Er is geen verplichting om voorlichting te geven over de DBC-systematiek en het verstrijken van de termijn van de DBC

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 110545-1

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënt en Medisch Spectrum Twente, gevestigd te Enschede (verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 6 juli 2017 te Enschede.

De cliënt is ter zitting verschenen, vergezeld van zijn vader. Namens het ziekenhuis is niemand verschenen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de informatieverstrekking door het ziekenhuis ten aanzien van de Diagnose Behandel Combinatie (DBC)-systematiek, het verstrijken van de termijn van een DBC en de in verband daarmee mogelijk ontstane hogere kosten voor de cliënt. Daarnaast betreft het geschil de door het ziekenhuis geleverde zorg.

Standpunt van de cliënt
 
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken, die als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de cliënt op het volgende neer.

Op 27 juli 2016 heeft de cliënt één van de KNO-artsen bij het ziekenhuis bezocht in verband met neusklachten. Op 28 december 2016 heeft de cliënt een curis-behandeling ondergaan. Op die datum is ook een controle-afspraak gemaakt voor 27 februari 2017. Tijdens de controle op 27 februari 2017 bleek dat de behandeling aan de rechterzijde van de neus niet het gewenste resultaat had. Begin maart 2017 heeft de cliënt een factuur d.d. 28 februari 2017 van € 707,11 terzake de curis-behandeling ontvangen. Uit deze factuur bleek dat de periode van de DBC van de curis-behandeling op 8 februari 2017 was afgelopen. Voor de controle op 27 februari 2017 is een nieuwe DBC geopend. De cliënt is door het ziekenhuis niet geïnformeerd over de DBC-systematiek en de periode van het DBC-traject van de curis-behandeling. Indien de cliënt hierover wel was geïnformeerd, dan had hij de vervolgafspraak vóór 8 februari 2017 gemaakt. Het is ook niet logisch dat de nacontrole wordt gezien als een apart behandeltraject, waarvoor apart wordt gedeclareerd. Het openen van een nieuwe DBC heeft een zware impact op het eigen risico van de cliënt in 2017.

Daarnaast stelt de cliënt dat hij gelijktijdig met vijf andere patiënten de behandeling heeft ondergaan, waardoor de behandelend arts erg gehaast was en er geen tijd was voor vragen, die de cliënt aansluitend aan de behandeling nog wilde stellen. De klachten van de cliënt zijn ook niet verholpen. 

De cliënt wenst dat zijn klachten alsnog worden verholpen zonder dat dit ten koste gaat van zijn eigen risico in 2017. Daarnaast wenst de cliënt dat voornoemde factuur d.d. 28 februari 2017  wordt aangepast. 

Ter zitting heeft de cliënt verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.
Na de curis-behandeling heeft de cliënt een second opinion aangevraagd in het ziekenhuis. Hierbij is eerst met verdoving de status van de hele neus in kaart gebracht. Gebleken is toen dat de cliënt in één van de neusgaten een uitstulping heeft. Bij de behandelend specialist heeft een dergelijk onderzoek niet plaats gevonden en zijn alleen de neusschelpen in beide neusgaten ter sprake gekomen. De cliënt vraagt zich af of de behandelend specialist de juiste diagnose heeft gesteld en of het nut heeft gehad om in eerste instantie de behandeling één keer per neusgat uit te voeren.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis luidt in hoofdzaak als volgt.

De behandelend specialist is niet tekort geschoten in zijn informatieplicht. Zowel op de website van de rijksoverheid, de NZa, de zorgverzekeraar als van het ziekenhuis is informatie beschikbaar over de financiering van de zorg en de DBC/DOT-systematiek. De cliënt heeft bij zijn zorgverzekeraar een ziektekostenpolis afgesloten en afspraken gemaakt over zijn aanspraak op zorg en het eigen risico. Behalve bij de zorgverzekeraar kan de patiënt ook bij de afdeling Zorgkosten van het ziekenhuis terecht bij vragen over de kosten van zorg.

De behandeling en de controle zijn gebaseerd op zorginhoudelijke en organisatorische gronden. Indien de termijn voor de controleafspraak zou zijn verkort, zou geen sprake meer zijn van goede zorg. Verkorting van de termijn was daarom geen reële optie. Met iedere ziekenhuisbehandeling is eigen risico gemoeid, tenzij dit eigen risico reeds is opgesoupeerd of bijvoorbeeld sprake is van een heroperatie door een fout of complicatie. Afspraken over het eigen risico gaan echter buiten het ziekenhuis om.

