Dispuut over declaratiepraktijken en informatievoorziening bij dermatologische behandeling

De Geschillencommissie




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: -    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 597213/684433

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een cliënt diende een klacht in tegen de Interconfessionele Stichting Gezondheidszorg Rivierenland vanwege de wijze van declareren en gebrekkige informatievoorziening rond een dermatologische behandeling. De kern van het geschil betrof het sluiten van een Diagnose Behandel Combinatie (DBC) na 42 dagen en het openen van een nieuwe DBC voor een vervolgbehandeling enkele dagen later, wat leidde tot extra kosten voor de cliënt. Volgens de cliënt had de tweede ingreep binnen de eerste DBC-termijn kunnen plaatsvinden, wat een tweede declaratie had voorkomen. De zorgaanbieder verweerde zich met het argument dat de DBC-regels correct zijn toegepast conform de regelgeving van de NZa. Daarnaast stelde de cliënt dat hij onvoldoende was geïnformeerd over wachttijden en de financiële gevolgen daarvan. De zorgaanbieder betwistte misleiding en stelde dat informatie over het eigen risico geen verplichting van hun kant is. De geschillencommissie oordeelde dat de DBC correct is toegepast en dat er geen sprake was van misleiding. Wel stelde de commissie vast dat de zorgaanbieder tekort was geschoten in de informatievoorziening, met name over wachttijden en mogelijke financiële gevolgen. Hierdoor werd de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard. De zorgaanbieder moet een bedrag van € 307,56 vergoeden vanwege extra kosten voor het eigen risico. Ook werd het klachtengeld van € 52,50 toegekend aan de cliënt. Verdere schadevergoedingen of proceskosten werden afgewezen.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Interconfessionele Sticht Gezondheidszorg Rivierenland, gevestigd te Tiel
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Samenvatting
Cliënt is het oneens met de wijze waarop de aan hem gegeven behandeling door de zorgaanbieder is gefactureerd bij zijn zorgverzekeraar. De DBC had door de zorgaanbieder niet na 42 dagen mogen worden gesloten om vervolgens een aantal dagen later weer een nieuwe DBC te openen. Op deze manier worden zorgverzekeraars en patiënten met hoge extra kosten opgezadeld. Daarnaast heeft de zorgaanbieder gefaald in de informatievoorziening rondom het behandeltraject en is cliënt daarmee misleid.

De zorgaanbieder registreert en declareert de zorgkosten door middel van een Diagnose Behandel Combinatie (DBC), zoals vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De DBC is gekoppeld aan de gegeven behandeling. De kosten van de DBC zijn een combinatie van diagnose en uitgevoerde zorgactiviteiten, uitgevoerd in de looptijd van de DBC. De DBC loopt in onderhavige kwestie 42 dagen. Duurt de behandeling langer, dan opent de zorgverlener een nieuwe DBC. De commissie komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat de zorgaanbieder in het kader van de behandelovereenkomst onzorgvuldig heeft gehandeld. De commissie zal het klachtonderdeel met betrekking tot de stelling dat de DBC niet na 42 dagen had mogen worden gesloten, ongegrond verklaren.

In verband met het klachtonderdeel, de informatievoorziening, oordeelt de commissie dat geen sprake is geweest van misleiding, maar wel van tekort schieten in de informatievoorziening. Met name had de zorgaanbieder erop moeten wijzen dat er wachttijden zijn voor de afdeling dermatologie met alle gevolgen en kosten van dien voor cliënt. De verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder strekt echter niet zover dat specifieke informatie over het eigen risico moet worden gegeven nu dat ziet op de door cliënt en zijn verzekeraar gemaakte specifieke afspraken over meerkosten.

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 maart 2025 te Den Haag.

Partijen zijn ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam] jurist en functionaris gegevensbescherming en [naam], senior jurist bij [naam].

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de wijze van declareren door de zorgaanbieder.

