Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ten dele gegrond
Referentiecode:
566041/772411
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
In deze zaak dienden twee dochters een klacht in tegen de Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep over de zorg voor hun overleden vader. De vader werd op 21 maart 2023 opgenomen met ernstige geelzucht en nierproblemen, waarbij werd vermoed dat sprake was van kanker aan de galwegen of pancreas. Klaagsters stellen dat hun vader tijdens de opname onvoldoende medische zorg kreeg, essentiële medicatie niet werd toegediend, onderzoeken uitbleven en hij uiteindelijk alleen is overleden zonder duidelijke doodsoorzaak. Ook zou ten onrechte zijn geregistreerd dat hij niet gereanimeerd wilde worden. Verder bekritiseerden zij de gebrekkige communicatie over zijn gezondheidstoestand en het uitblijven van de beloofde onderzoeken, zoals dialyse en een ERCP. De zorgaanbieder verdedigde zich door te stellen dat vanwege de lage bloeddruk van de vader medisch verantwoord is gewacht met ingrepen. Medicatie werd bewust gestopt en temazepam voorgeschreven om de nachtrust te verbeteren. Hoewel de klachtencommissie van het ziekenhuis eerder alleen tekortkomingen in de verzorging erkende, vond de geschillencommissie ook de communicatie met de dochters onder de maat. De overige medische beslissingen achtte zij passend en in lijn met geldende richtlijnen. De commissie benadrukte dat de vader ernstig ziek was en dat sprake was van een medische inschatting binnen de professionele standaarden. Twee van de zes klachtpunten werden gegrond verklaard.
De uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam] en mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klaagsters) dochters en nabestaanden van de heer [naam] (hierna te noemen: de vader)
en
Stichting Sint Franciscus Vlietland Groep, gevestigd te Rotterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder)
gemachtigde: mevrouw [naam], bedrijfsjurist.
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2025 te Den Haag. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. Klaagsters werden daarbij vergezeld door de [naam], echtgenoot van mevrouw [naam]. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door mevrouw [naam], zorgmanager, mevrouw [naam], internist/nefroloog, en bijgestaan door mevrouw [naam], gemachtigde.
Onderwerp van het geschil
De vader van klaagsters is tijdens een verblijf in het ziekenhuis van de zorgaanbieder overleden. Klaagsters verwijten de zorgaanbieder dat de vader niet de zorg en medicatie heeft ontvangen die hij nodig had, waardoor hij alleen – buiten aanwezigheid van zijn dierbaren – is overleden.
Standpunt van klaagsters
Voor het standpunt van klaagsters verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
Op 21 maart 2023 was de vader van klaagsters erg geel van kleur en had hij diarree, verder was de vader in goede doen. Klaagsters hebben de huisarts gebeld, die de vader vervolgens heeft bezocht. De huisarts adviseerde klaagsters de MDL-arts (Maag Darm Lever arts) in het ziekenhuis van de zorgaanbieder te bezoeken. In het ziekenhuis werd bloed geprikt, waarna de vader weer naar huis mocht gaan. Eenmaal thuis belde de huisarts om mee te delen dat de vader met spoed terug moest naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis werden echo’s gemaakt van de nieren en de lever, werd een infuus aangelegd en een katheter ingebracht. Om 22.00 uur vertelde een arts klaagsters dat de vader voor één of twee dagen in het ziekenhuis zou worden opgenomen, omdat zijn nierfunctie niet goed was. De vader stemde in met een opname. Hem werd echter ook verteld dat hij op zijn verzoek niet zou worden gereanimeerd. De vader en klaagsters schrokken hier erg van, de vader had dat verzoek nooit uitgesproken. Wel werd gezegd dat de vader ervoor kon kiezen om op de IC te worden opgenomen na een eventuele operatie.
Klaagsters hebben de arts er nog op gewezen dat de vader medicatie gebruikte voor zijn hart- en cholesterolproblemen en daar zou op worden gelet. Ook was de vader diabetespatiënt.
De vader werd verteld dat er meerdere onderzoeken zouden worden uitgevoerd om te kijken waar de geelzucht vandaan kwam. Klaagsters hebben gevraagd of zij een gesprek konden hebben over de gezondheidstoestand van de vader en de onderzoeken die zouden worden verricht, maar dat gesprek is er nooit gekomen.
