Geen recht op incassokosten wegens ontbreken handelsovereenkomst

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Commissie    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 337704/415153

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument vorderde €40 aan incassokosten van de ondernemer, omdat een bedrag van €332,92 pas na vijf maanden en acht aanmaningen werd terugbetaald. Volgens artikel 6:96 lid 4 BW is dit bedrag automatisch verschuldigd bij handelsovereenkomsten. De ondernemer gaf tijdens de mondelinge behandeling aan niet te hebben betaald uit “nieuwsgierigheid” over zijn verplichtingen.

De commissie oordeelde dat de consument het auto-onderdeel voor privégebruik had gekocht en dus niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Hierdoor is geen sprake van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW. Omdat de wettelijke grondslag voor de incassokosten ontbreekt, werd de klacht ongegrond verklaard. Wel stelde de commissie vast dat het betalingsgedrag van de ondernemer onder de maat was.

De volledige uitspraak

Bindend Advies
Geschillencommissie Thuiswinkel

Onderwerp van het geschil
Vordering van de consument van € 40,– incassokosten bij de ondernemer op basis van art. 6:96 lid 4 BW afgewezen, omdat er geen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in art. 6:119a BW.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument had recht op de teruggave van een bedrag van € 332,92 dat door de ondernemer pas is terugbetaald na vijf maanden en acht aanmaningen.
Volgens art. 6:96 lid 4 BW mag de consument, als het een bedrijf betreft, na 30 dagen automatisch
€ 40,– euro aanmaningskosten in rekening brengen. Het is niet vereist dat de vordering is overgedragen aan een incassobedrijf.

Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer is tot de mondelinge behandeling onduidelijk geweest, omdat hij slechts één stuk heeft ingebracht dat een andere naam bevatte dan de naam van de consument.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ondernemer verklaard niet te hebben betaald, omdat hij “nieuwsgierig” is of hij daartoe wel kan worden verplicht.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie stelt voorop dat het betalingsgedrag van de ondernemer jegens de consument ver onder de maat is geweest en dat het niet onbegrijpelijk is dat dit tot de klacht heeft geleid.

Thans moet echter worden nagegaan of de consument op het bedrag van € 40,– aanspraak kan maken.

Art. 6:96 lid 4 BW luidt als volgt:

“ in geval van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 119 a lid 1 of artikel 119 b lid 1 bestaat de vergoeding van kosten bedoeld in lid 2 onder c uit ten minste een bedrag van € 40. Dit bedrag is zonder aanmaning verschuldigd vanaf de dag volgende op de dag waarop de wettelijke of overeengekomen uiterste dag van betaling is verstreken. Hiervan kan niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken.”

Het dient dus te gaan om een handelsovereenkomst. Volgens art 6:119a BW wordt onder handelsovereenkomst verstaan:

“ ….. de overeenkomst om baat die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen In de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen.”

De tussen de consument en de ondernemer gesloten overeenkomst betrof de levering van onderdelen voor de auto van de consument, die de consument in privé-eigendom heeft. Dat laatste is desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling door de ondernemer medegedeeld.
Hiervan uitgaande (de consument is niet verschenen en heeft het dus niet weersproken) is er geen sprake van een handelsovereenkomst aangezien de consument niet handelde in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Om die reden is de grondslag aan de vordering van de consument (art. 6:96 lid 4 BW) komen te ontvallen en zal de klacht ongegrond worden verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Thuiswinkel, bestaande uit de heer mr. E.D. Rentema, voorzitter, mevrouw A. van Heeringen, de heer mr. B.W. Weilers , leden, op 16 oktober 2024.

 

 

Opslaan als PDF