Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1308266/1312763
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Dit geschil gaat over de manier waarop de klacht van de cliënt is behandeld en over de informatie rondom zijn operatie. De cliënt vond dat zijn klacht niet serieus werd genomen en dat hij niet goed was geïnformeerd over wie hem zou opereren, omdat pas laat bleek dat een arts in opleiding de operatie deed. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder genoeg heeft gedaan bij de klachtbehandeling. Wel vindt de commissie dat de cliënt vooraf duidelijker en eerder had moeten horen dat een arts in opleiding de operatie zou uitvoeren, zodat hij hierover kon beslissen. Dat deel van de klacht is gegrond.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Catharina Ziekenhuis, gevestigd te Eindhoven
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de klachtbehandeling door de zorgaanbieder en de gang van zaken rondom de operatie van de cliënt.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt heeft een klacht ingediend bij de zorgaanbieder, maar deze klacht is niet serieus behandeld door twee klachtenfunctionarissen en ook niet door (de secretaris van) de Raad van Bestuur. De door de cliënt gestelde vragen zijn niet beantwoord. De zorgaanbieder heeft zich niet gehouden aan de eigen klachtenregeling: zo zijn gestelde vragen niet beantwoord, is een gesprek toegezegd maar heeft dit nooit plaatsgevonden en is geen transparant onderzoek uitgevoerd door de zorgaanbieder.
Ook klaagt de cliënt over de uitgevoerde operatie. Zo was onduidelijk wie de operatie zou uitvoeren en was de cliënt niet tijdig geïnformeerd dat de operatie door een arts in opleiding tot specialist (AIOS) uitgevoerd zou worden, zodat hij daar geen bezwaar tegen heeft kunnen maken. Ook is niet voldoende gebleken dat de AIOS hiertoe bekwaam was. Verder heeft de AIOS een lymfeklier niet weggehaald en heeft de cliënt het OK-verslag niet tijdig ontvangen.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Bevoegdheid commissie
Allereerst dient de commissie te beoordelen of zij bevoegd is het klachtonderdeel over de klachtenprocedure te behandelen. Naar de mening van de zorgaanbieder is dit niet het geval. De commissie heeft tot taak geschillen tussen cliënt en de zorgaanbieder te beslechten voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van een gesloten behandelingsovereenkomst tussen cliënt en de zorgaanbieder. Ingevolge artikel 14, lid 1, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), in samenhang met het reglement van de commissie kan schriftelijk een klacht worden ingediend door de cliënt over een gedraging jegens hem in het kader van de zorgverlening.
De klacht van de cliënt ziet op de wijze van klachtafhandeling. De commissie is niet bevoegd een inhoudelijk oordeel te geven over de werkwijze van de klachtenfunctionarissen. Ditzelfde geldt voor de beslissing van de Raad van Bestuur om het oordeel van de klachtencommissie over te nemen. Nu deze klachten niet zien op een gedraging van de zorgaanbieder in het kader van de zorgverlening, zal de commissie zich ter zake van voornoemde klachten onbevoegd dienen te verklaren.
Klachttraject
Na indiening van de klacht op 21 augustus 2024 heeft de zorgaanbieder diverse serieuze pogingen gedaan de vragen van de cliënt te beantwoorden. Twee klachtenfunctionarissen hebben uitgebreid contact gehad met de cliënt, er heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden en ook is contact geweest met de Raad van Bestuur. De cliënt was hiermee echter niet tevreden.
De verwachtingen van de cliënt ten aanzien van de klachtbehandeling door het ziekenhuis staan niet in verhouding tot de ernst van de verwijten. De cliënt is verder niet ingegaan op uitnodigingen voor een gesprek in de periode van december 2024 tot en met april 2025.
Beoordeling van het geschil
De klachten van de cliënt richten zich enerzijds op de klachtafhandeling door de zorgaanbieder en anderzijds op de gang van zaken rondom de operatie.
