht ingediend bij de Stichting Arkin voordat zij een klacht heeft ingediend bij de geschillencommissie Zorg.

Standpunt van de zorgaanbieder

Het standpunt van de zorgaanbieder zoals dat uit het de door de commissie ontvangen stukken, in het bijzonder uit de reactie d.d. 20 november 2018 op de bij de Geschillencommissie Zorg ingediende klacht, blijkt, luidt – zakelijk puntsgewijs weergegeven – als volgt.

1. Klaagster heeft van april tot en met november 2017 op een wachtlijst gestaan voor behandeling bij het Sinaï Centrum in Amstelveen. In december 2017 heeft de locatie Amersfoort de aanmelding van klaagster overgenomen in verband met de lange wachttijden in Amstelveen. In december 2017 is steunende en structurele behandeling opgepakt door voornamelijk [naam SPV-er].

2. Ten aanzien van het behandelplan heeft de zorgaanbieder verklaard dat er op 11 april 2017 een behandelplan is opgesteld na de intake in het Sinaï Centrum op de locatie Amstelveen. Volgens de zorgaanbieder is de diagnose en het behandeladvies op 11 april 2017 met klaagster doorgenomen en was klaagster akkoord. Het is de zorgaanbieder onbekend of het behandelplan aan klaagster is uitgereikt. Er is geen nieuw behandelplan opgesteld toen de behandeling door de locatie Amersfoort in december 2017 is gestart en voor zover de zorgaanbieder bekend, heeft klaagster hierom ook niet verzocht.

3, 4. Complicerende factor in de behandeling was volgens de zorgaanbieder dat klaagster in de loop van 2017 naast de reeds bestaande psychische klachten, psychotische klachten heeft ontwikkeld.
De huisarts heeft hierover contact gezocht met de zorgaanbieder en in overleg met de huisarts is klaagster in februari 2018 voor nader onderzoek naar de psychotische klachten verwezen naar het Psychoseteam in het UMC Utrecht. In de periode van december 2017 tot en met augustus 2018 hebben er meer dan 20 behandelmomenten met [naam SPV-er] plaatsgevonden. [Naam SPV-er] heeft diverse keren met klaagster besproken dat traumabehandeling eerst kan starten als er sprake is van stabilisatie van de psychotische klachten. De verwijzing naar het Psychoseteam in het UMC Utrecht was bedoeld om te onderzoeken of klaagster voor traumabehandeling geschikt was. Klaagster was aanvankelijk niet bereid zich in Utrecht te laten onderzoeken, want wil een behandeling van haar trauma en niet van psychotische klachten, maar is, na uitleg door de zorgaanbieder over de aard van het onderzoek, vrijwillig naar Utrecht gegaan. Klaagster heeft in februari 2018 overwogen haar behandeling bij het Sinaï Centrum te beëindigen, maar is hiertoe uiteindelijk niet overgegaan. [Naam SPV-er] heeft op 29 mei 2018 aan klaagster verzocht of ze de conclusies van het onderzoek in het UMC Utrecht mocht overschrijven, omdat klaagster geen toestemming heeft gegeven voor het inzien van het gehele onderzoeksverslag en het kopiëren van de conclusies. Met instemming van klaagster heeft [naam SPV-er] op 29 mei 2018 in aanwezigheid van klaagster de conclusies overgeschreven. Klaagster heeft op 29 mei 2018 uitdrukkelijk aan [naam SPV-er] te kennen gegeven dat zij traumabehandeling van het Sinaï Centrum wenst te ontvangen. [Naam SPV-er]heeft de conclusies van het onderzoek in Utrecht met het behandelteam besproken en het behandelteam heeft de zorg geuit dat door het starten van traumabehandeling de aanwezige psychotische klachten zouden verergeren in verband met stressontregeling veroorzaakt door de traumabehandeling. Het behandelteam heeft geconcludeerd dat een paralleltraject voor de behandeling van de psychoses nodig was. De conclusie is aan klaagster voorgelegd en aan klaagster is uitgelegd dat als behandeling voor de psychoses in de regio geregeld is, het Sinaï Centrum kan starten met de traumabehandeling. Volgens de zorgaanbieder is het beleid en voorwaarde voor traumabehandeling: via huisarts eerst contact FACT-team in eigen omgeving voor begeleiding en medicatie, zodat een mogelijke crisis opgevangen kan worden. Als dat geregeld is kan module EMDR/traumabehandeling aanvangen.

