Kaakchirurg voert andere behandeling uit dan is afgesproken. Commissie vindt het echter aannemelijk dat hij niet alleen een onderzoek, maar eventueel ook een verwijdering zou uitvoeren.

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatie    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 111081

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënte en de stichting Stichting Sint Jans Gasthuis, gevestigd te Weert, (verder te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 8 september 2017 te Eindhoven. Ter zitting zijn verschenen de cliënte en haar echtgenoot en namens het ziekenhuis [kaakchirurg] en [klachtenfunctionaris].

Partijen hebben ter zitting hun standpunten (nader) toegelicht.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het feit dat de cliënte zonder overleg met haar een andere tandheelkundige behandeling heeft gekregen dan was overeengekomen. Tevens ziet het geschil op de behandeling en afhandeling van de klacht van de cliënte door de klachtenfunctionaris van het ziekenhuis.

Standpunt van de cliënte

Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.

De klacht tegen de kaakchirurg
1.
Op 13 juli 2016 heeft de cliënte de kaakchirurg bezocht in verband met klachten aan haar gebit. Na onderzoek werd afgesproken dat de cliënte op 20 juli 2016 bij de kaakchirurg zou terugkomen voor een kijkoperatie. Er zou dan gekeken worden of de wortel van kroon 25 wel of niet gescheurd was. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zou in overleg met de cliënte worden bezien welke verdere behandeling zou moeten plaatsvinden. De cliënte kreeg het advies een splint te laten maken. Op
20 juli 2016 heeft de cliënte zich met de splint bij de kaakchirurg vervoegd. Op die datum heeft er geen kijkoperatie plaatsgevonden. De kaakchirurg heeft toen tegen de kroon getikt en besloten om over te gaan tot verwijdering van de kroon. De kroon werd in de mond van de patiënte stuk gekraakt, waardoor haar tandvlees, dat al ernstig beschadigd was, nog ernstiger werd beschadigd. De wortel werd verwijderd zonder aanvullend vooronderzoek, waarvoor de cliënte eigenlijk was gekomen. De cliënte stelt door de handelwijze overrompeld te zijn. De kaakchirurg heeft de cliënte laten zien dat de wortel ernstig was ontstoken, maar niet gescheurd. Op de vraag van de cliënte aan de kaakchirurg of de wortel nu wel of niet gescheurd was, antwoordde de kaakchirurg dat de wortel intact was maar  ontstoken. Op 20 juli 2016 heeft de cliënte zonder overleg met haar een andere behandeling gekregen dan was afgesproken. In oktober 2016 is de cliënte met haar partner op gesprek geweest bij de kaakchirurg om te praten over de behandeling van 20 juli 2016. De kaakchirurg heeft toen weer gezegd dat de wortel was ontstoken en niet gescheurd en dat het verloop van de behandeling van 20 juli 2016 schriftelijk zou zijn vastgelegd.

2.
De kaakchirurg heeft tegen de cliënte de opmerking gemaakt dat hij vaak zegt dat de bek van een hond vaak schoner is dan die van een mens. De cliënte vond deze opmerking voor haar beledigend en zeer misplaatst, omdat haar mond niet vies was.

3.
Het patiëntendossier van de cliënte is veranderd en aangepast, zodat daarin “valse” informatie voorkomt. De gegevens over haar kaakconditie stonden niet juist in het dossier vermeld. In 2011 had de cliënte links en rechts milde klachten en pijn bij aanraking op de gevoelige plekken en van discusklachten links was geen sprake.

4.
De kaakchirurg heeft valsheid in geschrifte gepleegd tegenover de rechtsbijstandsverzekeraar van de cliënte toen deze bij hem informatie inwon over de medische situatie betreffende de kroon en de wortel, teneinde hem te laten getuigen tegen de voormalige tandarts van de cliënte. In een brief van de kaakchirurg aan de tandarts van de cliënte, waarvan een kopie naar de rechtsbijstandsverzekeraar is gestuurd, heeft de kaakchirurg verklaard dat de cliënte links meer last had dan rechts, hetgeen onjuist is omdat de cliënte links en rechts dezelfde klachten had.

5.
De kaakchirurg heeft onjuiste declaraties ingediend bij de zorgverzekeraar van de cliënte. De polikliniek kaakchirurgie heeft beweerd en aan de zorgverzekeraar van de cliënte tot driemaal toe meegedeeld dat er in juli 2016 een foto is gemaakt, hetgeen niet waar is.  De polikliniek heeft die foto wel gedeclareerd bij de zorgverzekeraar van de cliënte, terwijl de betreffende foto al begin 2016 door de tandarts van de cliënte was gedeclareerd.