Standpunt van de cliënt

Feiten

– Op 14 februari 2024 vindt het eerste consult plaats bij de zorgaanbieder op de afdeling dermatologie. Tijdens dit consult is een afwijkende plek geconstateerd en weefsel weggehaald middels een biopsie voor nader pathologisch onderzoek.
– Op 26/28 februari 2024 heeft een telefonisch consult met de behandelend arts plaatsgevonden. De arts heeft de diagnose basaalcelcarcinoom medegedeeld en heeft volledige verwijdering van het weefsel van het verdachte plekje voorgesteld.
– Op 5 april 2024 is dit weefsel volledig verwijderd.
– Op 19 april 2024 heeft een telefonisch afspraak plaatsgevonden en is de uitslag van het weggenomen en onderzochte weefsel besproken.
– Op 18 september 2025zal een vervolgafspraak plaatsgevonden.

– Op 10 april 2024 is via de zorgverzekeraar de eerste nota van € 530,39 met de DBC-code 29499021 (een tot twee operatie(s) bij huidkanker of voortekenen daarvan) gedeclareerd.
– Vanwege het met zijn zorgverzekeraar overeengekomen eigen risico van € 885,- is de nota volledig verrekend met het eigen risico van cliënt.
– Deze eerste nota bevatte de volgende zorgactiviteiten: eerste polikliniekbezoek (code 190060), proefexcisie (code 038913) en belconsult (code 190162).
– De eerste DBC-code liep van 14 februari tot en met 27 maart 2024 oftewel 42 dagen.
– De verwijdering op 5 april 2024 was daarmee 9 dagen na het afsluiten van de DBC.

– Op 29 mei 2024 is via de zorgverzekeraar een tweede nota van € 530,39 gedeclareerd, waarvan een bedrag van € 307,56 ten laste van het (resterende) eigen risico van cliënt is gekomen. Het resterende bedrag is door de zorgverzekeraar vergoed.
– De tweede nota bevatte wederom de DBC-code 29499021 met de volgende zorgactiviteiten: operatieve verwijdering (code 038911) en belconsult (code 190162).
– Op 26 juni 2024 heeft de zorgverzekeraar een bedrag van € 876,07 automatisch van de bankrekening van cliënt afgeschreven.

– Op 4 juli 2024 heeft cliënt een klacht bij de zorgaanbieder ingediend.
– Na overleg met de klachtenfunctionaris heeft de Raad van Bestuur van de zorgaanbieder op
26 augustus 2024 haar oordeel gegeven over de zorgaanbieder en de in rekening gebrachte kosten en de klacht afgewezen.
– Op 31 augustus 2024 heeft cliënt zijn klacht aan de commissie voorgelegd.

Klachten

1. De DBC had niet na 42 dagen mogen worden gesloten.
De DBC-code had niet na 42 dagen gesloten mogen worden, omdat volgens de Regeling transparantie zorgaanbieders-TH/NR-028 artikel 8.1 sub b van de Regeling (verder te noemen: de Regeling), er sprake is van een uitzondering ‘wanneer binnen deze 42 dagen de patiënt opnieuw een operatieve ingreep ondergaat dan wordt afgesloten op de 42e dag na de datum van de laatste ingreep’. Cliënt stelt dat na het eerste pathologisch onderzoek werd vastgesteld dat volledige verwijdering medisch noodzakelijk was en derhalve een tweede operatieve ingreep moest plaatsvinden. Cliënt stelt dat de tweede operatie in beginsel wel binnen 42 dagen had kunnen worden uitgevoerd en aldus moet de uitzondering van artikel 8.1 sub b van de Regeling worden toegepast.

