Gebrekkige communicatie richting de patiënt, onvoldoende voortvarend gehandeld voor het tweede intakegesprek. Schadevergoeding op zijn plaats.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 107831 2017

De uitspraak:

In het geschil tussen:

Cliënt en Antes, gevestigd te Rotterdam (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 12 september 2017 te Den Haag.

De cliënt is verschenen, vergezeld van [gemachtigde].

Namens de zorginstelling zijn verschenen [jurist] en [beleidsmedewerker]

Partijen hebben ermee ingestemd dat de behandeling van het geschil in het bijzijn van twee, in plaats van drie, commissieleden plaatsvindt.

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil heeft betrekking op de gedragingen van de behandelaars en de informatieverstrekking door de zorginstelling met betrekking tot een opname van de cliënt in de Boumankliniek.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door de cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van de cliënt op het volgende neer.

Als gevolg van een scooterongeluk lijdt de cliënt aan de chronische aandoening scapula winging, een beschadigde zenuw, waardoor hij veel pijnklachten heeft. Voor pijnbestrijding gebruikt hij al enige jaren onder meer het verslavende medicijn diazepam. Voor het onder begeleiding afbouwen van dit medicijn heeft de cliënt een hulpvraag neergelegd bij de Boumankliniek, onderdeel van Antes. Op 12 september 2016 heeft hij een intakegesprek gehad ter voorbereiding op een opname bij deze kliniek. Voorafgaand aan het intakegesprek heeft de moeder van de cliënt contact opgenomen met
[psychiater], om te bespreken of de cliënt in verband met zijn chronische aandoening wel behandeld kon worden. [Psychiater] was bij het intakegesprek aanwezig om de cliënt advies te kunnen geven en zij heeft toegezegd dat voorafgaande aan de behandeling contact zou worden gezocht met een orthopeed van het IJsselland ziekenhuis om te bezien op welk ander pijnbestrijdend medicijn de cliënt zou kunnen overstappen.
Er zou een tweede intakegesprek met [de behandelaar] worden ingepland voordat de cliënt op 24 oktober 2016 zou worden opgenomen, maar de cliënt werd daarover, zelfs na herhaaldelijk contact te hebben gezocht met de kliniek, niet geïnformeerd. Ook de moeder van de cliënt heeft vergeefs getracht te achterhalen of en wanneer de cliënt op gesprek kon komen. De cliënt leed psychisch onder deze onzekerheid en als gevolg van de stress ondervond hij meer pijnklachten. Uiteindelijk werd de cliënt met spoed ingepland voor een intakegesprek op 20 oktober 2016. Omdat [de behandelaar] toen niet aanwezig was, nam [vervangend behandelaar] voor haar waar. Hem was niets bekend over de afspraak dat voorafgaande aan de opname contact zou worden gezocht met een orthopeed en het verzoek van de cliënt om met spoed alsnog een afspraak op de polikliniek van het ziekenhuis te maken, wees hij van de hand. De cliënt heeft vervolgens in een gesprek met de [directeur behandelzaken] te horen gekregen dat [de psychiater] de toezegging niet had mogen doen. Slechts indien tijdens de opname bij de cliënt pijnen zouden ontstaan, kon er direct contact gezocht worden met een orthopeed. Omdat de cliënt als gevolg hiervan het vertrouwen in de Boumankliniek is kwijtgeraakt, heeft hij afgezien van een opname.  

Op 25 oktober 2016 heeft de cliënt zijn klacht over het niet-nakomen van de gedane toezegging, alsmede over de gang van zaken ten aanzien van de uitnodiging voor het tweede intakegesprek, voorgelegd aan de klachtencommissie van de zorginstelling. De klachtencommissie heeft de klacht op 6 januari 2017 gegrond verklaard, in die zin dat zij van oordeel is dat sprake is van gebrekkige communicatie tussen de Boumankliniek en de cliënt, omdat ten onrechte in de behandelovereenkomst is opgenomen dat er een samenwerking wordt aangegaan met een orthopeed, als dit niet gegarandeerd kan worden. Voorts is naar het oordeel van de klachtencommissie sprake van een gebrekkige communicatie tussen de behandelaar en de cliënt voorafgaand aan de opname, hetgeen onder verantwoordelijkheid van de behandelaar valt. De raad van bestuur van de zorginstelling heeft de klachtencommissie in haar uitspraak gevolgd en heeft de cliënt laten weten aandacht te besteden aan de wijze van communicatie binnen de organisatie.
Op 16 februari 2017 heeft de raad van bestuur een schikkingsvoorstel van € 352,50 (inclusief griffierecht) aan de cliënt gedaan, dat de cliënt op 1 maart 2017 heeft afgewezen.