6.
De splint is verkeerd gemaakt, waardoor deze meer schade heeft aangericht dan dat de cliënte er baat van heeft gehad.

7.
De kaakchirurg is nalatig geweest in het begeleiden van de cliënte als patiënt. De kaakchirurg heeft de cliënte en haar partner weken laten wachten voor een afspraak om te praten over de behandeling van 20 juli 2016. De kaakchirurg heeft de cliënte en haar partner pas in oktober 2016 op gesprek laten komen en tijdens dat gesprek heeft hij niet veel losgelaten.

De cliënte verlangt dat haar patiëntendossier naar waarheid wordt aangepast en dat zij een materiële en immateriële schadevergoeding krijgt voor de schade en pijn aan haar tandvlees, gebit en kaak, alsmede voor de door haar opgelopen geestelijke schade.

De klacht tegen de klachtenfunctionaris
De cliënte stelt dat de klachtenfunctionaris niets meer heeft laten weten na het indienen van haar klacht en de privacy van de cliënte heeft geschonden door in al haar medische gegevens te kijken. Bovendien heeft de klachtenfunctionaris het vertrouwen van de cliënte ernstig geschaad door een verwijsbrief van de polikliniek KNO uit het patiëntendossier van de cliënte te verwijderen.

Standpunt van het ziekenhuis

Het standpunt van het ziekenhuis luidt in hoofdzaak als volgt.
1.
De kaakchirurg heeft de cliënte op 13 juli 2016 gezien met pijnklachten ter hoogte van element 25 en een verhoogde mobiliteit van dit element met pocketverhoging palataal van element 25. Met de cliënte is toen besproken dat er mogelijk sprake is van een wortelfractuur. Er is een nieuwe afspraak gemaakt voor exploratie van element 25. Ook is besproken dat verwijdering van element 25 zou plaatsvinden indien er sprake is van een verticale barst. De cliënte is naar haar tandarts verwezen voor het maken van een spoon denture ter voorbereiding op een mogelijke verwijdering van element 25. Op 20 juli 2016 is de cliënte bij de kaakchirurg geweest voor een vervolgconsult. Zij had de door de tandarts gemaakte spoon denture meegebracht. Bij onderzoek bleek dat er een verticale barst in wortel 25 zichtbaar was. In overleg met de cliënte is element 25 verwijderd. De kaakchirurg heeft de verwijderde wortel aan de cliënte laten zien en op de barst gewezen. Herstel van een verticale barst van een element is niet mogelijk. Wanneer er sprake is van een verticale barst in de wortel, bestaat er geen andere behandelmogelijkheid dan verwijdering. Indien er nooit gesproken was over een verwijdering van het betreffende element, zou het onlogisch zijn om op voorhand een spoon denture te laten maken. Anders dan de cliënte stelt, is element 25 niet verwijderd zonder vooronderzoek; juist tijdens dat onderzoek is de barst geconstateerd. Na de verwijdering van element 25 is de spoon denture geplaatst.

2.
De kaakchirurg heeft aangegeven de betreffende opmerking anders bedoeld te hebben dan de cliënte heeft opgevat. In de opvatting van de kaakchirurg heeft hij gezegd dat hij nog liever door een hond wordt gebeten dan door een mens vanwege de pathogene bacteriën bij de mens. Indien de cliënte dit anders heeft opgevat, dan biedt de kaakchirurg daarvoor zijn excuses aan.

3.
De gegevens in het patiëntendossier van de cliënte, welke gegevens een weergave betreffen van de contacten met en behandeling van de cliënte, zijn niet aangepast of veranderd.

4.
Op 13 december 2016 heeft de kaakchirurg een brief van [de rechtsbijstand] ontvangen met het verzoek om aan de hand van een aantal daarin gestelde vragen inlichtingen te verstrekken in verband met het feit dat de tandarts van de cliënte op 2 december 2014 naar de mening van de cliënte in medisch en/of verpleegkundig opzicht onzorgvuldig en/of ondeskundig heeft gehandeld.
Bij brief van 28 december 2016 heeft de kaakchirurg de door [de rechtsbijstand] gestelde vragen zo duidelijk mogelijk beantwoord, waarbij gebruik is gemaakt van de gegevens die in het patiëntendossier van de cliënte stonden vermeld.

