Huidwond ontstaan door hardhandig beetpakken tijdens het wegen. De cliënt krijgt een schadevergoeding wegens fysieke en psychisch geleden schade.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 109252

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënte en Stichting Protestants Christelijk Ziekenhuis Ikazia (verder te noemen het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 17 mei 2017 te Amsterdam.

Partijen hebben op voorhand aangegeven geen mondelinge behandeling te wensen en zijn daarom niet ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op letselschade die volgens cliënte is ontstaan door het hardhandig beetpakken van het linkeronderbeen van cliënte tijdens het wegen, terwijl cliënte een zeer kwetsbare huid heeft en het ziekenhuis daarmee ook bekend was.
 
Cliënte verzoekt de commissie een schadevergoeding te bepalen van €2.500,– aan smartengeld en een bedrag van €1.470,– wegens buitengerechtelijke kosten.

Standpunt van cliënte

Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door cliënte overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënte op het volgende neer.

Op 30 december 2015 heeft de verpleegkundige die de cliënte zou helpen bij het op de weegschaal gaan staan, het linker onderbeen van cliënte hardhandig opgepakt om deze op te tillen op de weegschaal en zij heeft daarmee een forse wond veroorzaakt op het linkeronderbeen van cliënte. Zij stroopte een groot stuk huid van 8 bij 6 centimeter van het onderbeen af. Dat cliënte een heel dunne huid had, veroorzaakt door medicatiegebruik, was bekend bij het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft onzorgvuldig gehandeld. Met name had de verpleegkundige rekening moeten houden met de zeer tere huid van cliënte. Er was bovendien een geschikter alternatief voorhanden om cliënte te wegen zonder het risico op het beschadigen van haar huid: de weegstoel.

Cliënte heeft drie maanden na dato nog steeds hinder van de gevolgen van het onzorgvuldig handelen van de verpleegkundige. Sinds het ontslag uit het ziekenhuis komt er een wondverpleegkundige langs bij cliënte op iedere maandag, woensdag en vrijdagmorgen om de wond opnieuw te verbinden waardoor cliënte en haar man drie keer per week aan huis gebonden zijn. Telkens dient de wond goed te worden gespoeld onder de douche. Bovendien heeft de cliënte veel angst en stress ondervonden van de behandelwijze en de gevolgen hiervan. Cliënte heeft fysieke en psychische schade opgelopen en schat deze op een bedrag van €2.500,–.

Zij verzoekt thans dat haar klachten gegrond worden verklaard en dat het ziekenhuis bij wijze van schadevergoeding smartengeld aan haar zal vergoeden van €2.500,– alsmede buitengerechtelijke kosten van €1.470,–.
 
Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis zoals dat uit het de door de commissie ontvangen stukken blijkt luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

Cliënte is opgenomen in verband met een vermoeden op hartfalen. Zij is opgenomen op de afdeling inwendige geneeskunde in verband met algehele malaise en progressieve vermoeidheid. Tevens was sprake van een opgeblazen gevoel en een toename van de omvang van de benen. Er is bekend dat cliënte sinds 1997 Prednison gebruikt waardoor cliënte een dunne huid heeft. Op basis van het ingevulde opnameformulier is cliënte op risicoscore 4 fysieke beperking preventie ingedeeld. Dat betekent dat de verpleegkundige interventies worden bepaald volgens de zorginstructie “Fysieke beperking preventie: verpleegkundig handelen”. Waar nodig wordt de mobiliteit gestimuleerd en begeleid. De cliënte heeft aangegeven de afgelopen zes maanden niet te zijn gevallen. Op het moment van opname valt de cliënte niet in een risicocategorie. De verpleegkunde diende oplettend te zijn, maar er was geen sprake van preventief extra zorgactiviteiten.

