De zorgaanbieder heeft het medisch dossier wel vernietigd. De cliënt had geen bezwaar tegen het delen van informatie met de huisarts. Er was geen verplichting om de huisarts of anderen te informeren over de vernietiging van het medisch dossier. De zorgaanbieder heeft de bij haar ingediende klacht niet tijdig afgehandeld, omdat zij in het belang van de cliënte ook gelijk de nieuwe klachten heeft meegenomen

  • Home >>
  • Geestelijke Gezondheidszorg >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 116239

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [plaats] en GGZ Drenthe, gevestigd te Assen (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 13 juni 2018 te Enschede. De cliënte is verschenen, bijgestaan door [naam], vertrouwenspersoon van de cliënte. Namens de zorgaanbieder zijn [naam], circuitmanager bij de zorgaanbieder en [naam], advocaat in dienstbetrekking bij de zorgaanbieder, verschenen.

Standpunt van partijen

De cliënte is in behandeling geweest bij GGZ Drenthe. Haar klacht bestaat uit een achttal klachtonderdelen. De cliënte verzoekt de commissie een toereikende en redelijke schadevergoeding toe te kennen.

De zorgaanbieder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en concludeert tot ongegrond verklaring van de klachtonderdelen I, II, III, V, VII en VIII en primair tot niet-ontvankelijk verklaring en subsidiair ongegrond verklaring van klachtonderdelen IV en VI.

Op de standpunten van partijen wordt hieronder -voor zover van belang- nader ingegaan.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Klachtonderdeel I en II: de zorgaanbieder heeft niet voldaan aan het verzoek tot vernietiging van het medisch dossier en de zorgaanbieder heeft (foutieve) persoonsgegevens afkomstig uit het oude medisch dossier toegevoegd aan een nieuw medisch dossier
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat niet is voldaan aan het verzoek tot vernietiging van het medisch dossier. Dit blijkt volgens haar uit het nieuw medisch dossier, meer specifiek uit de brief d.d. 6 september 2017 van [naam verpleegkundig specialist i.o.] aan de voormalig huisarts van de cliënte, waarin staat dat de cliënte in behandeling is geweest bij het TRTC van de zorgaanbieder. Tevens blijkt dit uit een brief d.d. 18 januari 2018 van [naam circuitmanager] aan haar, waarbij [naam circuitmanager] een mogelijke verklaring geeft voor het feit dat er oude gegevens van de cliënte in het EPD terecht zijn gekomen.

De zorgaanbieder heeft verklaard dat op 8 mei 2014 het verzoek van de cliënte tot vernietiging van haar medisch dossier is gehonoreerd. Alle medische gegevens tot 24 juni 2014 zijn conform het verzoek van de cliënte vernietigd, hetgeen op 4 juli 2014 aan de advocaat van de cliënte is bevestigd. Enkel de briefwisseling over het verzoek tot vernietiging van het medisch dossier is bewaard. In de nacht van 5 september 2017 op 6 september 2017 is de cliënte voor een crisisbeoordeling naar de spoedpoli van de zorgaanbieder gebracht. In die nacht was [naam] als verpleegkundig specialist (i.o.) aanwezig op de spoedpoli. [Naam verpleegkundig specialist i.o.] herkende de cliënte uit een eerder behandeltraject en vroeg aan de cliënte of zij nog bekend was met de zorgaanbieder. Hierop heeft de cliënte zelf verteld dat zij in het verleden in behandeling is geweest bij het TRTC van de zorgaanbieder. Deze informatie is dus niet afkomstig uit het oude medisch dossier van de cliënte. Hoe de gegevens van de voormalig huisarts in het systeem zijn terecht gekomen, is niet meer te achterhalen. Daarvoor zijn meer redenen denkbaar, aldus de zorgaanbieder.

De commissie stelt vast dat uit de door de zorgaanbieder overgelegde brief van [naam verpleegkundig specialist i.o.] aan de huisarts d.d. 6 september 2017 en de rapportage d.d. 6 september 2017 kan worden afgeleid dat het dossier van de cliënte in 2014 is vernietigd en dat [naam verpleegkundig specialist i.o.] de cliënte herkende uit een eerder behandeltraject. Eveneens staat vast dat [naam verpleegkundig specialist i.o.] in voormelde brief van 6 september 2017 heeft gemeld dat de cliënte in behandeling is geweest bij het TRTC van de zorgaanbieder. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de zorgaanbieder en het ontbreken van een nadere onderbouwing aan de zijde van de cliënte kan de commissie thans niet vaststellen dat deze informatie afkomstig is uit het oude medisch dossier van de cliënte. Dit geldt eveneens voor de gegevens van de voormalig huisarts van de cliënte. Weliswaar is er op dit punt tijdens de interne klachtenprocedure onduidelijkheid ontstaan, doordat [naam circuitmanager] in de brief van 18 januari 2018 van een verkeerde veronderstelling uitging, maar de commissie heeft thans geen aanleiding te twijfelen aan de gang van zaken, zoals  door de zorgaanbieder is beschreven. De commissie zal klachtonderdelen I en II dan ook ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel III: de zorgaanbieder heeft zonder instemming van de cliënte (foutieve) informatie verstrekt aan derden
Zoals hiervoor is vermeld, heeft [naam verpleegkundig specialist i.o.] op 6 september 2017 een brief gestuurd naar de voormalig huisarts van de cliënte. De cliënte stelt dat zij hiervoor geen toestemming had gegeven.

Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder met verwijzing naar de KNMG-Richtlijn september 2016 “Omgaan met medische gegevens” voldoende aannemelijk gemaakt dat in veel gevallen de toestemming om informatie te delen met de huisarts mag worden verondersteld. Het is immers van belang dat een huisarts op de hoogte is van de situatie van zijn patiënten. Nu gesteld noch gebleken is dat de cliënte bezwaar had gemaakt tegen het verstrekken van de informatie aan de huisarts, zal de commissie klachtonderdeel III dan ook ongegrond verklaren.

Klachtonderdelen IV en V: de zorgaanbieder heeft verkeerde informatie verstrekt m.b.t. de wet- en regelgeving voor vernietiging van het medisch dossier en de zorgaanbieder heeft derden niet ingelicht over de vernietiging van het medisch dossier
De cliënte verwijt de zorgaanbieder derden niet te hebben ingelicht over de vernietiging van het medisch dossier. Zo heeft de huisarts, toen de cliënte haar medische gegevens daar opvroeg, onder meer een brief van de zorgaanbieder uit 2009 verstrekt.

De zorgaanbieder stelt dat deze brief onderdeel is van het medisch dossier bij de huisarts en niet van het medisch dossier bij de zorgaanbieder. Indien de cliënte wenst dat deze brief wordt vernietigd, dient zij zich te wenden tot haar huisarts.

De commissie is van oordeel dat op de zorgaanbieder in beginsel geen wettelijke verplichting rust om de huisarts of eventuele andere derden te informeren over de vernietiging van het medisch dossier. Enkel wanneer een verzoek ex artikel 36 Wet bescherming persoonsgegeven (Wbp) wordt ingediend, kan op een zorgaanbieder de verplichting rusten om derden aan wie de gegevens zijn verstrekt van de verwijdering in kennis te stellen. Het moet dan gaan om het verwijderen van objectief onjuiste gegevens, onvolledige gegevens of niet ter zake doende gegevens. De cliënte heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een verzoek ex artikel 36 Wbp bij de zorgaanbieder heeft ingediend. Evenmin heeft de cliënte aannemelijk gemaakt dat sprake was van objectief onjuiste, onvolledige of niet ter zake doende gegevens. Gelet hierop zal de  commissie beide klachtonderdelen ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel VI: de cliënte is tegen haar wil op 6 september 2017 vervoerd naar de zorgaanbieder
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat zij op 6 september 2017 tegen haar wil door de ambulance is vervoerd naar de spoedpoli, terwijl een opname bij een GGZ-kliniek contra-geïndiceerd was. Dit ligt ook vast in de crisiskaart van de cliënte.

