Heupoperatie cliënt is onzorgvuldig uitgevoerd, cliënt heeft recht op schadevergoeding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Schadevergoeding product/dienst / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 3500/26330

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt vindt dat er voor een ander type operatie gekozen moest worden wat betreft zijn heup. Daarnaast is er tijdens de operatie onzorgvuldig gehandeld, waardoor er schade aan zijn heupkom is ontstaan. Ook is er volgens de cliënt geen goede nazorg geweest. Hij verzoekt om schadevergoeding. De zorgaanbieder vindt dat er voor de juiste (heupsparende)operatie is gekozen. Daarnaast was er tijdens de operatie geen sprake van onzorgvuldig handelen, maar van een complicatie. De nazorg is volgens de zorgaanbieder juist geweest. De zorgaanbieder ziet geen causaal verband tussen de complicatie tijdens de operatie en de door cliënt gestelde schade en vindt het verzoek van de cliënt onterecht. De commissie oordeelt dat de behandelend arts de zorgplicht niet heeft nageleefd. De afweging voor welk type heupoperatie is namelijk niet zorgvuldig afgewogen. Daarnaast moest de arts op het moment dat hij de complicatie constateerde onderzoeken waar dat aan lag, in plaats van de schroef verder te duwen. De operatie is onzorgvuldig uitgevoerd. De commissie kent de cliënt een bedrag van €15.000,- aan materiële en immateriële schadevergoeding toe.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats],

en

Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ’s-Gravenhage, (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2020 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht.

De cliënt is ter zitting bijgestaan door [naam].

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam] (jurist) en [naam] (traumachirurg).

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de kwaliteit van de medische behandeling van de cliënt door de zorgaanbieder. Cliënt heeft een drietal klachten met betrekking tot een heupoperatie en de nazorg van de operatie.

Cliënt vordert vergoeding van de geleden schade.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt is op 24 november 2018 gevallen. Op 26 november 2018 is cliënt gezien door de behandelend arts. Uit de gemaakte röntgenfoto bleek een fractuur aan de linkerheup. Er is gekozen voor een operatie waarbij een dynamische heupschroef (DHS) is geplaatst.
Het eerste klachtonderdeel van cliënt heeft betrekking op het type operatie. Volgens cliënt had gekozen moeten worden voor een heupprothese en niet voor een DHS.

Het tweede klachtonderdeel heeft betrekking op de uitvoering van de operatie. Kort samengevat komt het klachtonderdeel erop neer dat tijdens de operatie een plaat niet over de aangebrachte schroef en boorgeleider ging. De plaat paste niet omdat naar later bleek een braam aanwezig was op de boorgeleider. De behandelend arts heeft zich niet voorafgaand aan de operatie verzekerd dat het materiaal geen oneffenheden bevatte. Vervolgens heeft de behandelend arts de schroef verder geduwd met meer kracht dan gebruikelijk is, waardoor de dijbeenkop geheel werd doorboord en de schroef uiteindelijk in de heupkom kwam. Hiermee heeft de behandelend arts onzorgvuldig gehandeld. Door het onzorgvuldig handelen is schade ontstaan aan de heupkom van cliënt en heeft cliënt niet volledig kunnen herstellen.

Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op de nazorg: er is volgens cliënt aan hem geen goed advies gegeven over de mate waarop hij zijn heup kon belasten na de operatie. Hij is tijdens het herstel ten val gekomen.

Cliënt vordert van de zorgaanbieder een vergoeding van de schade die hij als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder heeft geleden, een bedrag van € 25.000,–. De schade bestaat uit:
– gederfde inkomsten: cliënt was werkzaam als docent en is na de operatie na 3 maanden volledig werkloos geraakt. Zijn inkomen bedroeg € 46.000,– op jaarbasis;
– kosten gemaakt voor extra fysiotherapie en hulpmiddelen zoals rollator, krukken en een stok;
– reiskosten;
– immateriële schadevergoeding.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat er gekozen is voor het juiste type operatie. Er was geen sprake van een dislocatie van de heup, waardoor gekozen is voor een kopsparende ingreep. Dit is conform de richtlijn Proximale femurfacturen.

Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat er sprake is van een complicatie tijdens de operatie, maar niet van onzorgvuldig handelen door de behandelend arts. Er was sprake van een braam op het ingebrachte instrument dat verhinderde dat de plaat op de juiste wijze over de schroef en boorgeleider kon worden ingebracht. Dat er zich een braam op het instrumentarium bevond, is niet aan te merken als een fout, maar betreft een complicatie. De nieuwe heupschroef is uiteindelijk juist geplaatst.

