Klacht niet ontvankelijk: schadevergoeding ten gevolge van onvrijwillige opname moet door de rechter in het kader van de wet BOPZ beoordeeld worden.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 105617

De uitspraak:

In het geschil tussen

Cliënt en Stichting GGZ Breburg Groep, gevestigd te Tilburg (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Op 13 februari 2017 heeft te Amsterdam de behandeling plaatsgevonden.
Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen, omdat uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of klager in zijn klacht ontvankelijk is. Partijen zijn van deze procedurele gang van zaken op de hoogte gesteld.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de schade die cliënt zou hebben geleden als gevolg van een gedwongen opname bij de zorgaanbieder. Cliënt vraagt de commissie haar een schadevergoeding toe te kennen van
€ 5000,–.

Standpunt van cliënt

Cliënt heeft haar klachten vermeld in het door haar op 21 september 2016 ingevulde klachtenformulier en de daarbij behorende bijlagen, waarvan de kern – kort en zakelijk – als volgt wordt weergegeven:

Het standpunt van cliënt luidt als volgt.

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer. Door de zorgaanbieder is cliënt slecht beoordeeld en geïnformeerd en ten onrechte gedwongen opgenomen geweest in de instelling van de zorgaanbieder. Als gevolg hiervan heeft cliënt stress ervaren en diverse gezondheidsklachten opgelopen. Cliënt heeft bij haar ontslag geen hulp gekregen bij het zoeken naar woonruimte. Cliënt verzoekt om een schadevergoeding van € 5000,– om de kosten van medicijnen en hulpmiddelen te kunnen dragen.

Standpunt van de zorgaanbieder

In de kern komt het verweer van de zorgaanbieder op de klacht van klager op het volgende neer.

Cliënt is op 27 juli 2016 tot en met 17 augustus 2016 met een Voortgezette Inbewaringstelling
(V-IBS) opgenomen geweest, aanvankelijk in een andere zorginstelling. Op 4 augustus 2016 is cliënt opgenomen in de zorginstelling van de zorgaanbieder. Op 17 augustus 2016 eindigde de looptijd van de V-IBS. De aanvraag voor een aansluitende voorlopige machtiging (VM) is door de rechter niet gehonoreerd. Cliënt was niet bereid op vrijwillige basis in de instelling te verblijven. Op 18 augustus 2016 is cliënt ontslagen uit de instelling. Zij is bij haar ouders gaan wonen.
Cliënt heeft eerder haar klachten ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder met het verzoek om een schadevergoeding. Cliënt heeft de procedure bij de klachtencommissie stopgezet toen zij vernam dat de klachtencommissie aangaf geen uitspraken te doen over schadevergoeding. Omdat de zorgaanbieder uit de bij de geschillencommissie niet duidelijk blijkt wat de klachten inhouden, is cliënt uitgenodigd om hierover met de zorgaanbieder in gesprek te gaan. Cliënt stond hier helaas niet voor open.
Primair verzoekt de zorgaanbieder de commissie om cliënt in haar klachten niet-ontvankelijk te verklaren op grond van het feit dat zij niet bereid is geweest haar klachten nader toe te lichten in een gesprek, waardoor het voor de zorgaanbieder onmogelijk was om inhoudelijk op de klachten of het verzoek om schadevergoeding te reageren.