5.
De kaakchirurg heeft op de nota die naar de zorgverzekeraar van de cliënte is gestuurd, de juiste codes, passend bij de behandeling die heeft plaatsgevonden, vermeld. Er wordt niet altijd een nieuwe foto gemaakt bij de polikliniek kaakchirurgie. De foto die bij de tandarts is gemaakt, wordt in het dossier opgenomen. Er wordt dan geen nieuwe foto in rekening gebracht, maar er wordt wel een code geregistreerd voor “beoordeling van de foto”. Deze code – code 9465 – is mogelijk ook op de nota van de zorgverzekeraar te zien.

6.
Op 13 januari 2016 heeft de cliënte de kaakchirurg bezocht in verband met persisterende klachten ter hoogte van element 25. Ter hoogte van dat element werd pocket palataal vastgesteld. Bovendien was er duidelijk slijtage ter hoogte van de splint zichtbaar als gevolg van bruxisme. De splint werd aangepast. Voor behandeling van de klachten ter hoogte van element 25 werd de cliënte verwezen naar haar tandarts.

7.
Er had al eerder een gesprek met de cliënte plaatsgevonden, waarin de kaakchirurg uitleg heeft gegeven over de behandeling. Het leek de kaakchirurg op dat moment niet zinvol om opnieuw een gesprek aan te gaan omdat hij geen andere informatie kon geven. Op 19 oktober 2016 heeft er toch een gesprek tussen de cliënte en de kaakchirurg plaatsgevonden over de behandeling op 20 juli 2016. De cliënte was verrast dat element 25 toen zo snel verwijderd werd; zij had verwacht dat er eerst een uitgebreider onderzoek zou plaatsvinden. De kaakchirurg heeft de cliënte toen uitgelegd dat er na een incisie een mucogingivale lap werd gemaakt palataal, waarbij een verticale barst in de wortel van element 25 en palataal botverlies werd vastgesteld.

De klacht tegen de klachtenfunctionaris
Het is niet juist dat de klachtenfunctionaris niets met de klacht van de cliënte heeft gedaan. In de periode van 6 maart 2016 tot 7 april 2016 heeft de klachtenfunctionaris meermalen zowel persoonlijk als via de e-mail contact gehad met de cliënte. De klachtenfunctionaris heeft de cliënte steeds proberen te helpen. De cliënte had echter steeds vragen over haar gegevens in het patiëntendossier, die de klachtenfunctionaris niet altijd meteen kon beantwoorden. De klachtenfunctionaris kan vanuit haar functie geen patiëntendossier kopiëren, maar alleen gegevens inzien.

De cliënte heeft een kopie van haar patiëntendossier opgevraagd en ontvangen. De cliënte heeft bij de klachtenfunctionaris melding gemaakt van het feit dat in dat dossier een voor haar belangrijke verwijsbrief van de polikliniek KNO niet aanwezig was. De klachtenfunctionaris heeft de cliënte proberen te helpen door samen in haar dossier te kijken in de correspondentie, waar alle brieven van elk specialisme staan vermeld. De brief waar de cliënte naar zocht, bleek niet in het dossier aanwezig te zijn, terwijl de polikliniek KNO aan de cliënte had meegedeeld dat er wel een verwijsbrief aanwezig was. De klachtenfunctionaris heeft contact willen opnemen met de polikliniek KNO om naar de betreffende brief te vragen. Omdat de cliënte niet wilde dat de klachtenfunctionaris met de polikliniek KNO contact zou opnemen, is dat ook niet gebeurd. De klachtenfunctionaris betwist dat zij iets gewijzigd heeft in het patiëntendossier van de cliënte.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen door hen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht, het volgende overwogen.

De klacht tegen de kaakchirurg
Algemeen
De cliënte en het ziekenhuis hebben met elkaar een overeenkomst gesloten voor de behandeling van klachten aan de kaak en een tand van de cliënte. Deze overeenkomst kwalificeert als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

De cliënte houdt het ziekenhuis aansprakelijk voor de door haar geleden schade en pijn aan haar kaak, tandvlees en gebit als gevolg van de behandeling door de kaakchirurg van het ziekenhuis. Voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis is vereist dat voldoende aannemelijk is dat het ziekenhuis, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor het ziekenhuis uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is te kort geschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval het ziekenhuis) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal hierna bij de bespreking van de klachtonderdelen dezelfde volgorde aanhouden als hiervoor onder de standpunten van partijen.

1.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de cliënte op 20 juli 2016 zonder overleg met haar een andere behandeling heeft gekregen dan was afgesproken. De cliënte heeft gesteld dat was afgesproken dat op die datum slechts een kijkoperatie zou plaatsvinden, terwijl het ziekenhuis heeft gesteld dat de afspraak was een onderzoek én de verwijdering van element 25 indien dan blijkt dat zich in dat element een verticale barst bevindt.