Klaagsters hebben hun vader dagelijks langdurig bezocht en werden steeds verontruster over de zorg die hij ontving. Zijn medicatie kreeg hij niet, hij kreeg onvoldoende vocht toegediend en hem werd temazepam gegeven om beter te kunnen slapen, hoewel hij daardoor eerder een delier had ontwikkeld. De dagelijkse verzorging liet ernstig te wensen over en de vader ontwikkelde smetplekken.
De aangekondigde onderzoeken werden niet verricht en de vader raakte verward en onrustig. Tijdens het laatste bezoek op 29 maart 2023 was de vader niet zichzelf, hij reageerde afstandelijk en was in zichzelf gekeerd. Op 30 maart 2023 werden klaagsters gebeld dat de vader was overleden. Een oorzaak van het overlijden werd niet gegeven, maar klaagsters zijn ervan overtuigd dat de vader is overleden door een gebrek aan medische zorg.
Klaagsters zijn zich ervan bewust dat hun vader ziek was, maar op 30 maart 2023 had hij nog niet hoeven overlijden, zeker niet moederziel alleen.
Het ERCP onderzoek was pas gepland op 6 april 2023, hoewel de vader al op 21 maart 2023 was opgenomen.
Klaagsters hebben hun klachten voorgelegd aan de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder waarna een zitting bij de klachtenonderzoekscommissie is gevolgd.
In die procedure hebben klaagsters de volgende klachtonderdelen naar voren gebracht:
1. De vader heeft zijn medicatie, in het bijzonder zijn hartmedicatie, niet toegediend gekregen;
2. Ten onrechte werd aangegeven dat de vader niet wilde worden gereanimeerd;
3. De vader werd onvoldoende verzorgd en had last van smetplekken;
4. Er was onvoldoende communicatie met klaagsters over de gezondheidstoestand van de vader;
5. De vader werd niet gedialyseerd;
6. Het ERCP onderzoek werd niet verricht.
De klachtenonderzoekscommissie heeft slechts klachtonderdeel 3. gegrond verklaard. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard. Klaagsters kunnen zich niet vinden in de uitspraak en verlangen een onafhankelijk oordeel van de commissie.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder betreurt het dat klaagsters ontevreden zijn over het laatste behandeltraject van hun vader van 21 maart 2023 tot en met 30 maart 2023 en de daarop volgende interne klachtafhandeling die op 29 mei 2024 is afgesloten.
De zorgaanbieder realiseert zich dat het onverwachte overlijden van de vader voorafgaand aan het voorgestelde ERCP onderzoek en dialyse voor mogelijke onduidelijkheid heeft gezorgd en hoopt dat de onderhavige procedure voor klaagsters meer inzichtelijk kan maken dat de medische overwegingen van de zorgaanbieder overeenkomstig de vigerende richtlijnen zijn gemaakt.
De vader werd op 22 maart 2023 opgenomen op de afdeling Interne Geneeskunde in verband met acute nierinsufficiëntie en stille icterus met verdenking op mogelijke maligniteit. De vader was voorafgaand aan de opname thuis al maanden niet lekker met een verminderde eetlust, gewichtsverlies en langere tijd diarree. In het ziekenhuis werd de nierinsufficiëntie en dehydratie behandeld middels een infuus.
De antihypertensiva en diuretica werden gestaakt vanwege de lage bloeddruk van de vader. De medicatie voor de diabetes werd ook gestaakt, omdat er geen sprake was van hyperglykemie.
Op 22 maart 2023 is aanvullend diagnostisch echo-onderzoek verricht. Gelet op de te lage bloedruk van de vader kon vervolgens geen ERCP verricht worden. In overleg met de MDL arts werd besloten die over enkele dagen in te plannen. Vanaf 26 maart 2023 voelde de vader zich slechter en werd het infuus verhoogd. Vanwege de slechte nachtrust van de vader werd aan hem temazepam voorgeschreven. Omdat hij hier onrustig en angstig van werd, is de temazepam vervangen door oxazepam. De nierfunctie van de vader is na een aanvankelijke verbetering achteruit gegaan. Op 30 maart 2023 werd de vader om 6.30 uur gedurende de ochtendronde van de verpleging overleden aangetroffen in bed.
De betrokken medisch specialisten en verpleegkundigen hebben gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend medisch specialist en verpleegkundige onder vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden.
De zorgaanbieder kan zich vinden in het oordeel van de klachtenonderzoekscommissie.
Beoordeling van het geschil
Beoordelingskader
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem/haar rustende verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen, of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de zorgaanbieder bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.