In verband met haar medische toestand diende cliënte meermalen gewogen te worden. Er is gekozen voor het gebruik van een weegschaal in plaats van een weegstoel. Ten eerste om de mobiliteit van cliënte te stimuleren, Aandachtspunt was dat de cliënte een verminderde mobiliteit had ten gevolge van osteoporose. Het verpleegdoel was dat de cliënte mobiel bleef. Ten tweede maakt cliënte gebruik van een rollator waarbij het gebruikelijk is dat er wordt gewogen op een weegschaal in plaats van een weegstoel. Ook ten gunste van de mobiliteit. Ten derde ging de verpleegkundige er op goede gronden vanuit dat er geen valrisico was. Als dat het geval was geweest zouden twee zorgverleners het wegen hebben begeleid om het risico van een val te minimaliseren. Bovendien was het risico op huidbeschadiging bij cliënte niet minder geweest bij het wegen in een weegstoel. Cliënte had dan bij de benen ondersteund moeten worden om uit bed in een weegstoel te worden gezet. Tijdens het wegen dreigde cliënte te vallen, waardoor de verpleegkundige cliënte naar het been greep om de cliënte te stabiliseren. Zij is door die ingreep niet gevallen, echter er is wel de huidbeschadiging ontstaan.

Het ziekenhuis betwist dat de opmerking van de coassistent in het dossier ‘hardhandige verpleegkunde heeft pte bezeerd? Wond t.p.v. linker onderbeen > icc wondverpleegkundige’ betekent dat er sprake is geweest van verkeerd handelen van de verpleegkundige. Mocht de coassistent destijds hebben gevonden dat de verpleegkundige hier verkeerd had gehandeld dan zou hiervan een melding zijn gedaan in Triasweb door de coassistent of zijn supervisor.

Het ziekenhuis vindt het uitermate vervelend wat cliënte is overkomen en dat zij een dergelijke wond heeft opgelopen. Het ziekenhuis stelt zich echter op het standpunt dat er geen sprake is geweest van onzorgvuldig handelen dan wel van een (andere) tekortkoming in de nakoming van de behandelovereenkomst; de verpleegkundige heeft cliënte bij het linkeronderbeen beetgepakt toen cliënte dreigde te vallen van de weegschaal. De verpleegkundige probeerde erger te voorkomen. Er is niet fout gehandeld, er is sprake geweest van overmacht.

Het ziekenhuis heeft verder onderbouwd dat de wond volgens het wondplan is verzorgd. Tijdens het ontslag is afgesproken dat de man van cliënte de wond zou verzorgen conform de instructie: te weten de wond te zwachtelen, dan wel tromboxinekousen aan te doen bij cliënte. In de ontslagbrief van de huisarts staat vermeld dat cliënte in goede klinische conditie naar huis kon worden ontslagen. In deze brief is geen verwijzing te vinden voor de wond op het been van cliënte. In de medische decursus wordt vrijwel niet gerefereerd aan de wond. Het ziekenhuis heeft geen zicht op de verzorging van de wond/ naleven van de wondverzorging.

Het ziekenhuis is van mening dat de klachten van cliënte ongegrond zijn en heeft de commissie verzocht het door cliënte verlangde af te wijzen.

Beoordeling van het geschil

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid voor schade van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis jegens cliënte toerekenbaar tekort is geschoten in het nakomen van de behandelingsovereenkomst, waardoor cliënte schade heeft geleden.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting aan de orde is geweest is de commissie van oordeel dat de klacht grotendeels gegrond is. Redengevend voor dit oordeel is het volgende.

Uit de stukken blijkt dat de verpleegkundige, die helaas is overleden en zodoende zelf geen verklaring meer heeft kunnen geven, cliënte wilde wegen en haar daarbij hardhandig bij het linkeronderbeen heeft beetgepakt, terwijl bekend was dat cliënte een zeer kwetsbare huid had die gemakkelijk beschadigde, en dat er een grote wond is ontstaan op het linkeronderbeen tengevolge van dat beetpakken.

Uit de stukken leidt de commissie af dat er in het verpleegkundig dossier is gemeld dat er op 30 december 2015 een handmatige weging zou plaatsvinden. In het dossier staat op 31 december 2015 gemeld “wond been” en de opmerking “mw. voorzichtig beetpakken”. In de rapportage van het ziekenhuis met handgeschreven opmerkingen is de volgende melding is gemaakt: “Mw. haar vel was kapot door benen vastpakken”.
In het verslag van de dienstdoende coassistent van het ziekenhuis, gedateerd 29 december 2015, is de vraag genoteerd “hardhandige verpleegkundige heeft pte bezeerd? Wond t.p.v. linkeronderbeen -> icc wondverpleegkundige”.