Subsidiair verzoekt de zorgaanbieder om de klachten in alle onderdelen ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de klacht over slechte beoordeling en informatie.
Ten eerste is het de zorgaanbieder niet duidelijk welke beoordeling hier wordt bedoeld. Voor zover het de beoordeling betreft ten behoeve van de inbewaringstelling op 22 juli 2016 verzoekt de zorgaanbieder de commissie om cliënt niet ontvankelijk te verklaren omdat het hier een opname betrof ten behoeve van opname in een andere zorginstelling. Voor zover het de beoordeling betreft d.d. 22 juli 2016 door psychiater B ten behoeve van de V-IBS in de zorginstelling d.d. 27 juli 2016 heeft cliënt niet onderbouwd waarom de beoordeling slecht zou zijn. Blijkens de verslaglegging in de geneeskundige verklaring voldoet de beoordeling aan de daaraan te stellen eisen en is er geen reden te twijfelen aan de zorgvuldigheid waarmee de verklaring tot stand is gekomen.
Met cliënt is meermaals besproken wat de reden voor haar gedwongen opname was, hoe het voorgestelde behandelbeleid eruit zag en waarom voor dit beleid gekozen is, zowel bij opname als op latere momenten. Dit is in het medisch dossier van cliënt terug te vinden. Uit de rapportage van 16 augustus 2016 blijkt onder meer dat gesprekken met behandelaar door cliënt worden afgewezen omdat zij maar een ding vraagt, en dat is ontslag uit de zorginstelling.
De zorginstelling verzoekt de commissie dit klachtonderdeel ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de klacht over gezondheidsklachten en stress.
Vanuit de beleving van cliënt zijn de gevoelens van irritatie en stress begrijpelijk. Uit het psychiatrisch onderzoek bij opname in de zorginstelling van de zorgaanbieder d.d. 4 augustus 2016 blijkt dat er geen enkel ziektebesef of –inzicht bij cliënt aanwezig is. Cliënt vond het niet terecht dat de rechter de IBS d.d. 27 juli 2016 heeft bekrachtigd en wilde niet op een psychiatrische afdeling verblijven. De zorgaanbieder is van mening dat er geen slechte beoordeling is geweest en dat zij heeft voldaan aan haar informatieplicht. De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren.
Voor zover de klacht ziet op gezondheidsklachten veroorzaakt door een slechte beoordeling is het de zorgaanbieder niet duidelijk welke beoordeling cliënt hier bedoelt. Bij de opname van cliënt is er een behandelplan opgesteld waarin enkele beoordelingen zijn opgenomen. Er is geen reden aan te nemen dat deze of andere beoordelingen tijdens de behandeling van cliënt door de zorgaanbieder onzorgvuldig zouden zijn gedaan. Zoals gezegd heeft cliënt haar stelling dat de beoordeling(en) slecht zouden zijn ook niet onderbouwd.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie om ook deze klacht ongegrond te verklaren.

Ten aanzien van de door cliënt gevraagde schadevergoeding.
Het is de zorgaanbieder onduidelijk welke kosten cliënt bedoelt en hoe deze in verband staan met de klachten die zij heeft neergelegd bij de commissie. Cliënt heeft tijdens haar behandeling meermaals laten weten het niet eens te zijn met de opname noch met de voorgestelde behandeling. Gesprekken met behandelaren hebben helaas niet tot overeenstemming kunnen leiden. Helaas heeft cliënt na beëindiging van de behandeling geen gebruik gemaakt van de uitnodiging om over haar klachten en verzoek tot schadevergoeding in gesprek te gaan. De zorgaanbieder kan inhoudelijk niet op de gevraagde schadevergoeding voor gemaakte kosten reageren. De zorgaanbieder verzoekt de commissie de door cliënt gevraagde schadevergoeding niet toe te kennen.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie verwijst in de eerste plaats naar de Wet BOPZ. Op grond artikel 41 van die wet heeft de onvrijwillig opgenomen cliënt het recht om te klagen over ingrijpende beslissingen die genomen worden op grond van de Wet BOPZ. Het gaat daarbij om klachten over de bepaling van de wilsonbekwaamheid, dwangbehandeling, vrijheidsbeperking en het niet uitvoeren van het overeengekomen behandelplan.

1. Wanneer er sprake is van een rechtelijke machtiging, waarvan in casu sprake is, kunnen tegen de opgenomen cliënt maatregelen worden genomen. De klager is niet ontvankelijk in bezwaren tegen afgedwongen maatregelen omdat bezwaren tegen de gedwongen maatregelen beoordeeld dienen te worden door de rechter in het kader van de Wet BOPZ.
2. De beoordeling van de informatie welke al dan niet tot een rechterlijke machtiging leidt behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de rechter met betrekking tot BOPZ- klachten. Ook al zou de rechter de maatregel hebben opgelegd op basis van onjuiste informatie door de zorginstelling, dan nog is deze commissie niet bevoegd hierover een oordeel te geven. Daarmee zou immers impliciet een inhoudelijk oordeel gegeven worden over de uitspraak van de rechter.
3. Het vorenstaande geldt ook voor feiten of omstandigheden die aan de onvrijwillige opname ten grondslag liggen of daarvan een uitvloeisel zijn en waarvoor de commissie onbevoegd is. Daar mee zou immers een inhoudelijk oordeel gegeven worden over de uitspraak van de rechter.

Het vorenstaande vindt zijn weerslag in het reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (versie 1 oktober 2015) waar in artikel 5. (ontvankelijkheid) onder meer is opgenomen dat de commissie de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk verklaart: ……
“g. indien sprake is van opname of behandeling op grond van een justitiële maatregel….”.

Aldus wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart cliënt in haar geschil ambtshalve niet ontvankelijk

Aldus beslist op 13 februari 2017 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg.