Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de klachten van cliënt

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 419/11375

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënt is van mening dat de er geen serieus onderzoek is gedaan naar zijn klachten. Er is geweigerd een CBCT-scan te maken en er is in eerste instantie vergeten om een bloedonderzoek aan te vragen. Het ziekenhuis is van opvatting dat er adequate onderzoeken zijn ingesteld. Er volgde geen sluitende diagnose, maar er konden wel actieve ontstekingen en afweerstoornissen worden uitgesloten.
De commissie leidt uit het dossier af dat uitgebreide onderzoeken hebben plaatsgevonden. Dat geen sluitende diagnose kon worden gesteld, kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Het is ook niet het terrein van de interne geneeskunde om een CBCT-scan aan te vragen. De fout met het bloedonderzoek is goed opgelost.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt] wonende te [plaats] en Stichting Katholieke Universiteit-Radboudumc, gevestigd te Nijmegen (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (hierna te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december 2019 te Utrecht. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam jurist] en [naam internist en hoofd opleiding interne geneeskunde].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de wijze waarop de zorgaanbieder onderzoek heeft gedaan naar de klachten van de cliënt.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is door zijn huisarts met spoed doorverwezen naar de zorgaanbieder in verband met verschillende klachten.
Om te voorkomen dat er eenzelfde onderzoek zou worden gedaan als in 2014 (toen de cliënt soortgelijke klachten had), heeft hij de zorgaanbieder vooraf informatie aangeleverd omtrent de aard en mogelijke oorzaak van zijn huidige klachten. Desondanks is er een wazig half (standaard)onderzoek gedaan. De zorgaanbieder heeft geen diagnose gegeven, maar alleen een nietszeggende verklaring van de symptomen. De cliënt wilde dat de zorgaanbieder een CBCT-scan zou uitvoeren, omdat hij in een documentaire op Netflix had gezien dat daarmee verborgen ontstekingen kunnen worden ontdekt. De zorgaanbieder heeft de CBCT-scan echter geweigerd en heeft het vijfjarig ziekzijn van de cliënt genegeerd. De cliënt kon geen aanvraag voor een second opinion doen.
De zorgaanbieder heeft voorts diverse fouten gemaakt. Zo is in eerste instantie vergeten om een bloedonderzoek aan te vragen. De cliënt is hiervoor apart nog een keer naar de zorgaanbieder gegaan.

Tijdens de afspraak voor de uitslag van het alsnog uitgevoerde bloedonderzoek kreeg de cliënt te horen dat er iets was fout gegaan en dat hij opnieuw bloed moest laten prikken. Ook een echo van de blaas mislukte.

De zorgaanbieder heeft de cliënt niet serieus genomen en hem maandenlang aan het lijntje gehouden. Mede door frustratie en stress is zijn gezondheid hierdoor verder achteruit gegaan.
De cliënt verzoekt de commissie hem een schadevergoeding van € 25.000,– toe te kennen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 30 januari 2019 is de cliënt gezien op de afdeling Algemene Interne Geneeskunde van de zorgaanbieder. Een arts in opleiding tot specialist (AIOS) heeft hem uitgebreid lichamelijk onderzocht. Afgesproken is dat de eerdere analyse uit 2014 bij een andere zorgaanbieder zou worden opgevraagd en dat een aantal nadere onderzoeken zou plaatsvinden. Alle tijdens het poligesprek met de AIOS afgesproken acties zijn dezelfde dag ingezet, behalve een bloedafname. Niet meer te reconstrueren is waarom de cliënt niet – zoals te doen gebruikelijk – meteen na afloop van het gesprek met de arts bloed heeft laten afnemen. De cliënt heeft ook niet zelf gealarmeerd dat het met de AIOS afgesproken bloedonderzoek niet had plaatsvonden. In een telefonisch contact heeft de AIOS de cliënt laten weten dat alsnog een bloedafname moest plaatsvinden. Er is afgesproken dat de cliënt hiervoor alsnog naar de zorgaanbieder zou komen.

In de voorbereiding op de controleafspraak van 15 maart 2019 heeft de AIOS ontdekt dat door een administratieve omissie niet alle bloedanalyses waren uitgevoerd. Om de cliënt veel heen en weer gereis te besparen en ook om de reeds bekende uitslagen te bespreken, werd besloten de controleafspraak te laten doorgaan, waardoor de cliënt op een aantal aspecten alvast kon worden gerustgesteld. Tijdens deze afspraak zijn de uitslagen van de verrichte onderzoeken met de cliënt besproken en zijn excuses aangeboden voor het verloop met betrekking tot het bloedonderzoek en voor het niet tevoren met de cliënt overleggen over het al dan niet laten doorgaan van de controleafspraak zonder dat de bloedanalyses bekend waren. Afgesproken is dat de cliënt na afloop van de afspraak opnieuw bloedonderzoek zou laten verrichten en dat de uitslagen telefonisch zouden worden besproken. Op verzoek van de cliënt zijn deze uitslagen uiteindelijk op 29 maart 2019 schriftelijk aan de cliënt doorgegeven.

