Klacht over latex-allergie en gedeeltelijke ontkleding vader van klaagster gegrond, overige klachten ongegrond

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 38364/43707

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klaagster vindt dat er rond het overlijden van haar vader medische fouten zijn gemaakt. Zo heeft haar vader, die een latex-allergie heeft, een latex-houdende katheter gekregen en trof de klaagster hem in de nacht half aangekleed in bed. Ook heeft hij tegen de wens van de familie in een morfinepomp gekregen. Het ziekenhuis stelt dat de benauwdheidsklachten van de vader niet verminderde, daarom zijn er medicijnen gegeven en is uiteindelijk met de morfinepomp gestart. Wat betreft de katheter geeft het ziekenhuis aan dat zij standaard katheters hebben die een kleine hoeveelheid latex bevatten. Achteraf bleek ook niet dat de vader een allergische reactie had. De commissie oordeelt dat de klachten met betrekking tot de latex katheter en de gedeeltelijke ontkleding van de vader van de klaagster gegrond zijn. De overige klachten zijn ongegrond. De arts heeft namelijk redelijk en bekwaam gehandeld door aan de vader, nadat andere medicatie de benauwdheidsklachten niet verminderde, morfine via een pomp toe te dienen om zo zijn lijden te verlichten.

Volledige uitspraak

In het geschil
Klaagster, nabestaande van [naam vader klaagster], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Maasstad Ziekenhuis, gevestigd te Rotterdam (hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 5 november 2020.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
De klacht betreft de gang van zaken rond het overlijden van de vader van klaagster (hierna: de vader/haar vader) in januari 2019 in het ziekenhuis.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klaagster stelt dat er rond het overlijden van haar vader in het ziekenhuis in januari 2019 medische fouten zijn gemaakt. Haar vader was voor een korte duur opgenomen vanwege uitgezaaide longkanker. Klaagster had hem in de middag nog bezocht en niets wees erop dat hij vijf uur later zou overlijden. Zijn overlijden en de fouten die in het ziekenhuis zijn gemaakt rond dit overlijden, zijn voor klaagster erg traumatisch geweest:

– In het ziekenhuis heeft haar vader een latex-houdende katheter gekregen, terwijl al bekend was dat hij een latex-allergie had. Klaagster kwam hier toevallig achter, omdat zij een pakket latex handschoenen op zijn kamer zag liggen. Zowel de verpleegkundigen als arts konden geen antwoord geven op de vraag of er in de katheter latex was verwerkt. Uiteindelijk is de katheter na een paar uur verwijderd. Haar vader heeft toen hij nog bij bewustzijn was, aangegeven dat hij pijn had van de katheter;

– Klaagster trof haar vader die nacht half aangekleed in bed met zijn onderbroek en broek op zijn enkels. De verpleging had hem wel netjes toegedekt met een deken;

– Haar vader lag aan een morfinepomp, geheel tegen zijn wens en de wens van de familie. In het dossier stond dat haar vader akkoord ging met het comfortbeleid, maar volgens klaagster zou haar vader nooit een beslissing zonder haar genomen hebben;

– Klaagster heeft achteraf in het dossier gelezen dat haar vader erg benauwd was. Zij vraagt zich af waarom het ziekenhuis zo lang heeft gewacht met haar hierover te informeren;

– Er is aan haar vader die bewuste avond Abstral gegeven. Klaagster had al eerder doorgegeven dat haar vader na inname van dit medicijn heel benauwd en niet lekker is geworden. De verpleging is na het geven van dormicum niet meer komen controleren of het medicijn wel goed was ingesteld.

Klaagster stelt het ziekenhuis aansprakelijk voor deze medische fouten en onheuse bejegening jegens haar. Vanwege het feit dat zij geen waardig afscheid van haar vader heeft kunnen nemen, vordert zij voor deze emotionele schade een vergoeding van € 12.500,–.

Standpunt van het ziekenhuis
Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

1. Ten aanzien van de katheter:
Katheters worden geplaatst in de fase van comfort-care om ongemak te voorkomen. Aandrang kan namelijk de bestaande benauwdheid verhogen. De standaard gebruikte katheters in het Maasstad Ziekenhuis zijn van [naam merk katheter], type [naam], en bevatten een kleine hoeveelheid latex. Naar aanleiding van vragen van de familie met betrekking tot de latex allergie heeft na het overlijden van de vader een extra onderzoek plaatsgehad waarbij er geen irritatie (roodheid of zwelling) is gezien. Dit sluit niet uit dat de vader de katheter als onaangenaam heeft ervaren, maar maakt het minder waarschijnlijk dat er sprake was van een allergische reactie.

2. Ten aanzien van de gedeeltelijke ontkleding:
Natuurlijk is hiervoor excuus op zijn plaats. Het is voor naasten niet prettig om een patiënt op deze manier aan te treffen. Een mogelijke verklaring is een spoedvraag van een andere patiënt, waarbij het niet meer is gelukt om de vader verder de juiste zorg te geven. Door het tijdsverloop is echter niet meer te achterhalen wat de ware toedracht is geweest.

