De zorgaanbieder heeft gehandeld binnen de dwingende kaders die voor het Jeugdbescherming en dus ook voor de zorgaanbieder door de rechter zijn vastgesteld

  • Home >>
  • Zorg Algemeen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 114129

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats], en Familysupporters Nederland B.V., gevestigd te Amstelveen.

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. Het geschil is ter zitting behandeld op 6 april 2018 te Amsterdam. Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. Cliënte was ter zitting vergezeld van [naam], vertrouwenspersoon. De ondernemer werd vertegenwoordigd door [naam], systeemtherapeut. Tevens was [naam], klachtenfunctionaris, aanwezig als toehoorder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de zorgverlening.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie allereerst naar de door cliënte ingebrachte stukken.

Cliënte is van haar echtgenoot gescheiden en er zijn conflicten ontstaan over de omgang met hun zoon. De zorgaanbieder is door Jeugdbescherming Regio Amsterdam (verder te noemen: JBRA) aangesteld om de relatie tussen de ouders en hun zoon te observeren en door middel van begeleiding de communicatie tussen de ouders in het belang van hun zoon te verbeteren.

De klachten zijn kort samengevat:
1. Cliënte is van mening dat de zorgaanbieder zich niet onafhankelijk opstelt maar aan de leiband van jeugdzorg loopt.
Er zijn problemen gerezen met betrekking tot het overnachten van haar zoon bij zijn vader. Cliënte was van mening dat hij daar nog niet aan toe was en dat dit ook niet in zijn belang was. Zij werd echter door de zorgaanbieder gedwongen haar medewerking aan de overnachting te verlenen.
2. De observatie van de ouders door de zorgaanbieder is gestopt in april 2016. Daarna is de zorgaanbieder de communicatiegesprekken tussen de ouders gaan begeleiden. Daar is het één en ander misgegaan, omdat gesprekken door de zorgaanbieder werden verdraaid, waardoor de communicatie sinds september 2016 is gestopt. De zorgaanbieder begeleidt echter nog steeds de vader van haar zoon en heeft ook contacten met de school waarop haar zoon zit. Dat is niet volgens de afspraak.
3. De Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: RvdK) heeft naar aanleiding van een verslag van de zorgaanbieder een rapport opgesteld waarin is geconcludeerd dat haar zoon zich bij cliënte thuis in een onveilige situatie bevindt vanwege impulsief handelen van de zijde van cliënte. Haar zoon woont op dit moment bij zijn vader. Dit rapport heeft ook consequenties voor haar tweede kind dat nu nog bij haar thuis woont.

Cliënte vordert van de zorgaanbieder rechtzetting van het verslag op basis waarvan haar zoon uit huis is geplaatst. Zij wenst dat hij weer thuis komt wonen. Voorts eist cliënte vanwege het handelen van de zorgaanbieder een schadevergoeding. Ter zitting heeft cliënte aangegeven dat zij een bedrag van
€ 1.500,– vordert. In dit bedrag zijn inbegrepen de kosten die zij voor haar advocaat moet maken.

Standpunt van de zorgaanbieder

De zorgaanbieder heeft voor wat betreft haar verweer verwezen naar de conclusies van de klachtencommissie.

De zorgaanbieder heeft hard gewerkt om de communicatie tussen beide ouders vlot te trekken en om met beide ouders te werken aan en ruimte te maken voor een genormaliseerde omgangssituatie van hun zoon. De zorgaanbieder betreurt het dat het niet is gelukt om aan deze complexe conflictsituatie een positieve wending te geven.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder aangegeven dat cliënte een goede opvoeder is voor haar kinderen. Er bestaat geen enkele twijfel over de veiligheid van het kind bij zijn moeder. Het ging in dit geval om de emotionele toestemming die cliënte niet aan haar ex-man wilde geven met betrekking tot de omgang met hun zoon. De zorgaanbieder heeft voor wat betreft het logeren van het kind bij de vader uitvoering moeten geven aan de uitspraak van de kinderrechter.
De systeemgesprekken met beide ouders zijn gestopt in verband met de opstelling van cliënte. Cliënte wilde geen hulpverlener meer en gaf ook geen toestemming voor hulpverlening aan haar zoon. Tussentijds heeft de vader gevraagd om hem te begeleiden in de omgang met zijn zoon. Dit gebeurt nu. De zorgaanbieder heeft wegens het ontbreken van toestemming van de cliënte geen contact met de zoon. De zorgaanbieder is door het JBRA ingeschakeld. Zij is in deze niet onafhankelijk.