Naar aanleiding van de klacht die in de interne klachtenprocedure bij de stichting Arkin is ingediend, heeft er op 21 augustus 2018 door de zorgaanbieder nogmaals een gesprek met klaagster plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is nogmaals door de zorgaanbieder uitgelegd dat een traumabehandeling binnen het Sinaï Centrum niet mogelijk is als klaagster nog psychotische klachten heeft, omdat de concentratie dan te gering kan zijn of dat de psychotische klachten interveniëren met de behandeling. Klaagster heeft duidelijk gemaakt dat zij haar psychotische klachten als onderdeel van haar traumatische klachten ziet. Klaagster wil geen psychiatrische behandeling voor haar psychotische klachten ontvangen. Voorstellen voor parallelle behandeling van de psychotische klachten door het UMC Utrecht of door een GGZ-instelling in de omgeving van klaagster, heeft klaagster afgewezen.  De behandeling (door [naam SPV-er]) is op 28 augustus 2018 geëindigd.

5. Ten aanzien van het opvragen van een kopie van het dossier door klaagster heeft de zorgaanbieder verklaard dat klaagster een toestemmingsformulier heeft toegestuurd via de locatie Amstelveen. Klaagster is vervolgens schriftelijk uitgenodigd door psychiater [naam] om haar dossier op 22 oktober 2018 te komen ophalen op de locatie Amersfoort, maar klaagster is niet verschenen en heeft zich ook telefonisch niet afgemeld. Vervolgens is klaagster uitgenodigd voor een afspraak een week later, maar daarop is ze ook, zonder bericht van afwezigheid, niet verschenen. Een kopie van het dossier is nog aanwezig op de locatie Amersfoort.

De zorgaanbieder heeft verklaard dat er diverse gesprekken met klaagster zijn gevoerd, ook in aanwezigheid van de klachtenfunctionaris, maar dat uitleg door de zorgaanbieder de klachten van klaagster helaas niet heeft kunnen wegnemen.
Ook is klaagster nog uitgenodigd voor een gesprek nadat de zorgaanbieder de klacht die door klaagster heeft ingediend bij de commissie heeft ontvangen, maar heeft klaagster geen gehoor gegeven aan die uitnodiging.

De zorgaanbieder heeft verklaard van mening te zijn zorgvuldig met klaagster te zijn omgegaan en haar voldoende te hebben voorgelicht. De zorgaanbieder verzoekt de klacht ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Alvorens over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de klachtonderdelen, overweegt de commissie dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorginstelling kunnen worden verweten en de cliënte moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht. De zorgaanbieder moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De klacht zal volgens de nummering zoals deze onder het standpunt van klaagster heeft plaatsgevonden, worden behandeld.