De stelling van het ziekenhuis dat de verpleegkundige het linkeronderbeen heeft gepakt in een poging te voorkomen dat cliënte van de weegschaal viel, is weersproken en komt de commissie zonder nadere toelichting niet logisch voor. 

Verder is het volgende van belang. Cliënte was bij het ziekenhuis bekend met verminderde mobiliteit door osteoporose en bekend met het vermoeden van hartfalen. Het ziekenhuis heeft aangevoerd dat mobiliteit belangrijk was als therapie en daarom liep zij met een rollator. Cliënte was ook bekend met gebruik prednison met als gevolg een dunne huid.

De commissie is van oordeel dat het ziekenhuis gelet op het vorenstaande had moeten kiezen voor de optie om cliënte te wegen op een weegstoel. Wegen is immers voor deze cliënte een bijzondere manoeuvre waarbij zij hulp nodig had. Uit de stukken maakt de commissie op dat cliënte ook feitelijk moest worden geholpen bij het wegen omdat zij niet in staat was zelf op de weegschaal te stappen. Volgens de stelling van het ziekenhuis verloor cliënte daarbij haar evenwicht. Dit risico dat zich ook openbaarde, had voorkomen kunnen worden door cliënte in een weegstoel plaats te laten nemen nadat zij daar, in het kader van de mobilisatie, met de rollator hier naar toe zou zijn gelopen. Cliënte was immobiel en verhoogd kwetsbaar, zoals het ziekenhuis wist. Het ziekenhuis had eenvoudig een adequate voorziening kunnen nemen waardoor er geen aanleiding zou zijn geweest om het been van cliënte vast te pakken. 

De opmerking van de coassistent is weliswaar niet in het daarvoor bestemde Triasweb gemeld, maar dat betekent nog niet dat de coassistent niet uit eigen wetenschap de feiten heeft geconstateerd. Ondanks het feit dat er in het patiëntendossier wordt aangegeven dat er sprake is van een incident, is dit incident niet nader onderzocht en geregistreerd. Het is opvallend dat de behandelend/opleidend arts geen actie heeft ondernomen op de opmerking.
 
Bij deze stand van zaken is de commissie van oordeel dat het ziekenhuis toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst jegens cliënte en dat de klacht van cliënte gegrond moet worden verklaard.

Cliënte heeft haar vordering tot schadevergoeding als volgt onderbouwd. Zij heeft (psychische) schade opgelopen tengevolge van de wondverzorging, zij moet nog steeds drie keer per week thuisblijven voor de wondverzorging en de wond telkens goed spoelen onder de douche, hetgeen zij en haar man als zeer belastend ervaren. Haar broer, rechtsbijstandsverlener, heeft de nodige werkzaamheden verricht om de zaak voor de geschillencommissie te brengen.

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan een vordering tot immateriële schadevergoeding worden toegewezen indien sprake is van lichamelijk letsel, indien de benadeelde in zijn goede eer of naam is aangetast dan wel op andere wijze in zijn persoon is aangetast (lid 1 onder b).

De commissie acht voldoende aannemelijk dat cliënte gedurende langere tijd heeft geleden, fysiek en psychisch, tengevolge van de wond. Aldus ligt een vergoeding van immateriële schade in de rede. De commissie ziet aanleiding de schade in redelijkheid en billijkheid te bepalen op €2.500,–.

Nu de klacht van cliënte gegrond wordt verklaard, ziet de commissie voorts aanleiding het ziekenhuis te veroordelen tot vergoeding aan cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van €52,50.

Voor wat betreft de gevorderde buitengerechtelijke kosten overweegt de commissie als volgt.
 
Op grond van artikel 22 van het reglement geschillencommissie Ziekenhuizen komen de door cliënte ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten voor haar eigen rekening, behoudens bijzondere gevallen.
 
Van bijzondere omstandigheden is de commissie niet gebleken, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht, grotendeels gegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing

De commissie;

verklaart de klacht van cliënte gegrond;

bepaalt dat het ziekenhuis aan cliënte een bedrag van €2.500,– aan immateriële schadevergoeding dient te betalen, en dat die betaling binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies plaatsvindt;

bepaalt dat het ziekenhuis overeenkomstig het reglement van de commissie aan cliënte het klachtgeld ten bedrage van €52,50 dient te vergoeden;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist op 17 mei 2017 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen