Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: (On)Zorgvuldig handelen
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
1244178/1311141
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De cliënt had al jaren last van duizeligheid en wazig zien en vindt dat het ziekenhuis haar niet goed heeft geholpen. Zij zegt dat er geen goede ondersteuning was, dat zij steeds naar een opticien werd gestuurd voor dure brillen die niet hielpen, en dat haar klachten veel eerder verholpen hadden kunnen worden met de juiste bril. De zorgaanbieder zegt dat er zorgvuldig onderzoek is gedaan door verschillende specialisten en dat de informatie in het dossier klopt. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder voldoende onderzoek heeft gedaan naar de duizeligheid, maar dat het ziekenhuis wél had moeten vertellen dat de cliënt beginnende staar had. Daarom wordt alleen dit deel van de klacht gegrond verklaard. De overige klachten zijn ongegrond en de schadevergoeding wordt afgewezen. De cliënt krijgt wel haar klachtengeld van € 77,50 terug.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Rijnstate, gevestigd te Arnhem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de behandeling van de duizeligheids- en visusklachten van de cliënt.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt is bekend met een hersenafwijking waardoor de hersenen de ogen niet goed aansturen.
De cliënt heeft sinds een valpartij duizeligheidsklachten in verband met een hersenschudding. Zowel de huisarts en de zorgaanbieder hebben diverse onderzoeken gedaan, maar hebben geen oorzaak gevonden. Vervolgens hebben zes onderzoeken plaatsgevonden. De cliënt kreeg oefeningen, maar die hielpen niet. Inmiddels heeft de cliënt acht tia’s gehad die haar spraak hebben aangetast en heeft zij tweemaal hartproblemen gekregen vanwege stress.
De cliënt verwijt de zorgaanbieder het gebrek aan ondersteuning. De zorgaanbieder bleef de cliënt verwijzen naar een opticien, waar zij telkens nieuwe dure brillen aangemeten kreeg die de problemen niet konden verhelpen. De cliënt is recent aan staar geopereerd, waarna bleek dat zij met het linkeroog 100% zicht had en met het rechteroog 95% zicht. Toch zag de cliënt nog steeds wazig in de verte. Uiteindelijk werd de cliënt verwezen naar een optometrist en met de bril die zij daar kreeg waren de duizeligheidsklachten direct verdwenen.
De cliënt is van mening dat dit traject van 14 jaar niet nodig was geweest als de zorgaanbieder haar medische voorgeschiedenis goed had gelezen. De klacht van de cliënt is tot tweemaal toe afgewezen. Ze vordert een vergoeding van € 10.000,- aan materiële en immateriële schade.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder meent dat de orthoptist en de oogarts zorgvuldig en nauwkeurig te werk zijn gegaan. Uit het medisch dossier valt op te maken dat de cliënt bij elke hulpvraag is geholpen en de juiste opvolging is gegeven door de betrokken zorgverleners.
De cliënt stelt: “Hersenafwijking (hersenen sturen ogen niet goed aan) staat sinds 2004 in medisch dossier Rijnstate”. Het is de zorgaanbieder niet gebleken dat dit in het dossier staat genoteerd. De zorgaanbieder heeft meermaals aan de cliënt aangegeven dat er mogelijk sprake is van verwarring bij de cliënt met betrekking tot de door de cliënt benoemde hersenafwijking.
De zorgaanbieder heeft hierover verklaard dat er bij de cliënt sprake was van scheelzien, waarschijnlijk al vanaf de geboorte, hierdoor zijn de ogen niet goed gaan samenwerken en is er een lui oog ontstaan. Dit is echter nooit benoemd als een aangeboren hersenafwijking.
De zorgaanbieder meent zorgvuldig en volgens de professionele standaard jegens de cliënt te hebben gehandeld. De vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen, nu het onzorgvuldig handelen, het causaal verband en de aard en hoogte van de schade onvoldoende zijn aangetoond.
Beoordeling van het geschil
Reikwijdte klacht
Uit het vragenformulier meent de commissie af te leiden dat de klacht van de cliënt in drie klachtonderdelen uiteen valt.
Het eerste klachtonderdeel betreft het verwijt dat door de zorgaanbieder onvoldoende ondersteuning is geboden, althans dat de duizeligheidsklachten van de cliënt niet adequaat zijn opgepakt.
Het tweede klachtonderdeel ziet op de stelling van de cliënt dat zij ten onrechte is verwezen naar een opticien, als gevolg waarvan haar meerdere brillen zijn aangemeten die geen verbetering van de klachten teweegbrachten.
Het derde klachtonderdeel heeft betrekking op het onnodig lang voortduren van de duizeligheidsklachten, nu zij bij een passende (prisma)bril direct zouden zijn verholpen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten, betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Op grond van de behandelingsovereenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder is aangegaan, moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (het goed hulpverlenerschap uit artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Het goed hulpverlenerschap houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Onvoldoende ondersteuning
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken, is de commissie gebleken dat naar aanleiding van de duizeligheidsklachten van de cliënt door diverse specialisten uiteenlopende onderzoeken zijn verricht, waaronder door een oogarts, een KNO-arts en een neuroloog. De cliënt heeft dit ook in haar stukken bevestigd. Uit deze onderzoeken is naar voren gekomen dat bij de cliënt sprake is van benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD), zijnde een chronische vorm van duizeligheid.