2. De zorgaanbieder heeft gefaald in de informatievoorziening en heeft klager daarmee misleid.
Op grond van artikel 6 van de Regeling is het de zorgaanbieder verboden om cliënt op enige wijze te misleiden. De zorgaanbieder moet cliënt op een juiste wijze informeren, zodanig dat deze een weloverwogen beslissing kan nemen ten aanzien van het (voorgestelde) behandeltraject. Als informatie foutief is of wordt achtergehouden had cliënt als hij deze informatie had gekregen mogelijk een andere beslissing genomen. Het is voor cliënt onbekend dat de zorgaanbieder een algemeen beleid voert dat bij minder urgente dermatologische ingrepen een wachttijd van 5 weken wordt gehanteerd. De consequentie hiervan is dat cliënt voor hogere kosten komt te staan, nu de operatie pas na 42 dagen na het nemen van het biopt heeft plaatsgevonden en daarvoor een tweede DBC-code is geopend. Cliënt heeft deze tweede nota (deels) zelf moeten betalen omdat hij een hoog eigen risico heeft. Een redelijk geïnformeerde consument mag ervan uit gaan dat een biopt en een verwijdering als één zorg (sub-)traject wordt gezien. Van cliënt kan niet worden verwacht dat hij moet weten dat wanneer de zorgaanbieder een algemeen beleid voert waarbij er een wachttijd is van 5 weken, dit tot gevolg heeft dat er een tweede declaratie volgt. De zorgaanbieder had cliënt ten minste moeten informeren over de mogelijke consequenties van dit beleid en cliënt erop moeten wijzen dat bij een andere zorgaanbieder dit beleid anders kan zijn.

De zorgaanbieder heeft niet op tijd de noodzakelijke informatie verstrekt, waaronder het inzicht geven in wachttijden (en de financiële consequenties), waardoor geen vergelijking heeft kunnen plaatsvinden met andere ziekenhuizen of zorgaanbieders. Op de website van de zorgaanbieder worden wachttijden gepubliceerd en voor de dermatologie worden geen wachttijden berekend of aangegeven. Cliënt concludeert derhalve dat de zorgaanbieder gefaald heeft in zijn informatievoorziening en hem heeft misleid.

Ter zitting heeft cliënt nog naar voren gebracht dat de zorgaanbieder tegenover patiënten en zorgverzekeraars verantwoordelijkheid draagt voor het in toom houden van de zorgkosten. Het gevolg van de organisatorische afweging om plekken vrij te houden voor spoed betekende voor cliënt een verdubbeling van de kosten, maar brengt ook meerkosten voor de verzekeraar mee nu dezelfde DBC-code twee keer in rekening wordt gebracht.

In deze kwestie had, in het kader van een redelijke belangenafweging volgens de Regeling, de 42-dagen termijn door de zorgaanbieder gerespecteerd moeten worden door de tweede ingreep binnen deze termijn uit te voeren, nu niet is gebleken dat dit praktisch onmogelijk was.

Kortom, de zorgaanbieder heeft onjuist gedeclareerd en cliënt onjuist geïnformeerd, waarvan de zorgaanbieder een verwijt valt te maken. Nu de tweede nota van 29 mei 2024 van € 530,39 niet in rekening had mogen worden gebracht, verzoekt cliënt de commissie bij bindend advies hem in het gelijk te stellen, deze nota nietig te verklaren, de nota via de verzekeraar van cliënt te crediteren en cliënt voor de kosten die door het eigen risico zijn gedragen van € 307,56 te compenseren. Daarnaast verzoekt cliënt de commissie de zorgaanbieder te veroordelen in de kosten van het geding.

Standpunt van de zorgaanbieder

De zorgaanbieder registreert en declareert de zorgkosten door middel van een Diagnose Behandel Combinatie (DBC), zoals vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De DBC is gekoppeld aan de gegeven behandeling. De kosten van de DBC zijn een combinatie van diagnose en uitgevoerde zorgactiviteiten, uitgevoerd in de looptijd van de DBC. De DBC loopt in onderhavige kwestie 42 dagen.

