Geen behandelingsovereenkomst met zorgaanbieder tot stand gekomen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 18039/24720

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster vindt dat de zorgaanbieder, door het niet in behandeling nemen van de klaagster, onzorgvuldig heeft gehandeld. De zorgaanbieder kreeg een verwijzing van de huisarts van klaagster met de vraag of er sprake was van een verdikte hartspier. Bij zo een verwijzing vindt er eerst triage plaats door een cardioloog. Na triage bleek dat de klaagster onterecht was doorverwezen, omdat er geen sprake was van een complex of academisch hartprobleem. Dit is binnen twee werkdagen doorgegeven aan de huisarts. Volgens de commissie is er geen behandelingsovereenkomst tussen de klaagster en de zorgaanbieder tot stand gekomen, aangezien de zorgaanbieder het verzoek om klaagster in behandeling te nemen heeft afgewezen en heeft terugverwezen naar de huisarts. De huisarts is de hoofdbehandelaar en had na de afwijzing de klaagster direct hierover moeten informeren en naar een ander ziekenhuis moeten verwijzen. Dat de huisarts dit heeft nagelaten, kan de zorgaanbieder niet toegerekend worden.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Naam klaagster], wonende te [woonplaats]

en

Academisch Ziekenhuis Groningen, gevestigd te Groningen (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Partijen hebben aan de commissie medegedeeld dat zij geen mondelinge behandeling wensen. Aan partijen is op 30 april 2020 bericht dat de commissie op 15 mei 2020 zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft onzorgvuldig handelen door zorgaanbieder door klaagster niet in behandeling te nemen en daardoor geleden schade.

Klaagster vordert (materiële) schadevergoeding van € 385,– bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering van klaagster en vier maanden looncompensatie van € 2.300,– per maand bruto (exclusief reiskosten naar en van het Ommelander Ziekenhuis en exclusief rente).

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.  In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klaagster is op 2 augustus 2018 door haar huisarts via Zorgdomein verwezen naar de zorgaanbieder voor het maken van een hartecho. Klaagster ontving echter geen uitnodiging van de zorgaanbieder voor het maken van de hartecho en heeft contact opgenomen met haar huisarts. De huisarts heeft haar medegedeeld dat de zorgaanbieder van mening was dat de resultaten van het ECG onvoldoende aanleiding gaven voor nader onderzoek. Klaagster is vervolgens op haar verzoek verwezen naar het Ommelander Ziekenhuis. In het Ommelander Ziekenhuis had klaagster op 6 september 2018 een afspraak voor het maken van een hartecho en een afspraak met een cardioloog. Volgens klaagster is ze op die dag wegens een zeer hoge bloeddruk direct verwezen naar de spoedpoli en was er sprake van een acute opname. Volgens klaagster heeft ze door het handelen van de zorgaanbieder te lang moeten wachten op een afspraak voor het maken van de hartecho en moest ze daardoor direct worden opgenomen in het Ommelander Ziekenhuis. Klaagster heeft langer doorgewerkt met de bestaande klachten en daardoor was de herstelperiode langer dan verwacht. Naast het eigen risico van € 385,– dient de zorgaanbieder vier maanden brutoloon van € 2.300,– te vergoeden. Klaagster heeft aangevoerd vier maanden uit de roulatie te zijn geweest wegens het feit dat ze niet goed reageerde op bepaalde medicatie.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De huisarts heeft verwezen naar de zorgaanbieder via Zorgdomein met de vraagstelling of er sprake was van een verdikte hartspier. Bij een dergelijke verwijzing vindt er eerst triage plaats door een cardioloog. Na triage bleek klaagster niet terecht te zijn doorverwezen naar de zorgaanbieder, aangezien er geen sprake was van een complex en/of academisch hartprobleem. Dit is binnen twee werkdagen telefonisch doorgegeven aan de huisarts, met het advies om klaagster te verwijzen naar een regionaal ziekenhuis. De zorgaanbieder heeft erop gewezen dat hij nooit een behandelrelatie met klaagster heeft gehad. De huisarts was de hoofdbehandelaar en had de regie.

Uit de bij de commissie ingediende klacht heeft de zorgaanbieder opgemaakt dat klaagster het eigen risico van de zorgverzekering graag vergoed wil zien door de zorgaanbieder. Bij brief van 25 februari 2020 heeft de zorgaanbieder klaagster uit coulance aangeboden deze kosten te vergoeden. Klaagster heeft dit aanbod afgewezen, want zij wenst dat ook de kosten van gederfde inkomsten door de zorgaanbieder worden vergoed. De zorgaanbieder heeft verklaard niet in te zien waarom hij verantwoordelijk is voor de derving van inkomsten als gevolg van het niet goed reageren op medicatie die is voorgeschreven door een ander ziekenhuis.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende beoordelingskader. De commissie heeft tot taak alle geschillen tussen cliënt en ziekenhuis te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van gesloten behandelingsovereenkomsten.  Er dient sprake te zijn van een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW) tussen in dit geval klaagster en de zorgaanbieder.
De commissie is van oordeel dat er geen behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de zorgaanbieder tot stand is gekomen, nu de zorgaanbieder het verzoek om klaagster in behandeling te nemen na triage heeft afgewezen en klaagster heeft ‘terugverwezen’ naar de huisarts.

Vraag die dan nog moet worden beantwoord is of de zorgaanbieder dit besluit mocht nemen en er op terechte gronden geen behandelingsovereenkomst tussen klaagster en de zorgaanbieder tot stand is gekomen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op grond van de verwijscriteria van de zorgaanbieder die in het verwijssysteem Zorgdomein zijn vermeld, het verzoek tot behandeling van klaagster mocht afwijzen. De huisarts heeft niet conform de verwijscriteria van de zorgaanbieder verwezen. De commissie concludeert dat de triage-cardioloog conform regelgeving binnen twee (werk)dagen telefonisch contact met de huisarts heeft opgenomen. De huisarts is hoofdbehandelaar (gebleven) en had na het telefonisch contact met de
triage-cardioloog klaagster over de afwijzing moeten informeren en in overleg met klaagster haar naar een ander ziekenhuis moeten verwijzen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Vordering tot schadevergoeding

Klaagster verzoekt de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding van schade.

Voor een aanspraak op schadevergoeding is vereist dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.
Reeds nu uit voorgaande blijkt dat er geen behandelingsovereenkomst tot stand is gekomen, zal ook de vordering tot vergoeding van schade worden afgewezen.

Op grond van vorenstaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is en dat de vordering moet worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van klaagster ongegrond en wijst de vordering af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer prof. dr. J.W. Deckers, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 15 mei 2020.