1. De commissie concludeert dat klaagster langer dan een half jaar op een wachtlijst heeft gestaan voor behandeling door het Sinaï Centrum, maar concludeert ook dat het Sinaï Centrum heeft gezocht naar een oplossing om de wachttijd niet verder te laten oplopen, welke oplossing is gevonden in het overnemen van de behandeling door de locatie Amersfoort van de locatie Amstelveen.  De commissie is van oordeel dat het Sinaï Centrum daarmee zorgvuldig en als een goed hulpverlener heeft gehandeld. Ten aanzien van de duur van de wachttijd merkt de commissie op dat deze ook naar haar oordeel langer dan een half jaar heeft geduurd, echter tot december 2017 in plaats van tot februari 2018. De behandeling is immers in december 2017 gestart in Amersfoort door mevrouw Deen.       
Ten aanzien van het door klaagster gestelde verband tussen het ontstaan van de psychose en de wachttijd van meer dan een half jaar, is de commissie van oordeel dat dit verband uit de overgelegde stukken niet aannemelijk is geworden. Dit onderdeel van de klacht is dan ook ongegrond. Over de vordering tot schadevergoeding zal de commissie hierna oordelen;
2. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder aannemelijk heeft gemaakt dat er in april 2017 een behandelplan is opgesteld, hetgeen vanaf december 2017, zij het wellicht met aanpassingen door voortschrijdend inzicht, zoveel mogelijk is uitgevoerd. Dat de zorgaanbieder in december 2017 niet opnieuw een behandelplan heeft vastgesteld, is naar het oordeel van de commissie begrijpelijk, nu in december 2017 eerst kon worden gestart met de uitvoering van het behandelplan. De commissie is van oordeel dat dit onderdeel van de klacht ongegrond is;
3. De commissie acht niet aannemelijk geworden dat klaagster tegen haar wil is doorverwezen naar het UMC Utrecht voor een second opinion. Klaagster had het contact met het Sinaï Centrum immers kunnen beëindigen, hetgeen zij ook heeft overwogen, zodat de second opinion (op dat moment) ‘van de baan’ zou zijn geweest.
Dat het uitblijven van een second opinion of het niet meedelen van de resultaten van een second opinion aan de zorgaanbieder, er toe zou(den) hebben geleid dat de zorgaanbieder niet zou zijn gestart met traumabehandeling acht de commissie wel aannemelijk, maar ook aanvaardbaar, nu de zorgaanbieder daarmee naar het oordeel van de commissie zorgvuldig zou hebben gehandeld. Immers bestaat er een reële kans dat door de stressontregeling als gevolg van de traumabehandeling de psychotische klachten verergeren. De zorgaanbieder acht dit risico onaanvaardbaar in verband met mogelijke schade voor de (psychische) gezondheid van klaagster. De zorgaanbieder handelt daardoor naar het oordeel van de commissie als goed hulpverlener met in achtneming van de op hem rustende verantwoordelijkheid;
4. In het verlengde van punt 3 is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder, zonder dat er was voldaan aan de voorwaarden dat er sprake was van een parallel therapietraject voor behandeling van de psychotische klachten en er een vangnet in de eigen omgeving voor begeleiding en medicatie in het geval van crisissituaties aanwezig was, terecht heeft geoordeeld dat het starten van traumatherapie onverantwoordelijk was. Het feit dat de behandeling van klaagster door het Sinaï Centrum is geëindigd, is een logisch gevolg van de beslissing die de zorgaanbieder in het belang van het voorkomen van meer schade aan de (psychische) gezondheid van klaagster heeft genomen. Onderdelen 3 en 4 van de klacht zijn dan ook ongegrond;
5. De commissie acht nu klaagster is behandeld door de locatie Amersfoort niet onbegrijpelijk dat zij aldaar een kopie van haar dossier kan afhalen. Dat het formulier in Amstelveen is ingediend, maakt dat niet anders. Ten aanzien van de opmerking van klaagster dat zij geen toestemming heeft gegeven om haar dossier te versturen, merkt de commissie op dat, indien klaagster het dossier wil inzien en afhalen op de locatie Amstelveen het dossier zal moeten worden verstuurd, terwijl dat bij afgifte door de zorgaanbieder op de locatie Amersfoort niet het geval is. De commissie kan klaagster in dit klachtonderdeel dan ook niet volgen. Dat klaagster per post in plaats van per email is uitgenodigd voor het afhalen van haar dossier, maakt naar het oordeel van de commissie niet dat er sprake is van een tekortschieten door de zorgaanbieder. Uit de aanvullend door klaagster ingediende stukken blijkt dat klaagster de brief in goede orde heeft ontvangen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zorgvuldig met het verzoek van klaagster betreffende de ter beschikking stelling van haar dossier is omgegaan en tijdig en volledig aan dit verzoek is tegemoet gekomen, hetgeen dit onderdeel van de klacht ongegrond maakt. 

De commissie oordeelt op grond van vorenstaande dat de zorgaanbieder niet is tekort geschoten in de nakoming dan wel uitvoering van de behandelovereenkomst en, voor zover dit niet onder de nakoming dan wel uitvoering van de behandelovereenkomst valt, evenmin in de verstrekking van een kopie van het dossier aan klaagster.

Vordering tot schadevergoeding

Klaagster verzoekt de commissie de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van de schade ad € 25.000,–.

Voor aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu uit het voorgaande blijkt dat daarvan geen sprake is, zal de verlangde schadevergoeding worden afgewezen.
Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is, de vordering moet worden afgewezen en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van klaagster niet gegrond en wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit
de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer L.H.M. van de Paal en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, op 17 december 2018 waarbij de heer mr. S. van Arkel als plaatsvervangend secretaris fungeerde.