Op 14 februari 2024 is een DBC geopend, omdat cliënt op die dag een eerste polikliniekbezoek bij de dermatoloog had. Tijdens dit bezoek heeft de dermatoloog een huidbiopt afgenomen waarvoor verrichting 038913 (Proefexcisie (stans of mes), al of niet met coagulatie met de hyfrecator exclusief het pathologisch onderzoek) is geregistreerd. Dit is een verrichting die in de zorgactiviteiten tabel van de NZa (DBC-pakket 2024 RZ24B) getypeerd is als een verrichting met zorgprofielklasse 5, een operatieve verrichting.

Een reguliere DBC sluit normaal gesproken na 90 dagen na een operatieve ingreep, echter er zijn uitzonderingen, zo ook in de onderhavige situatie. Volgens artikel 18 lid 1 Regeling medisch-specialistische zorg – NR/REG-2403a (hierna de Regeling) wordt een niet klinisch sub traject (dagverpleging of polikliniek) met operatieve ingrepen, met ZT11 of ZT21 (initiële of vervolgbehandeling), gesloten op de 42e dag na de datum waarop de operatieve ingreep heeft plaatsgevonden.

In het geval van cliënt heeft op 14 februari 2024 tijdens een niet-klinisch sub traject (dagverpleging of polikliniek) een operatieve ingreep plaatsgevonden, te weten een biopt dat bij cliënt is afgenomen. De DBC die hiervoor is geopend wordt conform artikel 18 lid 1 van de Regeling na 42 dagen, oftewel op 27 maart 2024, gesloten.

Vervolgens heeft op 5 april 2024 de laterale excisie van het plekje plaatsgevonden, dit is 51 dagen na opening van de eerste DBC. Anders dan cliënt stelt is hier geen sprake van een uitzondering als genoemd in artikel 18 lid 2 van de Regeling, omdat deze tweede operatieve ingreep niet binnen de genoemde 42 dagen plaatsvond. Terecht is dan ook de eerste DBC op 27 maart 2024 gesloten en is op 5 april 2024 een tweede DBC geopend. Het eerste klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Toen het pathologisch onderzoek van het op 14 februari 2024 afgenomen weefsel uitwees dat
sprake was van basaalcelcarcinoom ontstond een indicatie voor verwijdering van het plekje
middels excisie. Binnen de vakgroep Dermatologie is het inplannen van afspraken met patiënten gebaseerd op medische indicatie, waarbij altijd spoedplekken beschikbaar dienen te zijn voor patiënten met een urgente zorgvraag en binnen een week moeten worden geopereerd. Voor patiënten met een minder urgente zorgvraag, zoals ook bij cliënt het geval is, geldt vaak een langere wachttijd. De zorgaanbieder betwist dat sprake is van een bewust uitstellen van de behandeling om zodoende een nieuwe DBC te kunnen openen en betwist dat hier sprake is van misleiding.

Voor wat betreft de informatievoorziening heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de Regeling Transparantie zorgaanbieders – TH / NR –028 (vanaf 1 september 2024 TH /NR – 035) regels vastgesteld met betrekking tot de informatieverplichting van zorgaanbieders. In artikel 4 van die Regeling is wat betreft
informatieverstrekking over de kosten van behandelingen bepaald dat de zorgaanbieder de consument dient te informeren over tarieven die voor de consument van belang zijn. De tarieven(kosten) die voor de consument van belang zijn, zijn kosten die voor zijn eigen rekening komen. Daaronder valt niet het eigen risico, omdat het eigen risico onderdeel uitmaakt van de zorgverzekering die de consument met de zorgverzekeraar heeft afgesloten en afhankelijk is van de afspraken die een consument hierover met zijn zorgverzekeraar heeft gemaakt.

Tot slot is de zorgaanbieder van mening dat op hem niet de verplichting rust om voorlichting te geven over de DBC-systematiek, het verstrijken van een termijn van een DBC en de mogelijke financiële gevolgen daarvan. De verplichting tot voorlichting van de hulpverlener of zorgaanbieder in het kader van een behandelingsovereenkomst strekt zich op grond van artikel 7:448 lid 1 BW uit over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt.
Ook dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Beoordeling van de commissie

Het geschil vloeit voort uit de behandeling van cliënt op de afdeling dermatologie van de zorgaanbieder in het kader van een behandelingsovereenkomst gesloten met de zorgaanbieder in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Op grond van de overeenkomst die cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid. De zorgaanbieder licht daarbij cliënt op grond van artikel 7:448 BW op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen onderzoek en de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van cliënt.