3. Ten aanzien van de morfinepomp:
De vader was opgenomen in verband met opnieuw ernstige kortademigheidsklachten ten gevolge van zijn uitgezaaide longkanker. Zijn overlijden in januari 2019 is voor de artsen niet onverwachts geweest gezien zijn ziekteverloop. Aanvankelijk leek het er tijdens de opname van 5 januari 2019 op dat de vader uit het ziekenhuis zou worden ontslagen en weer naar huis mocht. In de avond van 7 januari 2019 verslechterde de situatie echter snel. Klaagster is om 2 uur gebeld door de verpleging en om 2.30 uur door de dienstdoende arts om situatie uit te leggen. Een aantal keren is klaagster aangegeven om zo spoedig mogelijk te komen. Omdat de gegeven medicatie de benauwdheidsklachten niet verminderde, is uiteindelijk om 3.10 uur gestart met de morfinepomp. De familie kwam om 3.20 uur in het ziekenhuis. Om 6.15 uur werd met de familie het comfort-care beleid afgesproken.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat het ziekenhuis tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van het ziekenhuis. De tekortkoming moet aan het ziekenhuis kunnen worden verweten en klaagster moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek).
Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Klaagster heeft aan de commissie een aantal klachten voorgelegd:

Klaagster heeft geklaagd over het gebruik van een latex houdende katheter, hoewel haar vader bekend was met een latex-allergie. De commissie is van oordeel dat de klacht met betrekking tot het plaatsen van de katheter gegrond is. Het ziekenhuis was bekend met de latex-allergie en heeft erkend dat latex in de katheter zat.

Klaagster heeft geklaagd over het feit dat haar vader gedeeltelijk ontkleed in bed lag. Het ziekenhuis heeft niet betwist dat de vader van klaagster half ontbloot op zijn sterfbed lag. De commissie is daarom van oordeel dat deze klacht gegrond is.

Klaagster heeft geklaagd over een slechte begeleiding door de verpleging en de dienstdoende arts. Uit het verpleegkundig rapport blijkt echter dat zowel de verpleging als de dienstdoende arts klaagster in de nacht van 7 op 8 januari 2019 meerdere malen heeft gebeld om de verslechterde situatie van haar vader uit te leggen en haar hebben gevraagd naar het ziekenhuis te komen. Het eerste telefoongesprek was om 2 uur ‘s nachts. Uit het dossier blijkt dat klaagster tijdens het tweede gesprek met de arts gevraagd heeft om eerst een longontsteking uit te sluiten, omdat haar vader die ook eerder had gehad. Klaagster is uiteindelijk pas om 3.20 uur in het ziekenhuis aangekomen. Op dat moment was haar vader zo benauwd, dat de arts al had besloten, nadat andere medicatie onvoldoende bleek te werken, de vader aan te sluiten op een morfinepomp. Dat vooraf overleg over de te geven medicatie niet met de familie zou hebben plaatsgevonden, voor zover dit niet zou zijn gebeurd, ligt naar het oordeel van de commissie aan de familie zelf door niet met spoed om 2 uur naar het ziekenhuis te komen, maar een afwachtende houding aan te nemen en pas na een tweede telefoongesprek met de dienstdoende arts op 2.30 uur aanstalten te maken naar het ziekenhuis te gaan. Uit het verpleegkundig dossier blijkt voorts dat om 4 uur en om 6 uur met de familie is gesproken over het ingezette beleid.

Naar het oordeel van de commissie heeft de dienstdoende arts gehandeld zoals een redelijk en bekwaam arts in dezelfde omstandigheid zou hebben gehandeld door aan de vader, nadat andere medicatie (abstral, een morfinepreparaat) de ernstige benauwdheidsklachten niet verminderde, morfine via een pomp toe te dienen om daarmee het ondraaglijk lijden van haar vader te verlichten.
Daarbij overweegt de commissie dat een arts, als professionele hulpverlener, een eigen verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot de keuze en het toedienen van medicatie aan een patiënt en daarbij het belang van een patiënt in het oog dient te houden. De arts kan zijn keuze toelichten aan de naaste familie, zoals ook in casu is gebeurd.

Gezien het vorenstaande verklaart de commissie de klachten van klaagster met betrekking tot de begeleiding van de familie door de verpleging en artsen en het aansluiten op de morfinepomp zonder haar toestemming ongegrond.

Klaagster heeft het ziekenhuis aansprakelijk gesteld voor de immateriële schade die zij heeft geleden doordat zij niet op een waardige wijze van haar vader afscheid heeft kunnen nemen.

De vergoeding van affectieschade is een vorm van smartengeld voor naasten van een patiënt. Deze kunnen schadevergoeding krijgen indien een arts onzorgvuldig heeft gehandeld en dit handelen heeft geleid tot het overlijden van de patiënt.

Vaststaat dat de vader leed aan longkanker, die inmiddels was uitgezaaid. Zijn overlijden is het gevolg van deze ernstige ziekte en niet van het verwijtbaar handelen van een arts. De vordering tot immateriële schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

Nu de klachten met betrekking tot de katheter en aankleding gegrond zijn verklaard, ziet de commissie aanleiding het ziekenhuis te veroordelen tot vergoeding aan klaagster van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 77,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klachten van klaagster voor zover deze zien op het plaatsen van een latex-houdende katheter en het half ontkleed lichaam gegrond;

– verklaart de klachten betreffende de begeleiding van de familie en medicijntoediening (morfinepomp) ongegrond;

– wijst de vordering tot vergoeding van de immateriële schade af;

– veroordeelt het ziekenhuis, overeenkomstig het reglement van de commissie, tot het betalen aan klaagster van een bedrag van € 77,50 ter zake van het klachtengeld;

– wijst het anders of meer gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw M.J.T. Kleijnen- van ’t Hullenaar, de heer ir. H.J.A.M. Bodelier, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 5 november 2020.