Klacht niet ontvankelijk: alleen de rechter kan klachten tegen afgedwongen maatregelen in het kader van de Wet BOPZ beoordelen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 106571

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënt en Stichting Arkin, gevestigd te Amsterdam (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Op 13 februari 2017 heeft te Amsterdam de behandeling plaatsgevonden.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen, omdat uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of cliënt in zijn klacht ontvankelijk is. Partijen zijn van deze procedurele gang van zaken op de hoogte gesteld.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de compensatie van een vliegticket met een waarde van € 215,– welke met toestemming van de zorgaanbieder is aangeschaft en welke ticket diende om een echtscheidingsprocedure in Turkije te kunnen bijwonen.

Cliënt heeft in 2016 de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Aanvankelijk heeft cliënt eveneens een vergoeding gevraagd voor verloren gegane artikelen tot een bedrag van € 45,– doch cliënt heeft dit klachtonderdeel niet gehandhaafd omdat deze goederen inmiddels weer terecht zijn gekomen.

Standpunt van cliënt

Cliënt heeft zijn klachten vermeld in het door hem op 31 oktober 2016 ingevulde klachtenformulier en de daarbij behorende bijlagen, waarvan de kern – kort en zakelijk – als volgt wordt weergegeven:

Door de zorgaanbieder is cliënt ten onrecht te vroeg naar huis gestuurd waardoor hij onvoldoende kans heeft gehad om zodanig te herstellen dat hij in staat was om naar Turkije te vliegen.
Door cliënt is na daartoe verkregen toestemming door personeelsleden van de zorgaanbieder een ticket aangeschaft om in het kader van genoemde echtscheidingsprocedure te kunnen reizen.

In een later stadium is hem niet (meer) toegestaan de reis te laten plaatsvinden

Cliënt verlangt vergoeding voor het vliegticket ad € 215,– waarvan hij geen gebruik heeft kunnen maken omdat hem niet werd toegestaan te reizen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar het verweer van de zorgaanbieder. In de kern komt het verweer van de zorgaanbieder op de klacht van cliënt op het volgende neer.

Cliënt is van 8 april 2016 tot 28 juli 2016 en vanaf 16 augustus tot eind september 2016 met een rechterlijke machtiging opgenomen geweest op de kliniek Mentrum te Amsterdam. Op 28 juli vond een eerste ontslag plaats. Cliënt is toen vrijwillig vertrokken. Gebleken is dat door cliënt op 21 juli 2016 een ticket is gekocht om naar Turkije te vliegen. Het bestellen van het ticket is niet met zijn behandelaren besproken evenmin is gedurende de periode tot 28 juli 2016 een toezegging gedaan c.q. toestemming verleend om naar Turkije te gaan voor een beslissing over de echtscheiding.

Cliënt is op 16 augustus 2016 opnieuw opgenomen.
Op 19 augustus heeft hij de behandelend arts laten weten dat hij een ticket had om naar Turkije te reizen.
Afgesproken is dat er naar toe gewerkt zou worden om de reis mogelijk te maken. Op enig moment verslechterde de toestand van de cliënt. Het werd noodzakelijk om de cliënt te separeren.

De toestand van de cliënt verbeterde niet waarna op 5 september 2016 werd besloten dat de reis de volgende dag niet door kon gaan omdat de cliënt nog in de separeerruimte verbleef.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie verwijst in de eerste plaats naar de Wet BOPZ. Op grond artikel 41 van die wet heeft de onvrijwillig opgenomen cliënt het recht om te klagen over ingrijpende beslissingen die genomen worden op grond van de Wet BOPZ. Het gaat daarbij om klachten over de bepaling van de wilsonbekwaamheid, dwangbehandeling, vrijheidsbeperking en het niet uitvoeren van het overeengekomen behandelplan.

1. Wanneer er sprake is van een rechtelijke machtiging, waarvan in casu sprake is, kunnen tegen de opgenomen cliënt maatregelen worden genomen. De cliënt is niet ontvankelijk in bezwaren tegen afgedwongen maatregelen omdat bezwaren tegen de gedwongen maatregelen genomen dienen te worden door de rechter in het kader van de Wet BOPZ.
2. De beoordeling van de informatie welke al dan niet tot een rechterlijke machtiging leidt behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de rechter met betrekking tot BOPZ- klachten. Ook al zou de rechter de maatregel hebben opgelegd op basis van onjuiste informatie door de zorginstelling, dan nog is deze commissie niet bevoegd hierover een oordeel te geven. Daarmee zou immers impliciet een inhoudelijk oordeel gegeven worden over de uitspraak van de rechter.
3. Het vorenstaande geldt ook voor feiten of omstandigheden die aan de onvrijwillige opname ten grondslag liggen of daarvan een uitvloeisel zijn en waarvoor de commissie onbevoegd is. Daar mee zou immers een inhoudelijk oordeel gegeven worden over de uitspraak van de rechter.

Het vorenstaande vindt zijn weerslag in het reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (versie 1 oktober 2015) waar in artikel 5. (ontvankelijkheid) onder meer is opgenomen dat de commissie de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk verklaart: ……
“g. indien sprake is van opname of behandeling op grond van een justitiële maatregel….”.

Aldus wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk.

Aldus beslist op 13 februari 2017 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.