De cliënt verzoekt de commissie thans zijn klacht jegens de zorginstelling gegrond te verklaren en hem ten laste van de zorginstelling een vergoeding van € 5.000,– totaal toe te kennen.
Naast materiële schade ter hoogte van € 341,60 aan onder meer reis- en telefoonkosten, heeft de cliënt naar zijn zeggen immateriële schade geleden, omdat hij als gevolg van stress en onzekerheid aan meer pijnen leed, niet kon slapen en angstiger werd. De cliënt verzoekt de commissie de hoogte van de immateriële schade vast te stellen op € 4.658,40. 

Ter zitting heeft de cliënt zijn klacht toegelicht. Het vertrouwen in de Boumankliniek is weg en de drempel om naar een andere kliniek te gaan, is hoog. Mede hierdoor is de situatie van de cliënt tot op heden ongewijzigd gebleven. Een op eigen initiatief ondergane behandeling bij de pijnpoli heeft niet mogen baten, maar door de dagelijkse zenuwpijnen kan de cliënt niet meedraaien in de maatschappij en is zijn toekomstbeeld onzeker. Deze gevolgen schrijft de cliënt toe aan het niet leveren van de juiste zorg door de zorginstelling.

Standpunt van de zorginstelling

Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorginstelling op het volgende neer.

De zorginstelling meent dat [de psychiater] niet heeft toegezegd dat voorafgaand aan de opname van de cliënt contact zou worden opgenomen met een orthopeed van het IJsselland ziekenhuis. Dit is immers volgens de zorginstelling niet mogelijk in de fase dat de behandeling nog niet is gestart, omdat de kliniek de cliënt dan nog onvoldoende kent. De zorginstelling stelt zich op het standpunt dat [de psychiater] cliënt slechts heeft laten weten dat een tweede intakegesprek diende plaats te vinden met de behandelaar, om de verwachtingen van de cliënt over zijn behandeling af te stemmen.

De zorginstelling is voorts van mening dat het standpunt om niet reeds voorafgaande aan de opname contact op te nemen met de orthopeed, niet onzorgvuldig of onrechtmatig is. Dit geldt ook ten aanzien van het aanbod dat de [vervangend behandelaar] tijdens het informatiegesprek op 19 oktober 2016 volgens de zorginstelling heeft gedaan, te weten de diazepam pas afbouwen na een consult met de orthopeed tijdens de opname.

De zorginstelling verzoekt de commissie de klacht van de cliënt met betrekking tot de al dan niet gedane toezegging ongegrond te verklaren.
Wel erkent de zorginstelling dat de uitnodiging van het tweede intakegesprek te lang op zich heeft laten wachten en betreurt zij de herhaalde pogingen van de cliënt en zijn moeder om hierover (vergeefs) in contact te komen met de kliniek. Het is immers aan de zorginstelling om hierover duidelijkheid te verschaffen.

De zorginstelling betwist ten slotte aansprakelijkheid ten aanzien van de gestelde materiële en immateriële schadeposten en betwist gehouden te zijn tot vergoeding van de gevraagde schadevergoeding. Zij acht de schadeposten niet reëel dan wel buitenproportioneel hoog en ziet geen relatie met de feitelijke gang van zaken.

Ter zitting heeft de zorginstelling haar standpunt herhaald.  

