Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Diagnose
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1318970/1327781
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Dit geschil gaat over de vraag of het ziekenhuis de eierstokkanker van de overleden patiënte eerder had moeten ontdekken. De nabestaande vindt dat artsen signalen zoals buikklachten, pijn en afwijkende uitslagen niet goed hebben gecombineerd en daardoor te laat onderzoek hebben gedaan. Het ziekenhuis stelt dat de klachten en uitslagen op dat moment geen duidelijke aanwijzing voor kanker gaven en dat volgens de regels is gehandeld. De commissie oordeelt dat de signalen niet duidelijk genoeg waren om eerder onderzoek naar eierstokkanker te doen en dat de artsen hebben gehandeld zoals van goede zorgverleners mag worden verwacht. De klacht wordt daarom ongegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: klager)nabestaande van [naam], (hierna te noemen: cliënte)
en
Stichting Ziekenhuis Amstelland, gevestigd te Amstelveen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De klacht betreft het niet tijdig onderkennen van eierstokkanker.
Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Cliënte was sinds eind 2023 onder behandeling bij meerdere specialisten in het ziekenhuis, waaronder een gynaecoloog, internist, orthopeed, cardioloog, neuroloog en de pijnpoli. Ondanks langdurige en toenemende klachten (zoals gewichtstoename, buikklachten, bloedverlies en verminderde eetlust) werd geen samenhang gezien tussen deze klachten en geen onderzoek gedaan naar mogelijke eierstokkanker.
De gynaecoloog legde uitsluitend de focus op haar eigen vakgebied en liet na om, ondanks risicofactoren en klachten, onderzoek te doen naar eierstokkanker, terwijl dit relatief eenvoudig via bloedonderzoek had gekund. Ook andere artsen zijn nalatig geweest doordat zij uitsluitend naar hun eigen specialisme hebben gekeken en signalen uit andere onderzoeken (zoals scans en bloedonderzoeken) niet combineerden tot één totaalbeeld. Hierdoor is volgens klager een tijdige diagnose gemist, wat de overlevingskans van cliënte aanzienlijk had kunnen vergroten.
Op een MRI scan die in januari 2024 is gemaakt was een klein spoortje ascites gevonden. In juni 2024 was er sprake van licht verhoogde trombocyten. Daarnaast had cliënte vaginale zenuwpijn. Deze signalen hadden in samenhang bezien voor de betrokken artsen aanleiding moeten zijn om nader onderzoek te doen.
Vanwege verergering van klachten heeft cliënte getracht eerder een afspraak te maken bij de gynaecoloog. Zij kon niet direct geholpen worden en zou op de wachtlijst worden gezet. Daarop is cliënte uitgeweken naar een ander ziekenhuis, waar binnen korte tijd werd vastgesteld dat er sprake was van vergevorderde eierstokkanker. Cliënte overleed op 27 januari 2025 aan deze ziekte.
Klager vraagt van de zorgaanbieder dat hij erkent dat er fouten/nalatigheden zijn geweest in de diagnose en de behandeling van cliënte.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Klager heeft op 10 juni 2025 een klacht met grotendeels dezelfde onderdelen ingediend bij de klachtenadviescommissie van het ziekenhuis. De Raad van Bestuur heeft op 17 november 2025 het advies overgenomen en de klacht ongegrond verklaard.
Cliënte had sinds 2023 diverse pijnklachten en stond onder behandeling bij meerdere specialisten. Op de
MRI die, op aanvraag van de neuroloog, in januari 2024 is gemaakt zag de radioloog een geringe hoeveelheid vocht, wat vaker voorkomt en niet alarmerend is. Nadat klager zijn klacht aan de zorgaanbieder had voorgelegd is een herbeoordeling van deze MRI-scan gemaakt. Bij deze herbeoordeling werden geen afwijkingen aan baarmoeder/eierstokken gevonden.
Klager stelt dat er geen verband is gelegd tussen zenuwpijn (nervus genitofemoralis) en mogelijke tumor. MRI’s en neurologisch onderzoek lieten geen afwijkingen zien. Neuropathie was slechts een mogelijke diagnose, maar is niet vastgesteld.
