Jeugdverpleegkundige handelt zorgvuldig, geen schending van geheimhoudingsplicht

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Publieke Gezondheid    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 114920/133344

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte dient een klacht in tegen de zorgaanbieder vanwege het handelen van de jeugdverpleegkundige in de situatie rondom de peuterspeelzalen van haar zoon. De jeugdverpleegkundige zou onprofessioneel hebben gehandeld en onder andere foute informatie hebben gegeven aan de peuterspeelzalen en in het dossier vermeld. Ook kwam ze onaangekondigd naar het huis van de cliënte en deelde ze, zonder toestemming, gevoelige informatie. De cliënte eist dat de jeugdverpleegkundige de zaak rechtzet, met rust laat en een schadevergoeding. De zorgaanbieder stelt dat de jeugdverpleegkundige zorgvuldig en in het belang van de zoon van de cliënte heeft gehandeld. Er is duidelijk met de cliënte gecommuniceerd en de klacht van de cliënte is serieus genomen, maar de handelswijze van de jeugdverpleegkundige is anders dan dat de cliënte het heeft ervaren. De commissie oordeelt dat de jeugdverpleegkundige goed en zorgvuldig heeft gehandeld en dat er geen sprake is geweest van schending van de geheimhoudingsplicht. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam cliënte], wonende te [woonplaats]

en

GGD Hollands Noorden, gevestigd te Alkmaar
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Publieke Gezondheid (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 3 maart 2022 te Amsterdam.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De cliënte is niet ter zitting verschenen. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen: [naam jeugdverpleegkundige] en [naam directiesecretaris/juridisch medewerker].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft (de kwaliteit van de door) de zorgaanbieder verleende zorg.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zoon van de cliënte heeft in september 2020 een peuterspeelzaal bezocht. Via de jeugdverpleegkundige van het consultatiebureau dat bij de zorgaanbieder is aangesloten, heeft de cliënte voor haar zoon een VVE-indicatie aangevraagd. Vanwege ontucht en mishandeling heeft de cliënte haar zoon van die peuterzaal weggehaald. Zij heeft bij de politie aangifte gedaan tegen deze peuterspeelzaal. Daarna begon de jeugdverpleegkundige zich te gedragen alsof zij de zaak aan het pleiten en/of aanvechten was voor de eerste peuterspeelzaal. Zij heeft de cliënte benaderd en aangeboden haar te helpen bij het vinden van een nieuwe peuterspeelzaal. Volgens haar had de peuterspeelzaal dit aan haar gevraagd. De cliënte heeft de jeugdverpleegkundige herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat zij geen behoefte had aan hulp, omdat zij al een nieuwe peuterspeelzaal had gevonden. De jeugdverpleegkundige bleek ook zonder toestemming van de cliënte privacygevoelige informatie over de aangifte te hebben verstrekt aan de tweede peuterspeelzaal.

De jeugdverpleegkundige bleef (de zoon van) de cliënte achtervolgen. Er werd constant door haar aangegeven dat de peuterleidster aan haar had gevraagd wat zij van de zoon van de cliënte vond. Ook met de derde peuterspeelzaal heeft de jeugdverpleegkundige contact gehad over de zoon van de cliënte. De jeugdverpleegkundige heeft de peuterleidsters aangestuurd om de cliënte onder druk te zetten om haar zoon te laten observeren door het Centrum voor Jeugd en Gezin.
De cliënte heeft daarom besloten haar zoon niet meer naar een peuterspeelzaal te laten gaan.

De jeugdverpleegkundige heeft zich voorts schuldig gemaakt aan huisvredebreuk door twee keer onaangekondigd bij de cliënte voor de deur te staan.