Beoordeling van het geschil

De commissie overweegt als volgt.

Cliënte houdt de zorgaanbieder aansprakelijk voor de door haar geleden schade als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder met betrekking tot de observatie, communicatie en begeleiding van cliënte en de vader van haar zoon ten behoeve van de omgang met hun zoon.
De commissie heeft vastgesteld dat vanaf 2014 de rechtbank op advies van de RvdK een onder toezichtstelling heeft bevolen met betrekking tot de zoon van cliënte, die jaarlijks is verlengd. Het JBRA is belast met het toezicht. In dit kader heeft het JBRA opdracht gegeven aan de zorgaanbieder om de ouders te begeleiden bij de verbetering van de onderlinge communicatie in het belang van hun zoon. De zorgaanbieder is dan ook een uitvoerende organisatie, die binnen het kader van deze ondertoezichtstelling in opdracht van het JBRA haar hulpverleningstaak uitvoert.
De rechtbank heeft in april 2016 bevolen dat de omgang van de zoon met de vader diende te worden uitgebreid en dat het kind in de weekenden bij zijn vader moest overnachten. De zorgaanbieder heeft uitvoering moeten geven aan deze rechterlijke beslissing.

De zorgaanbieder heeft in september 2016 de hulpverlening aan cliënte stopgezet vanwege klachten die zij tegen haar hulpverleners had ingediend/zou indienen. De verstandhouding tussen de hulpverleners en cliënte stond onder druk vanwege het ontbreken van een vertrouwensrelatie. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder, gezien deze omstandigheden, in redelijkheid de hulpverlening aan de cliënte heeft mogen stopzetten. Dat de zorgaanbieder thans nog wel hulp verleent aan de vader van de zoon, maakt dit niet anders. De zorgaanbieder heeft voor de begeleiding van de vader geen toestemming van cliënte nodig. Bovendien is ter zitting komen vast te staan dat de zoon van cliënte geen begeleiding krijgt vanwege het ontbreken van haar toestemming.

Ter zitting heeft cliënte aangegeven dat, vanwege onjuiste informatie van de zijde van de zorgaanbieder, de RvdK in haar rapport heeft aangegeven dat haar zoon bij haar in een onveilige situatie zou verkeren. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet aan de RvdK heeft gemeld dat cliënte geen goede opvoeder zou zijn. De enige zorg die er was, lag in het feit dat cliënte niet wilde meewerken aan de omgang van de zoon met zijn vader door haar impliciete (emotionele) weigering om toestemming te verlenen aan de uitbreiding van de omgang. Dat de RvK aan deze zorg haar eigen conclusies heeft verbonden in haar rapport, kan de zorgaanbieder niet worden aangerekend. Het rapport is immers door en onder verantwoordelijkheid van de RvdK opgesteld en over de uiteindelijke inhoud ervan heeft de zorgaanbieder geen zeggenschap gehad.

De commissie is van oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dat de zorgaanbieder heeft gehandeld binnen de dwingende kaders die voor het JBRA en dus ook voor de zorgaanbieder door de rechter zijn vastgesteld.
De commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de individuele hulpverleners niet hebben gehandeld zoals van professionele hulpverleners in dezelfde situatie zou mogen worden verwacht.
Zij zal de klachten van cliënte dan ook ongegrond verklaren en haar vordering afwijzen.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van cliënte ongegrond en wijst haar vordering af.

Aldus beslist op 6 april 2018 door de Geschillencommissie Zorg Algemeen.