Naar het oordeel van de commissie is het begrijpelijk en zorgvuldig dat, gelet op de aard van de klachten, niet uitsluitend een oogarts bij het onderzoek is betrokken, maar ook andere medisch specialisten. Duizeligheidsklachten worden immers in veel gevallen door afwijkingen in het evenwichtsorgaan veroorzaakt.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de zorgaanbieder onvoldoende of niet adequaat heeft gereageerd op de duizeligheidsklachten van de cliënt, dan wel de cliënt daarbij onvoldoende heeft ondersteund. De cliënt heeft haar stelling op dit punt bovendien niet nader gemotiveerd.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Verwijzingen naar opticien
De cliënt klaagt dat zij in verband met klachten van wazig zicht meermalen is verwezen naar een opticien, alwaar haar kostbare brillen zijn aangemeten die niet tot verbetering van de klachten hebben geleid. De cliënt stelt zich op het standpunt dat zij niet begrijpt waarom bij herhaling voor deze verwijzingen is gekozen.
Uit het medisch dossier is de commissie gebleken dat bij de cliënt reeds op 30 oktober 2014 (beginnende) staar is geconstateerd. De commissie kan echter niet vaststellen dat deze bevinding tijdens de consulten van 22 mei 2015, 3 oktober 2022, 29 december 2022 en 28 april 2023, alwaar bij oogheelkundige onderzoeken deze bevinding ook werd geconstateerd, met de cliënt is besproken, nu hiervan geen aantekening is gemaakt in het medisch dossier. Ook ter zitting heeft de zorgaanbieder, desgevraagd, hierover geen eenduidig antwoord kunnen geven, temeer nu de oogarts die de betreffende consulten heeft verricht niet ter zitting aanwezig was. Wel heeft de zorgaanbieder verklaard dat het zwaartepunt van de behandeling was gelegen bij de behandeling van maculadegeneratie. Cliënt hoorde pas voor het eerst dat zij staar had van de opticien in mei 2023.
Naar het oordeel van de commissie had de constatering van (beginnende) staar met de cliënt besproken dienen te worden. De cliënt dient immers in staat te worden gesteld om, op basis van volledige en begrijpelijke informatie, samen met de zorgverlener een geïnformeerde keuze te maken ten aanzien van het te volgen behandelbeleid. Dit geldt temeer nu is gebleken dat de klachten van wazig zicht na de staaroperatie (gedeeltelijk) zijn verdwenen.
Dit klachtonderdeel is dan ook gegrond.
Klachten opgelost na (prisma)bril
De cliënt klaagt dat haar door een opticien een (prisma)bril is aangemeten, waarna haar duizeligheidsklachten zijn verdwenen. De cliënt vraagt zich af waarom de zorgaanbieder deze mogelijkheid niet in een eerder stadium heeft onderkend.
De zorgaanbieder heeft ter zitting verklaard dat de cliënt op advies van de zorgaanbieder eerder een plakprisma heeft geprobeerd, wat geen verbetering heeft gebracht. Voorts heeft de cliënt, ondanks het dragen van de betreffende bril, recent nog aangegeven nog steeds duizeligheidsklachten te ervaren. Ook heeft de zorgaanbieder toegelicht dat een (prisma)bril in het onderhavige geval niet kan bijdragen aan het verminderen van duizeligheidsklachten, gelet op de bij de cliënt aanwezige scheelzienshoek en de daarmee samenhangende suppressie. De cliënt heeft deze toelichting niet weersproken, terwijl daar op de zitting wel gelegenheid voor was. Het komt voor haar rekening en risico dat zij niet verschijnt en als gevolg daarvan het ter zitting door de zorgaanbieder gevoerde verweer niet heeft weersproken.
Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.
Conclusie
Nu de klacht ten dele gegrond wordt verklaard, ziet de commissie aanleiding de zorgaanbieder te veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 77,50.
Wellicht ten overvloede merkt de commissie nog op dat de commissie niet is gebleken dat sprake is van beëindiging van de behandelovereenkomst, zoals door de cliënt is opgemerkt.
Schadevergoeding
Voor aansprakelijkheid van een zorgaanbieder jegens de cliënt is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel iemand die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.
Naar het oordeel van de commissie heeft de cliënt onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van een oorzakelijk verband tussen haar klacht over de verwijzingen naar de opticien en de gestelde schade. Daarnaast zijn weliswaar facturen van brillen overgelegd, maar is de commissie niet gebleken welke brillen de cliënt daadwerkelijk zelf heeft moeten betalen.
De vordering tot schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht ten aanzien van de verwijzingen naar de opticien gegrond;
– verklaart de overige klachten ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder het door de cliënt betaalde klachtengeld van € 77,50 dient te vergoeden binnen 14 dagen na verzending van dit bindend advies;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer drs. T.C.G. Feenstra, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 13 januari 2026.