Vanwege de gang van zaken heeft de cliënte het dossier van haar zoon opgevraagd bij de jeugdverpleegkundige. Daarin bleek informatie over de gebeurtenissen bij de eerste twee peuterspeelzalen te zijn opgenomen. Verder bevatte het dossier nog meer privacygevoelige informatie. De jeugdverpleegkundige heeft geweigerd deze informatie uit het dossier te verwijderen.
Toen de zoon van de cliënte naar de basisschool ging, kwam de cliënte er bovendien achter dat de jeugdverpleegkundige hem in een verwijsindex had opgenomen, met de mededeling “kind gedraagt zich niet naar leeftijd en men twijfelt aan de geestelijke capaciteit van moeder om voor kind te zorgen”. De jeugdverpleegkundige heeft de cliënte nooit hierover ingelicht. Sterker nog, de cliënte was totaal niet op de hoogte van het bestaan van een verwijsindex. Bovendien heeft de jeugdverpleegkundige de verwijsindex geopend op basis van informatie die zijzelf niet heeft waargenomen en ook niet kan bewijzen.

De zoon van de cliënte heeft onlangs niet de juiste medische zorg gekregen. In het ziekenhuis werd de cliënte niet serieus genomen, toen zij aangaf dat haar zoon een hersenschudding had. Volgens twee ziekenhuismedewerkers had de jeugdverpleegkundige ook aan het ziekenhuis laten weten dat ‘het kind zich niet naar zijn leeftijd gedroeg”.

De cliënte heeft klachten ingediend bij (de klachtenfunctionaris van) de zorgaanbieder, maar zij voelt zich in de afhandeling daarvan niet serieus genomen.

De cliënte stelt als oplossing van het geschil voor dat:
– alle niet relevante informatie die niets te maken heeft met de groei van haar zoon verwijderd wordt uit het dossier van de zorgaanbieder;
– de jeugdverpleegkundige haar zoon met rust laat en stopt met hem steeds te achtervolgen overal waar hij naar toe gaat, en dat zij stopt met overal te zeggen dat hij zich niet naar zijn leeftijd gedraagt;
– de jeugdverpleegkundige stopt met zich te bemoeien met andere specialisten en of hulpverleners die de cliënte heeft ingeschakeld voor hulp voor haar zoon, zoals de logopedist en/of de huisarts;
– de jeugdverpleegkundige haar zoon met rust laat.
Voorts verzoekt de cliënte de commissie haar een vergoeding van € 25.000,– toe te kennen voor de door haar door toedoen van (de jeugdverpleegkundige van) de zorgaanbieder geleden schade.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt – zoals ook toegelicht ter zitting – op het volgende neer.

Voor alle peuterspeelzalen (in totaal drie) van de zoon van de cliënte is een Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) indicatie afgegeven. Het is de zorgaanbieder niet duidelijk waar de cliënte op doelt met haar stelling dat de jeugdverpleegkundige het heeft opgenomen voor de eerste peuterspeelzaal, nadat de cliënte aangifte had gedaan tegen deze peuterspeelzaal. De cliënte heeft geen concrete voorbeelden gegeven van haar stelling.
In het kader van de VVE-indicatie heeft de jeugdverpleegkundige contact gehad met de peuterspeelzalen over de voortgang van de zoon van de cliënte. De jeugdverpleegkundige heeft transparant gehandeld door de cliënte op de hoogte te stellen van dit contact. De jeugdverpleegkundige mocht er ook van uitgaan dat door de peuterspeelzalen toestemming aan de cliënte was gevraagd voor de informatie-uitwisseling. Als de cliënte het er niet mee eens was dat één van de peuterspeelzalen aan haar heeft gevraagd of zij hulp nodig had, had zij dit met de betreffende peuterspeelzaal moeten delen.

Aangezien de cliënte had aangegeven haar dossier zo snel mogelijk te willen ontvangen en niet te beschikken over een computer, heeft de jeugdverpleegkundige ervoor gekozen het dossier persoonlijk langs te brengen. De jeugdverpleegkundige wist niet dat de cliënte het onprettig vond dat de jeugdverpleegkundige onaangekondigd langskwam. Het spijt de zorgaanbieder dat de cliënte dit zo heeft ervaren. De jeugdverpleegkundige heeft aangebeld bij de cliënte. Toen de cliënte aangaf dat zij niet wilde dat de jeugdverpleegkundige binnenkwam, heeft zij dit gerespecteerd. Zij is de woning van de cliënte niet (onbevoegd) binnengetreden. Zij is daarna niet meer bij de cliënte langsgegaan.

