Geen sprake van toerekenbare tekortkoming bij klacht na neuscorrectie

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 2691/19134

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte heeft een neuscorrectie ondergaan bij de zorgaanbieder en is niet tevreden met het resultaat. Ze heeft blijvende klachten aan de operatie overgehouden. De cliënte stelt dat de zorgaanbieder heeft aangegeven niets te kunnen doen. De zorgaanbieder wil het door cliënte betaalde bedrag niet terugbetalen. De cliënte is namelijk niet verschenen op één van de vervolgafspraken en ze heeft de klacht pas drie jaar na de operatie gemeld tijdens een consult met een KNO-arts. Volgens de commissie is er geen sprake van een toerekenbare tekortkoming. Ook is er geen sprake van schending van de zorgplicht door de aanbieder. Er is een jaar na de operatie een controle ingepland, maar de cliënte is niet verschenen. Daarnaast is een second en een third opinion aangeboden, alsook een correctie tegen een gereduceerd tarief. Hiermee heeft de zorgaanbieder de zorg van een redelijk bekwaam en handelend hulpverlener uitgeoefend.

Volledige uitspraak

In het geschil:
[Naam cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Park Kliniek & Medisch Centrum, gevestigd te Rotterdam (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling is geagendeerd voor 22 mei 2020 en heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 29 mei 2020 via een telefoongesprek met uitsluitend de commissieleden.

Partijen zijn vanwege de maatregelen inzake Covid-19 (het coronavirus) niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft een door de zorgaanbieder bij de cliënte uitgevoerde neuscorrectie.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft op 31 augustus 2016 een neuscorrectie ondergaan bij de zorgaanbieder. Na de operatie had de cliënte, zo begrijpt de commissie uit haar formulier althans, last van een trekgevoel en een loopneus aan de rechterkant van de neus. Recentelijk is de cliënte nog bij de zorgaanbieder geweest omdat de klachten haar belemmeren in haar dagelijks leven en daar werd haar door de zorgaanbieder medegedeeld dat aan de klachten niets te doen was. De cliënte vordert terugbetaling van het door haar voor de ingreep betaalde bedrag ad €3.500,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De operatie vond plaats op 31 augustus 2016 door [naam arts], die thans met pensioen is. Het OK-rapport laat geen bijzonderheden zien en ook het postoperatieve verloop lijkt ongecompliceerd te zijn. De zorgaanbieder heeft erop gewezen dat zij een inspanningsverplichting heeft om een bepaald resultaat te bereiken en geen resultaatsverplichting. Daaraan is voldaan.
Na de operatie vond op 14 september 2016 een controle plaats. Daar bleek enkel van een zwelling sprake te zijn. De basisvorm van de neus was toen goed. Cliënte verscheen zonder opgaaf van reden niet op de vervolgafspraak van 21 juni 2017.

De cliënte heeft vervolgens op 28 augustus 2017 een bericht achtergelaten op de website van de zorgaanbieder, in welk bericht zij haar ongenoegen heeft geuit over de in 2016 verrichte operatie. Daarop heeft de zorgaanbieder een second opinion aangeboden bij [naam plastisch chirurg]. Tijdens dit consult dat plaatsvond op 10 oktober 2017 is aangeboden is om een correctie uit te voeren tegen betaling van een gereduceerd tarief van €1.000,– om de punt van de neus van de cliënte nog scherper te maken alsook een third opinion aan te vragen bij [naam KNO-arts]. De cliënte heeft vervolgens niets meer van zich laten horen tot 23 april 2019. Op 13 juni 2019 had cliënte een gesprek met [naam KNO-arts], gespecialiseerd in neuscorrecties. Tijdens dit gesprek maakte de cliënte voor het eerst melding van de omstandigheid dat zij aan één kant last heeft van een ‘natte neus’ sinds de operatie. [Naam KNO-arts] heeft de cliënte de neusspray nasonex voorgeschreven en noteerde dat de cliënte een correctie wil laten doen in Turkije en dat de behandeling bij de zorgaanbieder was beëindigd.

Op 18 oktober 2019 vond nog een gesprek plaats tussen de zorgaanbieder en cliënte. Gemeld is dat het uitvoeren van een correctie nog steeds mogelijk is. Het is voor de zorgaanbieder onduidelijk gebleven of cliënte dat wil of dat zij dit al heeft laten doen in Turkije. Ook is onduidelijk gebleven of de voorgeschreven neusspray verlichting van de klachten heeft gegeven. De zorgaanbieder wil het door cliënte betaalde bedrag niet terugbetalen. De redenen daarvoor zijn dat cliënte niet is verschenen op één van de vervolgafspraken, zij de klacht niet heeft gemeld bij de chirurgen en de klacht bovendien pas drie jaar na dato door cliënte is gemeld tijdens een consult met een KNO-arts.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Cliënte en de zorgaanbieder hebben met elkaar een overeenkomst gesloten voor het verrichten van een neuscorrectie. Deze overeenkomst kwalificeert als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naar hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is om een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Uit de overgelegde stukken volgt dat de neuscorrectie plaatsvond op 31 augustus 2016 en is uitgevoerd door [naam arts]. Uit de aantekeningen van de controle op 14 september 2016 blijkt dat het er goed uitziet, de basisvorm goed is, de passage prima en dat er nog wel wat zwelling is, waarbij aan cliënte is uitgelegd dat de zwelling nog enkele maanden kan duren.
Dit is niet betwist door de cliënte. Op een vervolgafspraak die gepland stond op 21 juni 2017 is de cliënte zonder bericht niet verschenen. Ook dit is niet betwist door de cliënte. Nadat de cliënte melding had gemaakt niet tevreden te zijn met het resultaat, voor het eerst op de website van de zorgaanbieder op 27 augustus 2017, heeft de zorgaanbieder een second opinion aangeboden en een correctie tegen gereduceerd tarief. Ook vond nog een third opinion plaats en pas tijdens dit laatste consult in juni 2019, en dus ongeveer drie jaar na de operatie, bleek de zorgaanbieder van de door de cliënte ervaren ‘natte’ neus. Gelet op de hiervoor genoemde aantekeningen van de controle in september 2016, alsmede gelet op het enorme tijdsverloop vanaf de operatie tot de melding van de “natte neus” is onvoldoende gebleken dat de klachten van de cliënte, zoals deze voor het eerst zijn geuit op 13 juni 2019, zijn veroorzaakt door een aan de zorgaanbieder toe te rekenen tekortkoming in de op 31 augustus 2016 uitgevoerde operatie.
Evenmin is naar het oordeel van de commissie op andere gronden sprake van een schending van de zorgplicht door de zorgaanbieder. Er is één jaar na de operatie een controle ingepland waarop cliënte niet is verschenen. Dit kan de zorgaanbieder niet worden verweten. Ook zijn een second en een third opinion aangeboden, evenals een correctie tegen een gereduceerd tarief. Hiermee heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie de zorg betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Dat de cliënte kennelijk geen gebruik heeft willen maken van het aanbod om een correctie te laten uitvoeren door de zorgaanbieder is haar goed recht, maar betekent niet dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de zorgaanbieder, laat staan dat deze verwijtbaar zou zijn. Gelet op het vorenstaande wordt de klacht wordt ongegrond verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Het door de cliënte verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer dr. J.F.A. van der Werff, de heer mr. S. Sierksma, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L.J.J.G. Verhaeg, secretaris, op 29 mei 2020.