De stelling van het ziekenhuis overtuigt de commissie méér dan de stelling van de cliënte. Het ziekenhuis heeft aangegeven dat de kaakchirurg de cliënte op 13 juli 2016 het advies heeft gegeven alvast een splint te laten maken indien element 25 mogelijk verwijderd zou moeten worden. Het op voorhand maken van een splint zou volgens het ziekenhuis onlogisch zijn indien het element niet verwijderd zou hoeven te worden. Dat advies heeft de cliënte opgevolgd en op 20 juli 2016 had de cliënte de splint bij zich bij haar bezoek aan de kaakchirurg. Deze gang van zaken wijst meer in de richting van een afspraak tot onderzoek én behandeling met een eventuele verwijdering van element 25 op 25 juli 2016 dan op een afspraak tot enkel en alleen een onderzoek op die datum. Hoewel dit – gelet op de andersluidende stelling van het ziekenhuis – op de weg van de cliënte had gelegen de juistheid van haar stelling op enigerlei wijze aannemelijk te maken, heeft zij dat niet gedaan. De commissie gaat dan ook uit van de stelling van het ziekenhuis in deze en dat betekent dat de cliënte op 20 juli 2016 geen andere behandeling heeft gekregen dan de behandeling die met haar op 13 juli 2016 was afgesproken. Gezien het vooroverleg op laatstgenoemde datum acht de commissie het niet aannemelijk dat de cliënte werd overrompeld toen de wortel werd verwijderd.
Op 20 juli 2016 heeft de kaakchirurg het desbetreffende element onderzocht en daarbij een verticale barst in de wortel geconstateerd. Volgens de stelling van het ziekenhuis, die door de cliënte niet is betwist, bestaat er bij een verticale barst in de wortel geen andere behandelmogelijkheid dan verwijdering en daarover is de cliënte ook vooraf ingelicht. Naar het oordeel van de commissie heeft het ziekenhuis aldus de zorg betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Niet aannemelijk is geworden dat dat de kaakchirurg zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt, zodat er van een toerekenbare tekortkoming dan ook geen sprake kan zijn.

2.
Het ziekenhuis heeft gesteld dat de kaakchirurg met de door de cliënte gewraakte opmerking symbolisch iets duidelijk heeft willen maken, maar dat hij zeker niet de bedoeling heeft gehad de cliënte daarmee te beledigen. Voor het geval de cliënte de opmerking anders heeft opgevat, heeft het ziekenhuis voor de betreffende opmerking zijn excuses aangeboden, die door de kaakchirurg ter zitting zijn herhaald. Met het aanbieden van excuses, waarvan niet gebleken is dat de cliënte deze niet heeft geaccepteerd, acht de commissie dit onderdeel van de klacht in voldoende mate afgedaan.

3.
Het ziekenhuis heeft de stelling van de cliënte dat (de inhoud van) haar patiëntendossier is veranderd en aangepast, bestreden. De stellingen van partijen staan haaks op elkaar. Het had op de weg van de cliënte gelegen om de juistheid van haar stelling in voldoende mate aannemelijk te maken. De cliënte heeft dat niet gedaan. In een situatie als deze waarin niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen het meest aannemelijk is, kan een klacht die gebaseerd is op de stelling van de cliënte in beginsel niet gegrond worden bevonden.

4.
Het ziekenhuis heeft gesteld dat de kaakchirurg de vragen van de rechtsbijstandsassuradeur van de cliënte heeft beantwoord aan de hand van het patiëntendossier van de cliënte. Naar het oordeel van de commissie heeft de kaakchirurg ten opzichte van de cliënte niet onjuist gehandeld door zich bij de beantwoording van de gestelde vragen te baseren op het patiëntendossier van de cliënte. Van dit dossier staat immers niet vast – zoals uit de vorige overweging valt af te leiden – dat de inhoud daarvan niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijkheid. Van valsheid in geschrifte kan geen sprake zijn.

5.
Het ziekenhuis heeft de stelling van de cliënte betwist dat de kaakchirurg een door de tandarts van de cliënte begin 2016 gemaakte en bij haar zorgverzekeraar gedeclareerde foto eveneens heeft gedeclareerd. Volgens het ziekenhuis is niet de foto die bij de tandarts is gemaakt, maar de beoordeling daarvan gedeclareerd. Naar aanleiding van deze betwisting had de cliënte de juistheid van haar stelling aannemelijk moeten maken. De cliënte heeft echter op de betwisting door het ziekenhuis niet meer gereageerd. De stelling van de cliënte dat het ziekenhuis onjuiste declaraties heeft ingediend bij de zorgverzekeraar van de cliënte is niet aannemelijk geworden.