De zorgaanbieder betwist ook dat er sprake is geweest van achtervolging door de jeugdverpleegkundige.
De jeugdverpleegkundige heeft alleen contact met de cliënte opgenomen in het kader van de (verplichte) taken die zij als jeugdverpleegkundige heeft.
Informatie over de aangifte van de cliënte tegen de eerste peuterspeelzaal heeft de jeugdverpleegkundige op geen enkele wijze met de tweede peuterspeelzaal gedeeld. Het contact dat tussen de jeugdverpleegkundige en de tweede peuterspeelzaal heeft plaatsgevonden was in het kader van de VVE-indicatie. Daarbij heeft jeugdverpleegkundige nadrukkelijk aangegeven, zowel aan de peuterspeelzaal als aan de cliënte, geen overige informatie te verstrekken als de cliënte daarvan niet op de hoogte was en daarvoor geen toestemming voor gaf.

De zorgaanbieder is van mening dat de commissie niet bevoegd is met betrekking tot het verzoek van de cliënte om bepaalde informatie uit het dossier van haar zoon te verwijderen en/of te corrigeren, omdat een verzoek tot aanpassing of verwijdering van dossiergegevens een aparte procedure betreft. Overigens herkent de zorgaanbieder zich niet in de klacht dat de jeugdverpleegkundige in het kinddossier zou hebben geschreven dat zij twijfelt aan de geestelijke capaciteit van de cliënte om voor haar zoon te zorgen. De cliënte heeft een heftige periode meegemaakt waarin haar zoon verschillende keren van peuterspeelzaal is gewisseld. Het is voorstelbaar dat dit impact op de cliënte en haar zoon heeft (gehad). De jeugdverpleegkundige heeft vanuit die gedachte aan de cliënte gevraagd of zij hierin ondersteuning wenste. De jeugdverpleegkundige heeft echter niet gezegd of geschreven dat zij twijfelt aan de geestelijke capaciteit van de cliënte om voor haar zoon te zorgen. Zij heeft in het dossier slechts informatie opgenomen die noodzakelijk was voor een goede hulpverlening. Dit is in het belang van de cliënte en haar zoon. Deze informatie zal daarom niet worden verwijderd. Wel kan de cliënte een aanvullende verklaring in het dossier laten opnemen.

In het kader van de hulpverlening heeft de jeugdverpleegkundige voorgesteld dat de (derde) peuterspeelzaal zou kunnen kijken naar wat haar zoon nodig had om zich meer op zijn gemak te voelen, mogelijk door ondersteuning van het Centrum Jeugd en Gezin. Dit was slechts een advies, wat de jeugdverpleegkundige bovendien met de cliënte heeft besproken.

De zorgaanbieder betreurt het uiteraard als zoon van de cliënte geen of volgens de cliënte niet de juiste medische zorg heeft gekregen. Een verband tussen de mogelijke reden van het door andere zorgprofessionals wel of niet verlenen van zorg naar aanleiding van de hersenschudding van zoon en de thans voorliggende klacht van de cliënte is er evenwel niet. De jeugdverpleegkundige heeft geen informatie gedeeld met het ziekenhuis. Het ziekenhuis heeft ook geen inzage gehad in het dossier van de zoon van de cliënte.

De zorgaanbieder heeft de cliënte wel degelijk serieus genomen met betrekking tot haar klacht. De cliënte is telefonisch gehoord. Vervolgens is navraag gedaan over het bestaan van een mogelijke melding aan de VIR (Verwijsindex risicojongeren) en dit is teruggekoppeld aan de cliënte.