Er is geen reden om aan te nemen dat de behandeling niet lege artis is verricht. Er bestaat geen garantie dat een operatie altijd tot het gewenste resultaat leidt. Een dergelijke garantie heeft de behandelend specialist ook niet gegeven.
Een optie voor de cliënt is om een tweede operatie te ondergaan waarbij een ander, verder gelegen deel van de neus wordt behandeld, welk deel vóór de eerste operatie niet goed bereikbaar was en waarvan, gezien de uitkomst van de controle, aannemelijk is dat dit deel mede verantwoordelijk is voor de klachten. Ook voor deze nieuwe operatie zal de specialist echter geen absolute garantie op succes kunnen geven. 

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aan-nemelijk is dat het ziekenhuis tekort is geschoten in de nakoming dan wel de uitvoering van de be-handelingsovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

De commissie dient thans allereerst de vraag te beantwoorden of het ziekenhuis tekort is geschoten in de informatieplicht jegens de cliënt. Meer in het bijzonder is in dit geval de vraag aan de orde of op het ziekenhuis de verplichting rust om voorlichting te geven over de DBC-systematiek, het verstrijken van de termijn van een DBC en de in verband daarmee mogelijk te ontstane hogere kosten voor de cliënt. De commissie is van oordeel dat dit in beginsel niet het geval is. De verplichting tot voorlichting van de hulpverlener in het kader van een behandelingsovereenkomst strekt zich op grond van artikel 7:448 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek uit over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde behandeling en over de ontwikkelingen omtrent het onderzoek, de behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt Op het ziekenhuis rust niet de verplichting om uit zichzelf voorlichting te geven omtrent de DBC-systematiek, het verstrijken van de termijn van de DBC en de hiermee verband houdende kosten. Dat de cliënt bij de behandelend specialist hiernaar heeft gevraagd, is niet gebleken.
Dat de cliënt direct na de behandeling hiernaar had willen vragen, maar dat daarvoor geen gelegenheid was, is evenmin gebleken. De cliënt heeft in dit verband ter zitting verklaard dat hij op dat moment vooral een aantal vragen over de operatie zelf had willen stellen en dat hij zich niet kan herinneren of hij ook financiële vragen had willen stellen. Omdat er geen zorgplicht op het ziekenhuis rust om voornoemde voorlichting uit zichzelf te geven, kan ook niet worden gesproken van een tekortschieten van het ziekenhuis in een verplichting. Dit onderdeel van de klacht zal derhalve ongegrond worden verklaard.

De commissie dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de behandelend specialist onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Bij de beantwoording van de vraag of de behandelend specialist onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, merkt de commissie op dat een arts jegens zijn patiënt een in-spanningsverplichting heeft, hetgeen betekent dat een arts verplicht is zich in te spannen om een ingreep naar beste weten en kunnen uit te voeren. Een arts heeft echter geen resultaatsverplichting: hij hoeft er niet voor in te staan dat het beoogde resultaat altijd wordt bereikt.

Naar het oordeel van de commissie is op basis van de stukken en op grond van hetgeen ter zitting is besproken, niet gebleken van een beoordelingsfout door de behandelend specialist. Niet is gebleken dat de operatie op 28 december 2016 onnodig is geweest en niet is komen vast te staan dat er tijdens de ingreep sprake is geweest van onzorgvuldig handelen. In eerste instantie heeft de behandelend specialist besloten tot een conservatief beleid en is geprobeerd met een neusspray te komen tot het beoogde resultaat bij de cliënt. Omdat de neusspray weinig resultaat gaf, is op 20 december 2016 besloten tot een curis-behandeling.
Niet gebleken is dat de behandeld arts door te kiezen voor deze gefaseerde aanpak verwijtbaar heeft gehandeld. Dat achteraf gezien gebleken is dat de cliënt in één van de neusgaten een uitstulping heeft en een nieuwe operatie nodig is om het beoogde resultaat te bereiken, doet hieraan niet af, nu een operatieresultaat niet van tevoren valt te garanderen en niet gebleken is – zoals hiervoor is overwogen – dat de operatie op 28 december 2016 onnodig is geweest. Ook dit onderdeel van de klacht zal derhalve ongegrond worden verklaard.

Op grond van het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist op 6 juli 2017 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.