De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met cliënt. Bij de uitvoering van die overeenkomst heeft de zorgaanbieder een zorgplicht om die zorg te betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De zorgaanbieder registreert en declareert zorgkosten door middel van een Diagnose Behandel Combinatie (DBC), zoals vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De DBC is gekoppeld aan de gegeven behandeling. De kosten van een DBC zijn een combinatie van diagnose en uitgevoerde zorgactiviteiten, uitgevoerd in de looptijd van de DBC. Een DBC heeft een bepaalde looptijd (42, 90 of 120 dagen), afhankelijk van de soort behandeling en/of ingreep. Duurt de behandeling langer, dan opent de zorgaanbieder opnieuw een (vervolg) DBC. De commissie overweegt dat de consulten die cliënt heeft gehad bij de zorgaanbieder, vallen onder de basiszorg die door een zorgverzekeraar wordt vergoed behoudens het eigen risico dat cliënt is verschuldigd in dat jaar. Verrekening van deze zorg verloopt via de zorgverzekeraar. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder onjuist heeft gedeclareerd. Naar het oordeel van de commissie is de DBC-systematiek juist toegepast.

Dat als gevolg van de wet- en regelgeving de facturen die daarvoor door de zorgaanbieder bij de zorgverzekeraar zijn ingediend in 2024, grotendeels ten laste zijn gekomen van het hoge eigen risico van cliënt, kan aan de zorgaanbieder niet worden verweten. De commissie komt dan ook tot de conclusie dat niet kan worden geoordeeld dat de zorgaanbieder in het kader van de behandelovereenkomst onzorgvuldig heeft gehandeld. De commissie zal het klachtonderdeel met betrekking tot de stelling dat de DBC niet na 42 dagen had mogen worden gesloten, ongegrond verklaren.

Cliënt stelt voorts dat de tweede operatie die op 5 april 2024 is uitgevoerd, eerder en wel binnen 42 dagen had kunnen worden uitgevoerd, zodat de uitzondering van artikel 8.1 sub b van de Regeling Transparantie zorgaanbieders – TH / NR –028 van toepassing was en geen tweede DBC behoefde te worden geopend. Cliënt doelt hier op het beleid dat de zorgaanbieder op de afdeling dermatologie voert inzake het inplannen van afspraken met patiënten gebaseerd op medische indicatie, waarbij altijd spoedplekken beschikbaar moeten zijn voor patiënten met een urgente zorgvraag. Voor patiënten met een minder urgente zorgvraag, geldt daarom vaak een langere wachttijd met als gevolg dat de ingreep buiten de DBC-termijn valt.

Wanneer de zorgaanbieder dit beleid niet zou voeren, althans zo leest de commissie de stelling van cliënt, dan had de zorgaanbieder de ingreep binnen de DBC-termijn kunnen uitvoeren. De commissie stelt vast dat zij geen antwoord kan geven of het gehanteerde afsprakensysteem voldoet aan de door de maatschappij aan de zorg gestelde eisen nu zij desgevraagd van de zorgaanbieder geen concrete antwoorden heeft gekregen op vragen als: hoeveel patiënten op jaarbasis de afdeling dermatologie van de zorgaanbieder bezoeken, hoeveel spoedgevallen er jaarlijks zijn en hoe vaak er een tweede DBC op jaarbasis moet worden geopend. De enkele mededeling van de zijde van de zorgaanbieder dat sprake is van een jaarlijkse toename van 70.000 nieuwe patiënten met huidkanker in Nederland, geeft naar het oordeel van de commissie onvoldoende duiding en concretisering voor de situatie bij de zorgaanbieder en daarmee onvoldoende informatie voor (marginale) toetsing van dit afsprakenbeleid. Dat door deze wijze van planning cliënt is misleid, oftewel dat opzettelijk is gepoogd hem een onjuiste indruk te geven, is naar het oordeel van de commissie niet gebleken.

