Klacht over kosten vervangend vervoer en second opinion ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: CommissieVoertuigen    Categorie: Kosten    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 406473/558208

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument kocht op 6 januari 2023 een gebruikte Mazda CX-5 en kreeg kort daarna te maken met storingen. De ondernemer kocht de auto uiteindelijk terug op 12 april 2024. De consument diende een klacht in over twee openstaande facturen: één voor vervangend vervoer en één voor een second opinion. Volgens haar was het bedrag voor brandstof te hoog en had de ondernemer beloofd de kosten van de second opinion te vergoeden als er een mankement werd vastgesteld. De Geschillencommissie oordeelde dat de consument vooraf had ingestemd met de kosten voor vervangend vervoer en dat zij het te hoge brandstofbedrag niet kon bewijzen. De second opinion leverde geen duidelijke diagnose op, waardoor de afgesproken voorwaarde voor vergoeding niet was vervuld. De commissie verklaarde de klacht ongegrond en wees het verzoek tot terugbetaling van €564 af.

 

De volledige uitspraak

BINDEND ADVIES
van de Geschillencommissie Voertuigen

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op of omstreeks 6 januari 2023 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een gebruikte auto, merk Mazda, type CX-5 Sky-active 2.0 GT-M line, datum eerste toelating 30 september 2016, kilometerstand 121.040 inclusief werkzaamheden en afleverkosten, voor de daarvoor te betalen prijs van € 21.500, — inclusief btw. De levering vond plaats op 6 januari 2023.

Standpunt van de consument 

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Binnen enkele weken na aanschaf, ontstonden de eerste klachten. Na allerlei pogingen de klachten en storingen op te lossen, heeft de ondernemer uiteindelijk de auto teruggekocht op 12 april 2024. Op dat moment stonden nog twee facturen open. Factuur 2023/011705 van de ondernemer zelf en een factuurnr. 33025861 van een derde.

De eerste factuur, van de ondernemer, betreft kosten die in rekening zijn gebracht voor het ter beschikking stellen van vervangend vervoer. In geval van een klacht binnen de garantietermijn is het volgens de BOVAG niet aan de orde om kosten in rekening te brengen voor de vervangende auto. Ook klopt de in rekening gebrachte hoeveelheid getankte brandstof niet. Helaas kan de consument dat laatste punt niet bewijzen. Maar met 23,5 liter kon minstens 370 km gereden worden met de vervangende auto. Die is echter enkel gebruikt voor het op en neer rijden naar [plaatsnaam] (81 km enkele reis) en een boodschap in de regio waar de consument woont. Meer dan 200 km heeft de consument zeker niet met deze auto gereden. De factuur is onder protest voldaan, omdat deze tenminste € 100,– inclusief BTW te hoog is.

De tweede factuur, nr. 33025861, betreft de door een derde uitgevoerde second opinion. Daar is in overleg met de ondernemer opdracht voor gegeven in de hoop te achterhalen wat er aan onze auto mankeerde. De ondernemer heeft per mail bevestigd akkoord te gaan met het voorstel van de consument met betrekking tot de kosten. Wanneer bij de second opinion vastgesteld zou worden dat de auto zonder mankementen was, zouden de kosten voor rekening van de consument komen. Zo niet, dan zou de ondernemer deze vergoeden. Naar aanleiding van de second opinion is echter aangegeven dat het onderzoekend bedrijf de oorzaak van de storing niet kon achterhalen. Dat heeft echter wel geadviseerd om verder te zoeken. Het bedrijf heeft hierbij zelfs aangegeven welke stappen de consument en de ondernemer hierbij het beste konden ondernemen. De ondernemer heeft zich helaas niet aan zijn belofte gehouden en weigert de factuur voor de second opinion, € 464,– inclusief btw, aan de consument te vergoeden.

De consument verlangt, zo begrijpt de commissie, een (terug)betaling van € 564,–.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Bij de koop van de auto is destijds uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het kopen van een auto in [plaatsnaam] betekent dat bij een garantieclaim de afstand tussen de woonplaats van de consument en de vestigingsplaats van de ondernemer overbrugd dient te worden door de consument. Bij het uitreiken van de vervangende auto is gewezen op de kosten hiervan en is er door de consument mee ingestemd.

Voor wat betreft de kosten van de second opinion bij een derde partij is de afspraak gemaakt dat de kosten bij het vaststellen van een mankement door de ondernemer zouden worden vergoed. Er is echter geen mankement vastgesteld.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De kwestie van het vervangend vervoer ziet niet alleen op de brandstofkosten. De consument vond het bedrag gewoon te hoog. Maar de kosten zijn tevoren bekend gemaakt en de consument heeft daarmee ingestemd.

Met betrekking tot de second opinion kan ik nog toelichten dat wij contact hebben opgenomen met het bedrijf dat de second opinion heeft uitgevoerd. Zij hebben geen gebrek vast kunnen stellen. De afspraak was dat de consument in dat geval de kosten van het onderzoek zou dragen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ten aanzien van de kosten voor het vervangend vervoer merkt de commissie op dat de consument niet heeft weersproken dat deze kosten tevoren kenbaar zijn gemaakt en dat zij daarmee ingestemd heeft. Dat er vervolgens een te hoog bedrag voor brandstof in rekening is gebracht, is de commissie niet gebleken en de consument geeft ook aan dat zij dat niet kan bewijzen. In dat geval kan de commissie dit onderdeel van de klacht ook niet gegrond oordelen.

De commissie stelt voorts vast dat de second opinion niet heeft uitgewezen dat de auto nog een gebrek had. Voor zover daarbij al is aangegeven dat verder gezocht zou moeten worden, is de commissie niet gebleken dat een dergelijk vervolgonderzoek heeft plaatsgevonden of dat daarbij wel is vastgesteld dat de auto een gebrek vertoonde. In dat geval is niet gebleken dat de voorwaarde waaronder de ondernemer de kosten zou vergoeden in vervulling is gegaan. Ook dit onderdeel van de klacht kan in dat geval niet gegrond worden geoordeeld.

Het voorgaande betekent dat zal worden beslist als hierna vermeld.

Beslissing 

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen, bestaande uit mr. R.J.M. Cremers, voorzitter, de heer C.J. Bosboom en mr. P.B. Vos, leden, op 20 december 2024.

 

 

Opslaan als PDF