Klager verwijt de behandeld arts dat er geen vervolgonderzoek is gedaan naar de verhoogde trombocyten. De internist-hematoloog heeft aangegeven dat de waarde licht was verhoogd (416), maar binnen de kritische marge lag. Een rode markering in een lab uitslag betekent niet automatisch urgentie. Omdat cliënte een schildklieraandoening had werd ervan uitgegaan dat de verhoging van de trombocytenwaarde verband hield met de verhoogde schildklierhormoonwaarde. Omdat er geen sprake was van andere symptomen lag het niet in de rede om verdere onderzoeken te uitvoeren.
Cliënte is door de huisarts verwezen naar de gynaecoloog op verdenking van een verzakking. Het betreft hier een nieuwe aandoening waarvoor een nieuw zorgtraject in gang moest worden gezet. Vanwege de wachttijd is cliënte geadviseerd om naar een andere zorgaanbieder te gaan.
De klachtencommissie heeft aangegeven dat bij de triage eerdere klachten van cliënte meer betrokken hadden kunnen worden en dat het wenselijk was geweest aan cliënte een betere uitleg te geven over het starten van een nieuw zorgtraject. De zorgaanbieder heeft het advies van de klachtencommissie om de triage en communicatie bij nieuwe klachten van bestaande patiënten te verbeteren overgenomen.
Beoordeling van het geschil
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie zal de klacht van klager beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.
Ter zitting heeft klager zijn klacht nader toegelicht. Er is sprake geweest van een tunnelvisie van de behandelend artsen. Als de signalen die er waren, te weten de langdurige pijnklachten in combinatie met een nervus genitofemoralis, verhoogde trombocytenwaarde en het spoortje ascites dat op de MRI zichtbaar was, in onderling verband waren bezien, was de eierstokkanker wellicht eerder opgemerkt en had cliënte wellicht nog een kans op behandeling gehad. Nu werd de kanker in een vergevorderd stadium in een ander ziekenhuis met een eenvoudige bloedtest opgemerkt en was behandeling gericht op herstel niet meer mogelijk.
De zorgaanbieder betreurt het dat in een ander ziekenhuis de kanker is vastgesteld. Vanwege de verwijzing van de huisarts dat er sprake was van een verzakking, en er dus sprake was van een nieuw zorgtraject, is cliënte op een wachtlijst gezet. Als er een indicatie was geweest dat direct nader onderzoek vergt, is er binnen de diverse specialismen sprake van hele korte lijnen en was cliënte direct gezien.
Naar aanleiding van de klacht is een herbeoordeling gemaakt van de MRI en zijn er opnieuw geen afwijkingen aan baarmoeder/eierstokken gevonden.
De commissie overweegt als volgt.
De commissie heeft vastgesteld dat de neuroloog een MRI heeft aangevraagd vanwege de liesklachten die cliënte al ruim zeven jaar had. Bij de beoordeling van de MRI is een spoortje ascites gezien maar is daarbij niet uitgegaan van een kwaadaardig tumor.
De commissie is er ambtshalve mee bekend dat uit onderzoek is gebleken dat bij 17% van de vrouwen sprake is van een spoortje ascites in de buik. De enkele omstandigheid dat er sprake is van een weinig vocht in de buik vormt in zijn algemeenheid geen aanleiding tot het verrichten van nader onderzoek nu er geen sprake was van andere klachten behalve de pijn aan de liezen, die leek op spierpijn.
Voorts heeft de commissie vastgesteld dat er sprake was van een marginale verhoging van de trombocytenwaarde in juni 2024. Deze waarde was niet alarmerend en derhalve geen reden om nader onderzoek uit te voeren mede gezien het feit dat cliënte schildklierproblemen had.
Eierstokkanker is een “silent” killer, die pas wordt opgemerkt als er klachten zijn. Er is geen goede screeningsmethode om deze vorm van kanker in een vroeger stadium te vinden.
De commissie is van oordeel dat de door klager aangevoerde signalen in samenhang bezien niet direct wezen op afwijkingen aan baarmoeder en of eierstokken. Niet kan worden vastgesteld dat de zorgaanbieder nalatig is geweest door niet in een vroeger stadium onderzoek te doen naar eierstokkanker.
De commissie komt tot het oordeel dat de behandelend artsen hebben gehandeld, zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in gelijke omstandigheden zou hebben gehandeld.
De klacht zal ongegrond worden verklaard.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. R.I. Lalisang, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 8 april 2026.