Bevoegdheid
De zorgaanbieder heeft zich op het standpunt gesteld dat de commissie onbevoegd is, nu de klacht (mede) betrekking heeft op het handelen van klachtenfunctionarissen en de Raad van Bestuur in het kader van de klachtbehandeling.
De commissie begrijpt de klacht van de cliënt aldus dat deze zich richt op het niet naleven van de eigen klachtenregeling door de zorgaanbieder.
Op grond van artikel 21 lid 1 sub a van de Wkkgz kan een geschil aan de commissie worden voorgelegd indien een cliënt van mening is dat de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met de geldende klachtenregeling. Nu daarvan in dit geval sprake is, acht de commissie zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen.
Klachtafhandeling
De cliënt heeft aangevoerd dat een groot aantal door hem gestelde vragen onbeantwoord is gebleven. De commissie stelt vast dat de cliënt een zeer omvangrijk aantal vragen – naar eigen zeggen meer dan 150 – aan de zorgaanbieder heeft voorgelegd. Naar het oordeel van de commissie kan in redelijkheid niet van een zorgaanbieder worden verlangd dat een dergelijk aantal vragen volledig en gedetailleerd schriftelijk wordt beantwoord. Uit de stukken blijkt dat de zorgaanbieder zich heeft ingespannen om de vragen van de cliënt zorgvuldig te beantwoorden, onder meer door middel van meerdere gesprekken.
Verder heeft de cliënt gesteld dat hem door de eerste klachtenfunctionaris een gesprek met alle betrokkenen is toegezegd, maar dat dit gesprek niet heeft plaatsgevonden. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat, mede gelet op het verloop van het contact met de cliënt en de gemaakte afspraken, de noodzaak tot een dergelijk gesprek op dat moment door de eerste klachtenfunctionaris niet langer aanwezig werd geacht. In plaats daarvan is prioriteit gegeven aan het organiseren van een gesprek met de behandelend arts die op korte termijn niet meer bij de zorgaanbieder werkzaam zou zijn.
De commissie acht deze gang van zaken niet klachtwaardig. Daarbij neemt zij in aanmerking dat nadien, met inzet van een tweede klachtenfunctionaris, alsnog meerdere gesprekken hebben plaatsgevonden in de maanden september, oktober en november 2025.
Ten slotte heeft de cliënt aangevoerd dat geen sprake is geweest van een transparant onderzoek naar zijn klacht, nu niet inzichtelijk is gemaakt welke personen bij het onderzoek betrokken zijn geweest en welke informatie is ingewonnen. De commissie overweegt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat diverse gesprekken en contacten hebben plaatsgevonden met verschillende medewerkers van het ziekenhuis. Niet kan worden geconcludeerd dat het onderzoek onzorgvuldig of onvoldoende transparant is geweest. Naar het oordeel van de commissie kan niet van een zorgaanbieder worden verlangd dat volledige inzage wordt gegeven in de interne onderzoeksaanpak en de daarbij betrokken personen.
Gelet op het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld overeenkomstig de eisen die de Wkkgz en de eigen klachtenregeling stellen. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Opererend arts
De cliënt heeft voorts geklaagd dat hij voorafgaand aan de operatie niet, althans onvoldoende tijdig, is geïnformeerd over het feit dat de ingreep zou worden uitgevoerd door een AIOS, noch over wie de operatie feitelijk zou verrichten.
De commissie stelt vast dat de communicatie voorafgaand aan de operatie rommelig is verlopen. Aanvankelijk zou een bepaalde specialist de ingreep uitvoeren, waarna pas in de pre-operatiekamer aan de cliënt is medegedeeld dat een andere arts de operatie zou overnemen. Uiteindelijk is in de operatiekamer zelf aan de cliënt meegedeeld dat de ingreep door weer een andere arts uitgevoerd zou worden. Achteraf is gebleken dat de opererende arts een AIOS betrof.
De commissie overweegt dat een AIOS een BIG-geregistreerde arts is die bevoegd is om, onder supervisie, zelfstandig medische handelingen te verrichten. In een opleidingsziekenhuis is het gebruikelijk dat (een deel van) de behandeling door een AIOS wordt uitgevoerd. Dit laat onverlet dat de cliënt hierover tijdig en duidelijk dient te worden geïnformeerd, nu dit onderdeel uitmaakt van het vereiste van informed consent. In dit kader verwijst de commissie naar eerdere jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de rechtbank Noord Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2022:1294. Hieruit volgt dat, indien de cliënt bezwaar maakt tegen behandeling door een A(N)IOS, de behandeling in beginsel niet door de A(N)IOS kan worden uitgevoerd. Er is dan immers geen sprake van informed consent.
De commissie is van oordeel dat de cliënt in dit geval niet, althans niet tijdig, adequaat is geïnformeerd over de rol van de AIOS. Het enkele feit dat de AIOS zich pas in de operatiekamer heeft voorgesteld en diens rol als operateur heeft toegelicht, acht de commissie onvoldoende. Op dat moment kan in redelijkheid niet van de cliënt worden verlangd dat hij nog bezwaar maakt, gelet op de reeds aangevangen preoperatieve voorbereidingen.
Het had op de weg van de zorgaanbieder gelegen om de cliënt voorafgaand aan de ingreep duidelijkheid te verschaffen over wie de operatie zou uitvoeren, zodat de cliënt in staat zou zijn geweest een weloverwogen beslissing te nemen of hij daarmee kon instemmen.
In zoverre is de klacht gegrond.
Bekwaamheidsverklaring
De cliënt heeft verder aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat de AIOS bekwaam was om de ingreep uit te voeren.
De commissie volgt dit standpunt niet. Uit de overgelegde bekwaamheidsverklaring blijkt dat de AIOS bevoegd en bekwaam werd geacht om de betreffende handeling te verrichten. Dat de verklaring niet op alle onderdelen volledig is ingevuld, doet hieraan niet af. Het is aan de supervisor om de bekwaamheid van de AIOS te beoordelen. De commissie ziet geen aanleiding om aan deze beoordeling te twijfelen.
Dit klachtonderdeel is ongegrond.
OK-verslag
De cliënt klaagt dat het OK-verslag niet meteen na de operatie aan de cliënt is verstrekt.
De commissie overweegt dat het niet onzorgvuldig is dat het verslag pas op de verpleegafdeling aan de cliënt is verstrekt. Niet is gebleken dat dit afbreuk heeft gedaan aan een zorgvuldige overdracht of aan de kwaliteit van de zorgverlening.
Deze klacht is dan ook ongegrond.
Non-identificatie klier
De klacht van de cliënt ziet ook op het niet identificeren van de klier tijdens de operatie door de AIOS.
De commissie overweegt dat bij een dergelijke ingreep niet al tijdens de ingreep met zekerheid kan worden vastgesteld of het verwijderde weefsel de beoogde klier betreft. Pas na nader (lab)onderzoek kan hierover uitsluitsel worden verkregen. Op basis van de overgelegde stukken kan de commissie slechts vaststellen dat de ingreep lege artis is uitgevoerd. Het niet identificeren van de klier is een onwenselijke uitkomst bij dergelijke operaties maar kan een enkele keer voorkomen; het gemiddelde detectie percentage van schildwachtklierprocedures ligt tussen de 90% en 95%.
Conclusie
De klacht van de cliënt is ten dele gegrond. Nu de klacht ten dele gegrond is, dient de zorgaanbieder conform het reglement van de commissie het door de cliënt betaalde klachtengeld aan hem te vergoeden.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachten ten aanzien van de AIOS en de onduidelijkheid over de operateur gegrond;
– verklaart de overige klachten ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 52,50 aan hem dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer prof. dr. J.A. van der Hage, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 1 april 2026.