De zorgaanbieder stelt dat de cliënte op 6 september 2017 door de psycholance is vervoerd naar de spoedpoli van de zorgaanbieder voor een crisisbeoordeling. De psycholance is onderdeel van de ambulancezorg van het UMCG. Nu de handelwijze van het (medisch) personeel van de ambulancezorg niet onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder valt, dient de cliënte niet-ontvankelijk te worden verklaard in klachtonderdeel VI.

De commissie volgt de zorgaanbieder in haar standpunt. De psycholance heeft op 6 september 2017, na overleg met de Triageverpleegkundige, besloten de cliënte te vervoeren naar de spoedpoli. De uiteindelijke beslissing om de cliënte wel of niet te vervoeren ligt bij de psycholance. Nu de klacht  zich richt tegen de door de psycholance genomen beslissing en de handelwijze van de psycholance niet onder de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder valt, zal de commissie de cliënte niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel VI.

Ten overvloede merkt de commissie op dat ter zitting is gebleken dat in het onderliggende convenant voor de spoedpoli thans niet is geregeld hoe moet worden gehandeld als zich situaties voordoen zoals de onderhavige. Het lijkt de commissie goed dat de partijen, die het convenant hebben gesloten, deze casus gaan bespreken en daarover afspraken gaan maken en vastleggen.

Klachtonderdeel VII de zorgaanbieder heeft ten onrechte kosten in rekening gebracht bij de zorgverzekeraar van de cliënte
De cliënte stelt dat zij de op 6 september 2017 geleverde zorg niet zelf heeft gewild. De zorgaanbieder heeft daarom ten onrechte kosten in rekening gebracht bij de zorgverzekeraar van de cliënte. Het gaat om een bedrag van € 1.274,94 (crisis-DBC geopend op 6 september 2017 en gesloten op 12 september 2017).

De zorgaanbieder stelt dat van geneeskundige hulpverleners wordt verwacht dat zij –wanneer een patiënt niet goed aanspreekbaar is- naar eigen inzicht het beste handelen in het belang van de gezondheid van de patiënt. Als achteraf blijkt dat de patiënt dit niet of anders had gewild, betekent dat niet dat de hulpverlener onjuist heeft gehandeld of dat de verrichte werkzaamheden niet gedeclareerd zouden mogen worden.

De commissie stelt vast dat de cliënte niet heeft gesteld welk belang zij heeft bij beoordeling van deze klacht. Indien de zorgaanbieder de kosten al ten onrechte in rekening zou hebben gebracht, dan is het aan de zorgverzekeraar om deze kosten terug te vorderen bij de zorgaanbieder. Nu de cliënte ook niet heeft gesteld dat zij van deze kosten nadeel heeft ondervonden in de vorm van een eigen bijdrage en/of een eigen risico, zal de commissie de cliënte niet-ontvankelijk verklaren in klachtonderdeel VII.

Klachtonderdeel VIII De ingediende klachten zijn niet naar behoren en binnen de wettelijke termijn afgehandeld
De cliënte verwijt de zorgaanbieder dat de klacht niet binnen de afgesproken termijn van tien weken is afgehandeld.

De zorgaanbieder erkent dat de termijn van tien weken niet is gehaald, maar stelt dat dat mede komt doordat de oorspronkelijke klacht met drie klachtonderdelen gedurende de klachtprocedure is uitgebreid, welke uitbreiding direct werd onderzocht. De zorgaanbieder maakt excuses voor het feit dat de formele berichtgeving en de procedure niet duidelijk zijn gecommuniceerd.

De commissie stelt vast dat de ingediende klacht niet binnen de wettelijke termijn is afgehandeld. De zorgaanbieder heeft in het belang van de cliënte gehandeld om ook gelijk de nieuwe klachten van de cliënte mee te nemen. Nu gesteld noch gebleken is dat de cliënte door de termijnoverschrijding in haar belangen is geschaad, zal de commissie klachtonderdeel VIII ongegrond verklaren.

Gelet op het vorenstaande zal de door de cliënte verlangde vergoeding worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de cliënte niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen VI en VII;

-verklaart de klachtonderdelen I, II, III, IV, V en VIII. ongegrond;

– wijst af het meer of anders verlangde.

Aldus beslist op 13 juni 2018 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.