De zorgaanbieder is niet nalatig geweest bij de behandeling van de cliënt tijdens zijn verblijf bij de zorgaanbieder

  • Home >>
  • Zorg Algemeen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg Algemeen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 120743

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats], en Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg, gevestigd te Almere (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken. Het geschil is ter zitting behandeld op 17 januari 2019 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënt werd ter zitting vergezeld door [naam], werkzaam bij [naam bedrijf], toehoorder.
De zorginstelling werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], specialist Oudergeneeskunde en indertijd behandelend arts van de cliënt, [naam], trajectmanager en [naam], kwaliteitsmanager en klachtenfunctionaris.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de zorgverlening tijdens het verblijf van de cliënt bij de zorginstelling van 1 augustus 2017 tot 8 juni 2018.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het vragenformulier dat op 22 oktober 2018 is ontvangen. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De cliënt klaagt over: nalatigheid, onzorgvuldigheid, onverschilligheid, misleiding en verwarring van de arts verbonden aan de instelling.

De cliënt heeft een en ander besproken met de locatiemanager, de arts zelf en de klachtenfunctionaris. De zorginstelling heeft alleen een excuus gegeven en de woorden: ach, miscommunicatie, het is een leermomentje. De cliënt klaagt verder over laksheid in het doorverwijzen naar de specialist, het onthouden van medicatie als gevolg van trombose en longembolie, verkeerde of geen overdracht van het dossier naar de huisarts en onjuiste afspraken met het ziekenhuis.

Blijkens de door de cliënt overgelegde stukken en verdere correspondentie zijn de klachtonderdelen als volgt in te delen:
1) nalatigheid, onzorgvuldigheid, onverschilligheid, misleiding en verwarring van de arts;
2) laksheid bij het doorverwijzen naar een specialist bij een verdikking bij de rechterelleboog en een afwijkende stand van de pink;
3) een verkeerde en/of geen overdracht van zijn dossier aan de huisarts;
4) er is de cliënt medicatie onthouden die hij nodig had als gevolg van trombose en een longembolie. Deze medicatie is volgens de cliënt wel vermeld op de overdracht van de huisarts naar de kliniek;
5) de cliënt ondervond weinig inlevingsvermogen en empathie van de arts.

De cliënt stelt als oplossing van het geschil voor dat de zorginstelling een voelbare berisping krijgt en passende compensatie wordt opgelegd voor geleden geestelijke en lichamelijke schade. De cliënt vordert de maximaal haalbare vergoeding omdat hij last heeft van: extreme onrust, paniek, spanning, depressieve klachten, verlies van vertrouwen, balanceren op de rand van de valkuil waarvoor hij werd behandeld, stress van onbegrip en verlies in tijd om volwaardig te re-integreren in de maaatschappij.

Ter zitting heeft de cliënt nog onder meer het volgende naar voren gebracht. De klachten aan de pink en de hand bleken veroorzaakt te zijn door een beklemde zenuw. Om dit te verhelpen was een ingreep nodig door de neurochirurg na consultatie van de neuroloog. Tussen het eerste bezoek aan de door de cliënt aangezochte neuroloog en de ingreep zaten enkele weken.

Standpunt van de zorginstelling

Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het verweerschrift van de zorginstelling van 20 december 2018. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De cliënt verbleef van 1 augustus 2017 tot 8 juni 2018 bij de zorginstelling in verband met alcoholmisbruik resulterend in een slechte lichamelijke conditie. De cliënt werd in een behoorlijk verwaarloosde toestand opgenomen. Hij werd gebracht door zijn broer, met slechts beperkte medische informatie van de huisarts en was bekend met onder meer autisme en polyneuropathie. De eerste weken stonden daarom in het teken van detox, refeeding en elektrolytstoornissen.

Ten aanzien van de klachtonderdelen brengt de zorginstelling het volgende naar voren.
1) De zorginstelling gaat ervan uit dat de door de cliënt gestelde nalatigheid, onzorgvuldigheid, onverschilligheid, misleiding en verwarring van de arts betrekking hebben op de interne klachtafhandeling. Volgens de zorginstelling heeft de klachtenfunctionaris de klacht echter met gepaste zorgvuldigheid afgehandeld, waarbij alle betrokkenen zijn gehoord. Voor een aantal klachtonderdelen is verbetering toegezegd, voor een bepaald onderdeel is excuus gemaakt en de zorginstelling heeft een factuur van de orthopeed voor de cliënt betaald.
Dat de cliënt niet tevreden is over de beslissing doet niet af aan de zorgvuldigheid waarmee de interne klachtafhandeling heeft plaatsgevonden;
2) De arts heeft op 5 april 2018 goede notie genomen van de verdikking bij de rechterelleboog en kwalificeerde deze als een onschuldige zwelling van de slijmbeurs. Dat het advies (rust houden en niet belasten) een standaardadvies is, maakt het geen minder waardevol of onjuist advies. Op 7 mei 2018 had de cliënt een afwijkende stand van de pink. Op 8 mei 2018 is hij gezien door een waarnemend arts, die op dezelfde dag een verwijsbrief zond aan het ziekenhuis. Binnen het ziekenhuis is een vertraging opgetreden, hetgeen niet aan de zorginstelling is te wijten. Omdat de arts op vakantie was, heeft een verpleegkundige van de zorginstelling contact opgenomen met het ziekenhuis om de afspraak te versnellen. Omdat de klachten waren verminderd en er andere urgente zaken waren, heeft de arts na zijn vakantie niet alles op alles gezet om zelf de afspraak met de orthopeed te versnellen. De zorginstelling erkent dat de communicatie met de cliënt beter had gekund, maar de medische zorg is niet ontoereikend geweest. Verder heeft de arts ten aanzien van de pink in tweede instantie een verwijsbrief voor de neuroloog geschreven, die binnen het ziekenhuis terecht is gekomen bij de afdeling orthopedie. Toen dat ontdekt werd heeft de arts direct een nieuwe verwijsbrief opgesteld;
3) De zorginstelling heeft gezorgd voor een goede overdracht van het dossier van de cliënt bij zijn ‘ontslag naar huis’. Op de dag dat de cliënt naar de huurwoning vertrok, is de overdracht en het overzicht van de medicatie in een envelop aan de cliënt persoonlijk overhandigd, met de instructie deze aan de nieuwe huisarts te overhandigen, hetgeen is gebeurd;
4) Bij binnenkomst bij de zorginstelling had de cliënt al een maand geen antistolling medicatie gehad en er was al een maand geen controle geweest door de trombosedienst. Er was ook geen doseringskalender van de trombosedienst aanwezig. Naar aanleiding van de verkregen basisinformatie omtrent de antistolling heeft de arts van de zorginstelling contact opgenomen met de toenmalige, inmiddels voormalige huisartsenpraktijk van de cliënt. De assistente van de huisartsenpraktijk heeft bevestigd dat de cliënt in 2014 eenmaal trombose heeft gehad. Volgens de arts is ingevolge de landelijke richtlijn geen medicatie nodig indien maar éénmaal trombose is opgetreden. Daarom is geen medicatie aan de cliënt verstrekt;
5) De zorginstelling betwist dat de arts te weinig inlevingsvermogen en empathie heeft getoond. De arts geeft aan dat de communicatie en de sfeer altijd goed en opgewekt was en dat de cliënt tijdens het verblijf niets over zijn houding heeft gezegd. Ook de leidinggevende van de arts herkent zich niet in de klacht.