6.
De cliënt stelt dat de splint verkeerd is gemaakt, maar zij stelt niet dat de splint door of in opdracht van (de kaakchirurg van) het ziekenhuis is gemaakt. Uit het verweer van het ziekenhuis begrijpt de commissie dat de splint elders is vervaardigd. Reeds om deze reden kan het ziekenhuis geen verwijt worden gemaakt van het feit dat splint verkeerd gemaakt zou zijn.

7.
De cliënte heeft niet betwist dat de kaakchirurg haar al eerder uitleg had gegeven en geen andere informatie kon geven, zoals het ziekenhuis heeft gesteld. In dit geval kan de commissie zich voorstellen dat het door de cliënte gewenste gesprek – objectief gezien – een niet al te hoge prioriteit heeft en de kaakchirurg zo’n gesprek afhankelijk laat zijn van de ruimte in zijn agenda. Niet aannemelijk is geworden dat de kaakchirurg de cliënte en haar partner verwijtbaar weken heeft laten wachten op een gesprek met hem. De cliënte heeft verder gesteld dat de kaakchirurg in dat gesprek niet veel heeft losgelaten. Indien die uitleg voor de cliënte onvoldoende was geweest, dan had zij de kaakchirurg nadere vragen moeten stellen. Dat de cliënte dat heeft gedaan, is gesteld noch gebleken.

De klacht tegen de klachtenfunctionaris
Dat de klachtenfunctionaris met de klacht van de cliënte niets heeft gedaan, wordt door het ziekenhuis gemotiveerd betwist. De commissie constateert dat uit de door de cliënte overgelegde stukken blijkt dat de klachtenfunctionaris de klacht in behandeling heeft genomen en de klacht – voor zover dat in haar vermogen lag – verder ook in voldoende mate heeft behandeld. Wat de klachtenfunctionaris (nog) meer of anders had moeten doen dan zij heeft gedaan, is gesteld noch gebleken.

De commissie gaat niet mee met de stelling van de cliënte dat de klachtenfunctionaris de privacy van de cliënte heeft geschonden. Het ziekenhuis heeft gesteld dat de klachtenfunctionaris samen met de cliënte in haar patiëntendossier heeft gekeken. In soortgelijke zin heeft de cliënte zich uitgelaten in een schriftelijke toelichting die zij op haar klacht heeft gegeven. Door samen in dat dossier te kijken, moet het ervoor worden gehouden dat de cliënte haar (impliciete) toestemming daarvoor aan de klachtenfunctionaris heeft gegeven. In het geval van verleende toestemming kan er geen sprake zijn van schending van de privacy.

De door het ziekenhuis betwiste stelling van de cliënte dat de klachtenfunctionaris een verwijsbrief uit het patiëntendossier heeft verwijderd, ontbeert een feitelijke grondslag. De cliënte had feiten en omstandigheden moeten stellen op grond waarvan aannemelijk zou kunnen zijn dat de klachtenfunctionaris de verwijsbrief heeft verwijderd, maar daarmee is de cliënte in gebreke gebleven.

Conclusie
Op grond van de voorgaande overwegingen dienen zowel de klachten tegen de kaakchirurg als tegen de klachtenfunctionaris ongegrond verklaard te worden.

De vorderingen van de cliënte
De cliënte verlangt dat haar patiëntendossier naar waarheid wordt aangepast en dat zij een materiële en immateriële schadevergoeding krijgt voor de schade en pijn aan haar tandvlees, gebit en kaak alsmede voor de door haar opgelopen geestelijke schade.

De vordering tot aanpassing van het patiëntendossier van de cliënte is niet toewijsbaar, omdat niet is komen vast te staan, althans aannemelijk is geworden, dat het patiëntendossier van de cliënte is ver-anderd en aangepast.

Voor aanspraak op materiële en/of immateriële schadevergoeding is ten minste vereist dat de schul-denaar (in dit geval het ziekenhuis) in enig opzicht toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Hiervoor heeft de commissie overwogen, dat de klacht van de cliënte in al haar onderdelen ongegrond is. Dat betekent dat van een toerekenbare tekortkoming geen sprake is, dat aan de cliënte geen aanspraak op schadevergoeding toekomt en dat de door haar verlangde schade-vergoeding zal worden afgewezen.
Ten slotte
Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht van de cliënte in al haar onderdelen ongegrond;

wijst de vorderingen van de cliënte af.

Aldus beslist op 8 september 2017 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen.