Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: Diagnose
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
942855/1085151
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een cliënt die klaagt dat bij haar verkeerde diagnoses zijn gesteld, namelijk een verstandelijke beperking en een psychose. Zij stelt dat zij hierdoor schade heeft geleden en vraagt om een schadevergoeding. De zorgaanbieder geeft aan dat de diagnose verstandelijke beperking nooit is gesteld en dat de diagnose psychose zorgvuldig is vastgesteld door meerdere psychiaters. De Geschillencommissie oordeelt dat niet is bewezen dat er verkeerde diagnoses zijn gesteld. Volgens de commissie is er zorgvuldig en volgens de professionele regels gehandeld. Daarom is de klacht ongegrond en wordt de schadevergoeding afgewezen.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
GGzE, gevestigd te Eindhoven
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de klacht dat bij de cliënt verkeerde diagnoses zijn gesteld.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bij de cliënt zijn onjuiste diagnoses gesteld, namelijk de diagnose verstandelijke beperking en de diagnose psychose. Hierdoor heeft de cliënt schade geleden. De cliënt vordert een schadevergoeding van
€ 25.000,–.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De diagnose verstandelijke beperking heeft de zorgaanbieder nooit gesteld.
Ten aanzien van de diagnose psychose merkt de zorgaanbieder op dat de cliënt op 8 augustus 2022 is gezien door de crisisdienst van de zorgaanbieder. De reden hiervoor waren toenemende psychotische symptomen. De psychiater concludeerde destijds dat er sprake was van een eerste paranoid psychotische episode en adviseerde opname met crisismaatregel op de psychiatrische afdeling (hierna te noemen: PAAZ) van het [naam andere aanbieder].
De cliënt is opgenomen met een crisismaatregel op de PAAZ in de periode van 24 augustus 2022 tot 19 september 2022. De psychiater daar onderschrijft de conclusie en voegt in zijn ontslagbrief de volgende – onder andere bij psychose passende – kenmerken uit het psychiatrische onderzoek toe: “Patiënte heeft geen ziektebesef of -inzicht. Patiënte wijst behandeling af. De intelligentie wordt geschat op gemiddeld. Er is een gestoord realiteitsbesef. Er zijn géén stoornissen in normbesef of decorumbesef. De executieve functies zijn intact. De waarneming wordt verstoord door akoestische hallucinaties – het realiteitsbesef is gestoord en patiënt heeft een preoccupatie met de hallucinaties.”
Op verschillende momenten, in verschillende fasen van de behandeling klinisch en ambulant is de cliënt gezien door verschillende psychiaters (zowel van de zorgaanbieder als van het [naam andere aanbieder]), welke allen de diagnose psychose bevestigen. De zorgaanbieder concludeert dan ook dat deze diagnose zorgvuldig tot stand is gekomen en verzoekt tot ongegrondverklaring van de klacht en afwijzing van de schadevordering.
Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.
Wat aan het geschil vooraf is gegaan
Bij beslissing van 25 augustus 2025 heeft de commissie de cliënt ontvankelijk verklaard in haar klacht, voor zover deze betrekking heeft op het verwijt dat de zorgaanbieder bij haar onjuiste diagnoses heeft gesteld.
Aan de commissie ligt dan ook ter beantwoording voor de vraag of de zorgaanbieder bij de cliënt onjuiste diagnoses heeft gesteld (verstandelijke beperking en psychose).
Beoordeling
De commissie stelt op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken vast dat niet is gebleken dat de zorgaanbieder onjuiste diagnoses bij de cliënt heeft gesteld.
Ten aanzien van de diagnose verstandelijke beperking overweegt de commissie dat de zorgaanbieder gemotiveerd heeft betwist dat deze diagnose bij de cliënt is gesteld. De cliënt heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze diagnose zou zijn gesteld, wanneer noch door wie. Nu een nadere onderbouwing ontbreekt, kan de commissie niet vaststellen dat de zorgaanbieder deze diagnose heeft gesteld.
Met betrekking tot de diagnose psychose is de commissie van oordeel dat deze diagnose in overeenstemming met de geldende professionele standaard tot stand is gekomen. Daarbij neemt de commissie in aanmerking dat de diagnose is gebaseerd op zorgvuldig verricht onderzoek en dat deze op meerdere momenten door verschillende psychiaters is bevestigd. De commissie ziet geen aanleiding om te concluderen dat deze diagnose onjuist is. De cliënt heeft haar standpunt hieromtrent verder onvoldoende concreet toegelicht en niet nader onderbouwd.
De commissie komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat van het stellen van onjuiste diagnoses door de zorgaanbieder niet is gebleken en dat de zorgaanbieder heeft gehandeld conform de professionele standaard. Nu geen sprake is van onzorgvuldig handelen, dient de vordering tot schadevordering te worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard en de vordering tot schadevergoeding worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw mr. H.E.L. Loeffen, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 16 januari 2026