De AIOS heeft ook een echo van de nieren aangevraagd. Tijdens de echo is geconstateerd dat de blaas van de cliënt leeg was. Gelet op de vraagstelling van de AIOS was dit geen probleem. Er was geen medische noodzaak voor herhaling van de echo .De AIOS heeft de cliënt desgevraagd herhaaldelijk uitgelegd dat de door hem gewenste CBCT-scan niet mogelijk is via de afdeling Algemene Interne Geneeskunde. Hij heeft aangegeven dat dit eventueel via een verwijzing van de tandarts naar de MKA-chirurg verloopt.

De zorgaanbieder betwist dat wanprestatie is geleverd.
In de polikliniekbezoeken is ruim aandacht besteed aan de klachten van de cliënt. Ook de tevoren door de cliënt toegezonden informatie is daarbij meegenomen. Tijdens het polikliniekbezoek – dat 1,5 uur heeft geduurd – is deze informatie besproken. Door de AIOS is een uitgebreide anamnese afgenomen. Op de door de cliënt aangegeven klachten zijn adequate onderzoeken ingesteld om een lichamelijke oorzaak van zijn klachten aan te tonen dan wel uit te sluiten. Helaas heeft dat niet geleid tot een sluitende diagnose voor de klachten. Wel konden er zaken, zoals actieve ontstekingen en afweerstoornissen, worden uitgesloten.

Van ontstane schade als gevolg van fouten is geen sprake geweest. De cliënt heeft ook geen schade geleden als gevolg van het verloop van het bloedonderzoek. De zorgaanbieder begrijpt de frustratie bij de cliënt voor het niet kunnen vinden van een lichamelijke oorzaak van zijn klachten, doch daarmee is er geen sprake van fouten of aan het lijntje houden van de cliënt. De zorgaanbieder verzoekt de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren en het door hem verzochte af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De overeenkomst die de cliënt en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, kan worden aangemerkt als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446, zoals opgenomen in boek 7, titel 7, afdeling 5, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De cliënt houdt de zorgaanbieder aansprakelijk voor de wijze waarop onderzoek is gedaan en voor gemaakte fouten.
Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de geneeskundige behandelings-overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Ter beoordeling van de commissie staat dan ook de vraag of één of meer van de behandelende artsen al dan niet de zorg heeft (hebben) betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Daarbij dient wel het volgende in aanmerking te worden genomen. De verplichting die voor een hulpverlener voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt – tenzij partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen, hetgeen in dit geval gesteld noch gebleken is – niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Van een tekortkoming in de nakoming van die verplichting kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie ziet in de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding om aan te nemen dat de zorgaanbieder – in dit geval de AIOS internist – in deze niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Niet is komen vast te staan dat de zorgaanbieder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting of bij die inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie acht door de zorgaanbieder voldoende aangetoond, althans aannemelijk gemaakt, dat hij de cliënt serieus heeft genomen en ruim tijd en aandacht heeft besteed aan zijn klachten. Uit de stukken leidt de commissie af dat uitgebreide onderzoeken hebben plaatsgevonden naar de oorzaak van de klachten van de cliënt. Dat geen sluitende diagnose kon worden gesteld, kan de zorgaanbieder niet worden verweten. De commissie kan zich voorts vinden in het standpunt van de zorgaanbieder dat het niet op het terrein van de interne geneeskunde ligt om een CBCT-scan aan te vragen.

Weliswaar is bij het bloedonderzoek een en ander fout gegaan, maar naar het oordeel van de commissie heeft de zorgaanbieder dit op een adequate manier opgelost.
De commissie ziet in de overgelegde stukken geen aanleiding om aan te nemen dat de zorgaanbieder fouten heeft gemaakt met betrekking tot de echo in verband met de urineproblemen van de cliënt.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding merkt de commissie nog op dat voor een civielrechtelijke aanspraak op immateriële schadevergoeding ten minste is vereist dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichting. Hiervoor heeft de commissie geoordeeld dat geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming van de zorgaanbieder. Nu aan het vereiste voor een schadevergoeding derhalve niet is voldaan, kan de cliënt geen aanspraak maken op schadevergoeding.

De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht van de cliënt ongegrond moet worden verklaard en dat de door hem verzochte schadevergoeding moet worden afgewezen.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënt ongegrond en wijst het door hem verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 6 december 2019.