Ten aanzien van de informatievoorziening en het falen daarin door de zorgaanbieder overweegt de commissie als volgt.

De Regeling Transparantie Zorgaanbieder NZa TH / NR –028, die ten tijde van de behandeling van cliënt van toepassing was, bevat regels die de zorgaanbieder ten aanzien van informatieverstrekking aan consumenten dient te hanteren. Voor zover hier van belang dient de zorgaanbieder:
– de consument objectief en zakelijk te informeren over hetgeen voor de consument van belang is om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, zonder daarmee die keuze te sturen (artikel 4.1);
– de consument te informeren over prestaties die geleverd worden (artikel 4.2);
– de consument te informeren over tarieven die voor de consument van belang zijn (artikel 4.3);
– de consument te informeren over eventuele eigen betalingen (artikel 4.6) en
– de wachttijden inzichtelijk te maken (artikel 4.8).

De term DBC wordt in de Regeling transparantie zorgaanbieders niet expliciet genoemd, maar als het gaat over “tarieven” en “prestaties” zoals beschreven in de Regeling en in de Wet marktordening gezondheidszorg, betekent dit naar het oordeel van de commissie dat de zorgaanbieder niet tot in detail hoeft te informeren over DBC’s, maar dat dit de zorgaanbieder niet ontslaat van de verantwoordelijkheid om cliënten hier in zijn algemeenheid wel over te informeren. De zorgaanbieder heeft client onvoldoende geïnformeerd en is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Met name had de zorgaanbieder erop moeten wijzen dat er wachttijden zijn voor de afdeling dermatologie met alle gevolgen en kosten van dien voor cliënt. Zo had het in de rede gelegen dat de zorgaanbieder had aangegeven dat bij een langere wachttijd meer DBC’s nodig zijn, hetgeen tot meerkosten zou kunnen leiden. De verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder strekt echter niet zover dat specifieke informatie over het eigen risico moet worden gegeven nu dat ziet op de door cliënt en zijn verzekeraar gemaakte specifieke afspraken over meerkosten.

Op grond van het voorgaande oordeelt de commissie dit klachtonderdeel gegrond.
Nu de klacht van cliënt ten dele gegrond is, komt de commissie toe aan de beoordeling van het door cliënt gevorderde.

Naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder cliënt onvoldoende geïnformeerd en is daardoor toerekenbaar tekortgeschoten in de uitvoering van de behandelingsovereenkomst. Als cliënt gewezen was op de door de zorgaanbieder gehanteerde wachttijden en de gevolgen daarvan had cliënt zich tot een ander ziekenhuis kunnen wenden en deze extra kosten wellicht kunnen voorkomen. De door deze tekortkoming ontstane kosten dienen door de zorgaanbieder aan cliënt te worden vergoed.

Daarnaast verzoekt cliënt vergoeding van de kosten voor deze procedure. Artikel 23 van het reglement bepaalt dat de door partijen gemaakte kosten voor hun eigen rekening komen, tenzij de commissie in bijzondere gevallen anders bepaalt. Van een dergelijke bijzondere situatie is hier niet gebleken, zodat de commissie de door cliënt verlangde kostenvergoeding afwijst.

Omdat de klacht ten dele gegrond is, zal de commissie bepalen dat het klachtengeld door de zorgaanbieder aan cliënt dient te worden vergoed.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van cliënt ten dele gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder een bedrag ad € 307,56 aan client vergoed binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies een bedrag van € 52,50 aan cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst af het meer of anders verzochte.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, mevrouw drs. M.L.B.T.M. Köhlen, mevrouw mr. I. van den Hoven-van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.M. Bouter-Bijsterveld, secretaris, op 11 maart 2025.

Print/PDF