De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënte ongegrond te verklaren en het door haar verzochte af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

De commissie stelt voorop dat de overeenkomst die de cliënte en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van deze zorgovereenkomst met de cliënte. Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de wetenschap, richtlijnen en protocollen.
Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of de instelling de schade die een cliënt daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 van het BW).
Voorts is in artikel 7:457 van het BW de geheimhoudingsplicht in het kader van de geneeskundige behandelingsovereenkomst neergelegd. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat de hulpverlener – in dit geval de jeugdverpleegkundige – ervoor zorgdraagt dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt.

De cliënte heeft een negental klachten geuit tegen (de jeugdverpleegkundige van) de zorgaanbieder. De zorgaanbieder heeft in haar aanvullend verweerschrift – ingediend op 23 februari 2022 – op deze negen klachtonderdelen gereageerd. De commissie zal bij haar beoordeling uitgaan van deze klachtonderdelen.

1. De jeugdverpleegkundige heeft het opgenomen voor de eerste peuterspeelzaal, nadat de cliënte aangifte had gedaan tegen deze peuterspeelzaal
Niet gebleken is dat de jeugdverpleegkundige na de aangifte door de cliënte tegen de eerste peuterspeelzaal de belangen van deze peuterspeelzaal heeft behartigd. Wel gebleken is dat de jeugdverpleegkundige, nadat de cliënte haar zoon van de eerste peuterspeelzaal had gehaald, opnieuw een VVE-indicatie moest afgeven. Voorts dat zij vanuit haar positie en wettelijke taak als jeugdverpleegkundige die een VVE-indicatie afgeeft, de ontwikkelingen van de zoon van de cliënte is blijven monitoren. De jeugdverpleegkundige heeft in dat opzicht juist in het belang van (de zoon van) de cliënte gehandeld.

2. De jeugdverpleegkundige heeft drie keer bij de cliënte aangegeven dat de peuterspeelzaal had gevraagd of zij hulp nodig had
De commissie gaat ervan uit dat bij de tweede peuterspeelzaal de indruk is ontstaan dat de cliënte hulp nodig had en dat deze peuterspeelzaal dit aan de jeugdverpleegkundige kenbaar heeft gemaakt. Dat de jeugdverpleegkundige dit heeft gecommuniceerd met de cliënte en de cliënte vervolgens, gelet op de gebeurtenissen bij de eerste peuterspeelzaal – ondersteuning heeft aangeboden, kan haar niet worden verweten. Dit getuigt naar het oordeel van de commissie van professioneel handelen van de jeugdverpleegkundige.

3. De jeugdverpleegkundige is twee keer onaangekondigd bij het huis van de cliënte langsgegaan, waardoor zij de cliënte heeft geïntimideerd en huisvredebreuk heeft gepleegd
Voor de commissie staat vast dat de jeugdverpleegkundige naar het huis van de cliënte is gegaan om het dossier van de zoon van de cliënte af te geven. Het is de commissie niet gebleken dat de jeugdverpleegkundige daarbij onzorgvuldig heeft gehandeld.
Dat de jeugdverpleegkundige nog een tweede keer bij de cliënte aan de deur is geweest, is door de zorgaanbieder weersproken en is voor de commissie – gelet op de verschillende lezing van partijen – achteraf niet vast te stellen.

4. De jeugdverpleegkundige heeft de zoon van de cliënte achtervolgd in de periode dat hij op de tweede en derde peuterspeelzaal zat
Zoals hiervoor bij klachtonderdeel 1 is overwogen, hoort het tot de wettelijke taak van de jeugdverpleegkundige om na het afgeven een VVE-indicatie de ontwikkeling en voortgang van het kind te blijven monitoren. Dat de jeugdverpleegkundige in dat kader contact heeft gehad met de tweede en derde peuterspeelzaal, is dan ook een logisch gevolg hiervan. De zorgaanbieder heeft onweersproken gesteld dat de cliënte zich ook akkoord heeft verklaard met deze informatie-uitwisseling.