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op de gedragingen van de behandelaars, in die zin dat toezeggingen aan de cliënt zouden zijn gedaan die niet werden nagekomen, overweegt de commissie het volgende.
De cliënt heeft een intakegesprek gehad bij de Boumankliniek om het gebruik van het verslavende medicijn diazepam onder begeleiding te kunnen afbouwen.
Omdat de cliënt lijdt aan een chronische aandoening die veel pijn veroorzaakt, wenste hij dat de mogelijkheid om een ander pijnbestrijdend medicijn te kunnen gebruiken, zou worden afgestemd met een orthopeed. Tijdens het eerste intakegesprek op 12 september 2016 heeft [de psychiater] volgens de cliënt de toezegging gedaan dat voorafgaand aan de behandeling contact zou worden gezocht met een orthopeed van het IJsselland ziekenhuis. Hoewel de commissie niet kan vaststellen wat de exacte bewoordingen waren die [de psychiater] heeft gebruikt, kan uit de uitlating van de directeur behandelzaken, namelijk dat [de psychiater] de toezegging niet had mogen doen, worden afgeleid dat de toezegging daadwerkelijk is gedaan. Voorts is in de behandelovereenkomst d.d. 12 september 2016 onder meer het volgende vastgelegd: “er is tijdens de opname samenwerking met een orthopeed IJsselland ziekenhuis om de behandelingen te laten aansluiten”. Ook hiermee is op zijn minst de suggestie gewekt dat in een vroeg stadium contact zou worden gezocht met een orthopeed en niet eerst nadat pijnklachten bij de cliënt zijn opgetreden, zoals de directeur behandelzaken naderhand aan de cliënt heeft medegedeeld.

Op grond van het voorgaande stelt de commissie vast dat sprake is van een discrepantie tussen enerzijds de mondeling gedane toezegging en hetgeen schriftelijk in de behandelovereenkomst is neergelegd en anderzijds de uitvoering hiervan, omdat aan deze toezegging geen uitvoering is gegeven. Dat voorafgaand aan de behandeling, dan wel (in een vroeg stadium) tijdens de behandeling een samenwerking met een orthopeed zou worden aangegaan, had niet aan de cliënt mogen worden medegedeeld als dit niet gegarandeerd kon worden.
Aldus is de commissie van oordeel dat sprake is van gebrekkige communicatie van de behandelaars jegens de cliënt en verklaart zij de klacht van de cliënt op dit punt gegrond.

Ten aanzien van de uitnodiging voor het tweede intakegesprek heeft de zorginstelling erkend onvoldoende voortvarend te hebben gehandeld, waardoor de cliënt langere tijd onnodig in onzekerheid heeft moeten verkeren. Nu de communicatie tussen de kliniek en de cliënt niet goed is verlopen, terwijl dit onder de verantwoordelijkheid van de kliniek valt, is de commissie van oordeel dat ook dit klachtonderdeel gegrond is.

Ten slotte dient de commissie zich uit te spreken of de cliënt hierdoor schade heeft geleden en of die schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Het gevorderde bedrag aan materiële schade, € 341,60, acht de commissie niet voor toewijzing vatbaar, omdat de gevorderde kosten verband houden met de intakeprocedure en dergelijke kosten voor rekening komen van de cliënt.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding geldt het volgende. Het toekennen van een vergoeding is mogelijk indien er geestelijk letsel is dat kan worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. De commissie acht voldoende aannemelijk dat de cliënt gezien zijn ziektebeeld méér dan een gemiddeld persoon psychisch heeft geleden onder de gebrekkige communicatie en de daaruit voortvloeiende onzekerheid omtrent zijn behandeling. Daarnaast heeft stress bij de cliënt tot meer pijnklachten geleid. Aldus ligt een vergoeding van immateriële schade in de rede. De commissie acht evenwel niet het gehele gevorderde bedrag van € 4.658,40 voor toewijzing vatbaar, maar zal naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het bedrag vaststellen op € 500,–.

Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard, ziet de commissie voorts aanleiding de zorginstelling te veroordelen tot vergoeding aan de cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht van de cliënt gegrond.

bepaalt dat de zorginstelling aan de cliënt een bedrag van € 500,– aan immateriële schadevergoeding dient te betalen, en dat die betaling binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies plaatsvindt;

bepaalt dat de zorginstelling overeenkomstig het reglement van de commissie aan de cliënt het klachtengeld ten bedrage van € 52,50 dient te vergoeden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist op 12 september 2017 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.