Bij beslissing van 2 augustus 2018 heeft de klachtenfunctionaris de klacht deels gegrond geacht, namelijk voor zover het gaat om de communicatie over klachtonderdeel 2, de verwijzing voor nader onderzoek naar de hand in verband met de afwijkende stand van de pink. Toen het langer ging duren, had de arts de cliënt daarover kunnen informeren. Verder had de verwijzing rechtstreeks verzonden moeten worden aan de afdeling neurologie en niet eerst naar de afdeling orthopedie, al is niet te achterhalen waar dit fout is gegaan.

De zorginstelling geeft aan dat de commissie niet bevoegd is om tuchtrechtelijke maatregelen te nemen, zoals de cliënt verlangt. Verder is de zorginstelling niet aansprakelijk voor de door de cliënt genoemde schade. De zorginstelling is niet verwijtbaar tekort geschoten en de schade is niet onderbouwd. De verlangde schadevergoeding wordt dan ook betwist.

Beoordeling

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Aan de commissie ligt de vraag voor of er verwijtbare fouten zijn gemaakt bij de behandeling van de cliënt tijdens zijn verblijf bij de zorginstelling van 1 augustus 2017 tot 8 juni 2018.
Voor aansprakelijkheid van de zorginstelling is vereist dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorginstelling tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorginstelling. De tekortkoming moet aan de zorginstelling kunnen worden toegerekend en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat er geen sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de zorginstelling. In de praktijk is het niet altijd mogelijk om op zeer korte termijn toegang te krijgen tot medische zorg. De verdikking aan de elleboog bleek achteraf, zoals de arts van de zorgaanbieder had ingeschat, niet urgent te zijn. Ook de klachten aan de pink en de hand bleken achteraf niet zeer urgent te zijn. Zoals de cliënt ter zitting aangaf zaten er enkele weken tussen zijn bezoek aan de door hem aangezochte neuroloog en de uitvoering van de ingreep. Evenmin is verwijtbaar dat de cliënt niet direct naar de neuroloog is verwezen, maar eerst naar de orthopeed. De kennis achteraf dat rechtstreeks naar de neuroloog verwezen had kunnen worden, doet daaraan niet af. Gezien de omstandigheden dat de cliënt zelf een nieuwe huisarts heeft aangezocht en dit onderdeel zelf heeft willen regelen, acht de commissie het evenmin verwijtbaar dat de zorgaanbieder het medisch dossier heeft meegegeven aan de cliënt in plaats van het aan zijn nieuwe huisarts op te sturen.

Ten aanzien van de antistolling medicatie is het de commissie ambtshalve bekend dat deze op basis van een richtlijn uit 2016 inmiddels ook wordt voorgeschreven indien éénmaal trombose is opgetreden. De arts heeft zich evenwel voor de cliënt ingespannen door contact op te nemen met de huisartsenpraktijk van de cliënt, waar hij met de assistente heeft gesproken. Gezien de gewijzigde richtlijn en de vermelding van de antistolling medicatie op de medicatielijst was het wellicht nog beter geweest indien de arts tevens contact had opgenomen met de huisarts zelf of met de trombosedienst. Dat dit niet is gebeurd, acht de commissie echter niet dusdanig verwijtbaar dat er sprake is van een tekortkoming in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. Bovendien heeft de cliënt daardoor geen schade opgelopen. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond. Ook het klachtonderdeel dat de arts te weinig inlevingsvermogen en empathie heeft getoond acht de commissie ongegrond aangezien daarvan onvoldoende is gebleken.

Voor aanspraak op schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Nu uit het voorgaande blijkt dat dit niet het geval is, zal de verlangde materiële schadevergoeding worden afgewezen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem gevorderde af.

Aldus beslist op 17 januari 2019 door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit
mevrouw mr. P.W.M. de Wolf MSM, voorzitter, de heer dr. F.J.M. van der Meer en de heer mr. R.P. Gerzon, leden, waarbij mevrouw mr. M.E. Taams-van Hoeken als plaatsvervangend secretaris fungeerde.