Ten aanzien van het derde klachtonderdeel stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat er sprake is geweest van nazorg conform een nabehandeling van een heupsparende operatie.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding stelt het ziekenhuis zich op het standpunt dat er geen sprake is van causaal verband tussen de complicatie tijdens de operatie en de door cliënt gestelde schade. Op de CT-scan is duidelijk te zien dat de heup reeds cystevorming had dat past bij een pre-existente coxartrose. De afwijkingen liggen derhalve buiten het traject waar de pen is geplaatst.

Subsidiair stelt de zorgaanbieder zich ten aanzien van de schade op het standpunt dat de schade onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling van het geschil
Het toetsingskader
De overeenkomst die patiënt en het ziekenhuis met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen.

Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of het ziekenhuis de schade die een cliënt daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 van het BW).

De toetsing
De commissie dient te onderzoeken of de behandelend arts bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie overweegt het volgende met betrekking tot het eerste klachtonderdeel.
De commissie stelt vast dat door de zorgaanbieder is gekozen voor een heupsparende ingreep. Cliënt was ten tijde van de operatie 78 jaar oud, bekend met artroseklachten, vaatproblemen en nog een aantal specifieke klachten. Cliënt, aldus de commissie, daarom worden aangemerkt als een ASA 3 patiënt. Hoewel er geen sprake was van dislocatie van de heup, is de afweging van de behandelend arts om te kiezen voor een dynamische heup schroef op basis van hetgeen tijdens het onderzoek op de zitting is besproken en op grond van het vorenstaande niet zorgvuldig afgewogen.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de eerste klacht gegrond is.

De commissie overweegt het volgende met betrekking tot de tweede klacht.
De behandelend arts heeft zich niet van te voren verzekerd dat het in te brengen materiaal geen oneffenheden bevatte. Vervolgens heeft de behandelend arts, toen hij geconfronteerd met een niet goed functionerende afwerking van het instrument, de schroef met te veel kracht verder geduwd, waarna de dijbeenkop geheel werd doorboord en de schroef uiteindelijk in de heupkom kwam. Op het moment dat de behandelend arts merkte dat het materiaal niet paste, had hij ervoor moeten kiezen om te onderzoeken waar dit aan lag, bijvoorbeeld door middel van röntgenonderzoek. De behandelend arts heeft er voor gekozen om in plaats van dat onderzoek te verrichten, de schroef verder in het gewricht te plaatsen. Gelet hierop is de commissie van oordeel dat de behandelend arts de operatie niet lege artis heeft uitgevoerd.
Het betoog van de zorgaanbieder dat een defect aan het materiaal na levering aan het ziekenhuis was opgetreden, wordt – wat daar van zij – door de commissie verworpen nu deze stelling onvoldoende is onderbouwd en gespecificeerd en maakt het oordeel over dit klachtonderdeel niet anders.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat het tweede klachtonderdeel gegrond is.

De commissie overweegt het volgende met betrekking tot het derde klachtonderdeel.
Cliënt is in de nazorg geadviseerd om de heup te belasten op geleide van pijn. Dat is een advies conform normale nazorg bij een heupsparende operatie. Het advies na de operatie is dan ook niet onzorgvuldig geweest.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de derde klacht ongegrond is.

Schadevergoeding
Cliënt verzoekt om vergoeding van de schade van € 25.000,– die hij als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder heeft geleden.

Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat het ziekenhuis in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.
Gelet op de voorgaande overwegingen is de commissie van oordeel dat de arts niet die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en dat er derhalve sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn uit de behandelingsovereenkomst voorvloeiende (inspannings)verplichting.
De commissie acht het niet onaannemelijk dat het verloop van de behandeling anders zou zijn geweest als de arts de operatie lege artis zou hebben uitgevoerd.

De commissie constateert dat cliënt door het handelen van de behandelend arts tijdens de operatie (het tweede klachtonderdeel) in min of meerdere ernstige mate heeft geleden en ook duurzaam minder valide is geworden. Daarnaast is cliënt door zijn invaliditeit blijvend werkloos geraakt, niettegenstaande het feit dat cliënt ten tijde van de operatie reeds zijn pensioendatum was gepasseerd.
Gelet op het voorgaande ligt een vergoeding van materiële en immateriële schade in de rede.
De commissie ziet gelet hierop aanleiding om aan cliënt een schadevergoeding toe te kennen die zij naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 15.000,–, waarvan € 12.000,– materiële schadevergoeding en € 3.000,– immateriële schadevergoeding.

Nu de klacht van cliënt grotendeels gegrond wordt verklaard, zal de commissie overeenkomstig haar reglement het ziekenhuis veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 127,50.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie

– verklaart de klacht van de cliënt voor wat betreft de eerste twee klachtonderdelen gegrond;
– verklaart de klacht van de cliënt voor wat betreft het derde klachtonderdeel ongegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot het betalen van een schadevergoeding van € 15.000,– (zegge: vijftienduizend euro) binnen twee weken na verzenddatum van dit bindend advies;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. H. Mencke en mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land-Smorenburg, secretaris, op 2 november 2020.