Klacht over behandeling na gebroken rugwervel te laat ingediend

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1014531/1252032

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een vrouw diende een klacht in tegen het UMCG over haar behandeling na een ziekenhuisopname in 2017 vanwege een gebroken rugwervel. Volgens haar had het ziekenhuis destijds moeten kiezen voor een operatie, omdat er sprake was van neurologische klachten en een botscherf in het wervelkanaal. In plaats daarvan werd gekozen voor een conservatieve behandeling, waarbij zij moest mobiliseren zonder operatie. De vrouw stelt dat dit tegen de medische richtlijnen was en dat haar klachten daardoor zijn verergerd. Het ziekenhuis voerde echter aan dat de klacht te laat was ingediend. Volgens het reglement moet een patiënt een geschil binnen twaalf maanden na afronding van de interne klachtenprocedure bij de Geschillencommissie indienen. De commissie stelde vast dat het ziekenhuis in juli 2023 een definitieve reactie op de klacht had gegeven. De vrouw diende haar klacht pas op 14 maart 2025 bij de commissie in. Daarmee was de termijn van twaalf maanden ruim overschreden. De vrouw gaf aan dat zij na juli 2023 nog met het ziekenhuis had gecorrespondeerd, maar zij kon dit niet aantonen. De commissie oordeelde daarom dat de klacht te laat was ingediend en verklaarde haar niet-ontvankelijk, waardoor de inhoud van de klacht niet meer werd beoordeeld.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Academisch Ziekenhuis Groningen (UMCG), gevestigd te Groningen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt in zijn klacht ontvankelijk is.

De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 18 november 2025 te Den Haag.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft het handelen van de zorgaanbieder na een opname in 2017. Allereerst dient de commissie te beoordelen of de cliënt in het geschil ontvankelijk is.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De cliënt is op 14 december 2017 overgebracht naar de zorgaanbieder met een gebroken rugwervel (L1) en neurologische klachten/uitval. Ook was sprake van een botscherf die in het spinaalkanaal stak. De zorgaanbieder heeft de cliënt gemobiliseerd en een conservatief beleid ingesteld, wat volgens de cliënt tegen vigerende protocollen is. Verder heeft de zorgaanbieder de neurologische klachten onterecht gerelateerd aan de voorgeschiedenis van de cliënt met polio en peesplaatklachten.

Door het handelen van de zorgaanbieder is de schade bij de cliënt verergerd en zij heeft hieraan blijvende klachten overgehouden. Een medisch adviseur heeft bevestigd dat bij opname van de cliënt wel degelijk een operatie-indicatie bestond.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.

De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid van de cliënt. De zorgaanbieder heeft reeds in juli en oktober 2023 aan de cliënt bericht dat de gemaakte verwijten niet terecht zijn en dat de zorgaanbieder ook niet aansprakelijk is. Gelet hierop is de termijn van 12 maanden in art. 6 lid 1 sub. c van het klachtenreglement ruimschoots overschreden.

Beoordeling van het geschil

De zorgaanbieder heeft zich beroepen op niet-ontvankelijkheid van de cliënt, nu de cliënt de reglementaire termijn zonder gegronde reden heeft overschreden. Artikel 6 lid 1, aanhef en onder c van het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen bepaalt dat de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaart indien hij zijn geschil niet binnen 12 maanden, na de datum waarop hij de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.

Naar het oordeel van de commissie is de afsluitende reactie op de klacht van de cliënt reeds in juli 2023 aan de cliënt verstuurd. Hiermee is de interne klachtenprocedure beëindigd. Weliswaar staat in de voornoemde reglementsbepaling dat het tijdstip waarop de klacht is ingediend bij de zorgaanbieder bepalend is voor het aanvangen van de termijn, maar naar het oordeel van de commissie moet de cliënt de behandeling van de klacht door de klachtencommissie kunnen afwachten alvorens zich tot de commissie te wenden. Het is immers mogelijk dat een cliënt door de klachtencommissie geheel in het gelijk gesteld wordt, waardoor een cliënt mogelijk geen redelijk belang meer heeft bij een uitspraak door de commissie.

De commissie beschouwt het afsluitende bericht van de zorgaanbieder van juli 2023 dan ook als aanvang van de reglementaire termijn. Nu de cliënt het geschil op 14 maart 2025 bij de commissie aanhangig heeft gemaakt, heeft zij hiermee de reglementaire termijn ruimschoots overschreden.

De cliënt heeft in dit kader aangevoerd dat zij ook ná juli 2023 nog met de zorgaanbieder heeft gecorrespondeerd over de klacht, maar dit is de commissie niet gebleken. Daargelaten nog dat een eventuele vervolgcorrespondentie niet afdoet aan de afronding van de interne klachtenprocedure in juli 2023, client heeft deze stelling ook op geen enkele wijze onderbouwd.

Naar het oordeel van de commissie zijn verder geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de cliënt wegens de niet-naleving van de hiervoor aangehaalde reglementsbepaling redelijkerwijs geen verwijt treft.
Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De cliënt is niet-ontvankelijk in de klacht.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer drs. B. van Wageningen, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. S.M.E. Balfoort, secretaris, op 18 november 2025.

Opslaan als PDF