5. De jeugdverpleegkundige heeft (gevoelige) informatie gedeeld met de tweede kinderopvang over de aangifte van de cliënte tegen de eerste kinderopvang
De cliënte stelt weliswaar dat de tweede peuterspeelzaal over informatie over de gebeurtenissen op de eerste peuterspeelzaal beschikte die afkomstig was van de jeugdverpleegkundige, maar zij heeft haar stelling – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de zorgaanbieder – niet nader onderbouwd.

6. De jeugdverpleegkundige heeft bij de cliënte aangegeven dat een peuterleidster aan de jeugdverpleegkundige had gevraagd wat zij van de zoon van de cliënte vond
Op basis van de stukken en het onderzoek ter zitting heeft de commissie ten aanzien van dit klachtonderdeel geen onjuiste gedragingen van de jeugdverpleegkundige kunnen vaststellen. De commissie stelt veeleer vast dat de jeugdverpleegkundige naar de cliënte juist heeft gehandeld door transparant te zijn over de contacten tussen haar en de peuterspeelzaal.

7. De jeugdverpleegkundige heeft in het dossier van de zoon van de cliënte geschreven dat de zoon zich niet naar zijn leeftijd gedraagt en dat men twijfelt aan de geestelijke capaciteit van de cliënte om voor haar kind te zorgen, zonder dit met de cliënte te overleggen
De zorgaanbieder heeft uitdrukkelijk betwist dat de jeugdverpleegkundige de door de cliënte genoemde opmerkingen over haar en haar zoon in het dossier heeft opgenomen. De commissie heeft hiervoor ook geen grondslag in de stukken kunnen vinden; de cliënte heeft haar stelling niet aangetoond.
Hetzelfde geldt overigens ook voor de melding die de jeugdverpleegkundige volgens de cliënte aan de VIR heeft gedaan.

8. De jeugdverpleegkundige heeft peuterleidster(s) aangespoord om druk uit te oefenen op de cliënte om haar zoon te laten observeren door het Centrum voor Jeugd en Gezin
Door de zorgaanbieder is erkend dat de jeugdverpleegkundige de cliënte, toen zij aangaf dat haar zoon zich op de derde peuterspeelzaal niet prettig leek te voelen, heeft voorgesteld dat de (derde) peuterspeelzaal zou kunnen kijken naar wat de zoon van de cliënte nodig had om zich meer op zijn gemak te voelen, mogelijk door ondersteuning van het Centrum Jeugd en Gezin. De commissie is van oordeel dat dit past binnen hetgeen van een goed hulpverlener mag worden verwacht. De commissie stelt bovendien vast dat sprake is geweest van een advies, dat de cliënte niet verplicht was op te volgen. Van enige druk van de jeugdverpleegkundige is de commissie niet gebleken.

9. De jeugdverpleegkundige heeft aan het ziekenhuis doorgegeven dat zoon van de cliënte zich niet naar zijn leeftijd gedraagt, waardoor het ziekenhuis haar zoon alleen wilde observeren en niet wilde onderzoeken
De cliënte heeft haar stelling dat de jeugdverpleegkundige informatie met het ziekenhuis heeft gedeeld tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de zorgaanbieder niet aangetoond of aannemelijk gemaakt, zodat de commissie deze zal passeren.

De commissie merkt verder nog op dat van een ondeugdelijke klachtafhandeling door de zorgaanbieder niet is gebleken.

Gelet op al het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat (de jeugdverpleegkundige van) de zorgaanbieder niet die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Verder is niet komen vast te staan dat (de jeugdverpleegkundige van) de zorgaanbieder de geheimhoudingsplicht heeft geschonden.
Dit betekent dat de commissie de klacht van de cliënte – in al zijn onderdelen – ongegrond zal verklaren en dat het door haar verzochte zal worden afgewezen.

Hetgeen partijen ieder voor zich overigens verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt beslist als volgt.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht van de cliënte – in al zijn onderdelen – ongegrond en wijst het door haar verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Publieke Gezondheid, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. Th.N.J. van Rijmenam en de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 3 maart 2022.