De commissie zal de klacht van klaagsters hierna beoordelen aan de hand van de door hen in de klachtenprocedure naar voren gebrachte klachtonderdelen:
1. De vader heeft zijn medicatie, in het bijzonder zijn hartmedicatie, niet toegediend gekregen;
2. Ten onrechte werd aangegeven dat de vader niet wilde worden gereanimeerd;
3. De vader werd onvoldoende verzorgd en had last van smetplekken;
4. Er was onvoldoende communicatie met klaagsters over de gezondheidstoestand van de vader;
5. De vader werd niet gedialyseerd;
6. Het ERCP onderzoek werd niet verricht.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Klachtonderdeel 1., 5. en 6.
Deze klachtonderdelen (medicatie, dialyse en ERCP) zien op het medisch inhoudelijke deel van de klacht. De commissie zal deze klachtonderdelen gezamenlijk behandelen.
Uit het medisch dossier van de vader blijkt dat de vader op 21 maart 2023, de dag van zijn opname, een ernstig zieke man was die bekend was met hart- en vaatziekten. ‘Stille icterus’, geelzucht, in combinatie met de nierproblemen van de vader kon duiden op pancreaskanker of kanker van de galwegen. Een ERCP onderzoek kan daartoe uitsluitsel geven.
Een ERCP onderzoek is een kijkonderzoek van de alvleesklier en de galblaas. Dat onderzoek dient onder ‘een roesje’ te worden uitgevoerd.
De lage bloeddruk van de vader vormde daarvoor een gezondheidsrisico. De commissie is dan ook van oordeel dat op juiste gronden met het uitvoeren van het ERCP onderzoek werd gewacht tot een verbetering van de toestand van de vader zou optreden. De hartmedicatie werd eveneens op juiste gronden gestopt. Die medicatie zou een verdere verlaging van de bloeddruk tot gevolg kunnen hebben en daarmee een vertraging van het ERCP onderzoek. De beperkte gezondheidstoestand van de vader stond eveneens aan het uitvoeren van een belastende nierdialyse in de weg. De temazepam en oxazepam zijn in lage dosering voorgeschreven om de nachtrust van de vader te verbeteren.
De commissie is niet gebleken van enig verwijtbaar handelen of nalaten van de zorgaanbieder waar het de medische zorg voor de vader betreft. Dat de vader in de vroege ochtend van 30 maart 2023 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder is overleden, is niet aan de zorgaanbieder toe te rekenen. Evenals de klachtencommissie verklaart de commissie de klachtonderdelen 1., 5. en 6 ongegrond.
Klachtonderdeel 2., niet reanimeren.
Klaagsters hebben naar voren gebracht dat de vader geen “niet reanimeren” verzoek had geuit. De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat een dergelijke wens in het medisch dossier van de vader was genoteerd. De commissie heeft niet vast kunnen stellen hoe het verschil in lezingen tussen partijen is ontstaan en of dit wellicht zijn oorsprong heeft in een eerdere opname van de vader in het Erasmus MC, waar de vader een hartoperatie heeft ondergaan. De commissie ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de zorgaanbieder wat de aantekening in het dossier van de vader betreft verwijtbaar heeft gehandeld. De commissie verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel 3. smetplekken.
De klachtenonderzoekscommissie van de zorgaanbieder heeft dit klachtonderdeel gegrond verklaard. De zorgaanbieder heeft erkend dat bij de vader sprake was van smetplekken en de verzorging van de vader wat dit betreft onder de maat is geweest.
Evenals de klachtenonderzoekscommissie verklaart de commissie dit klachtonderdeel dan ook gegrond.
Klachtonderdeel 4. communicatie met klaagsters.
De zorgaanbieder heeft naar voren gebracht dat de vader wilsbekwaam was en om die reden de gesprekken over zijn gezondheidstoestand en zijn behandeling rechtstreeks met hem werden gevoerd. De zorgaanbieder heeft niet weersproken dat klaagsters meerdere malen hebben gevraagd om een gesprek met de behandelaars van hun vader en de vader de wens had geuit om zijn gezondheidstoestand met zijn dochters te bespreken. De commissie is van oordeel dat het gelet op de leeftijd van de vader (82 jaar) en zijn slechte gezondheid op de weg van de zorgaanbieder had gelegen om klaagsters al vanaf de dag van de opname te informeren over de ernstige zorgen omtrent de toestand en de vooruitzichten van hun vader en hen daarvan op de hoogte te houden. De zorgaanbieder heeft erkend dat het beter was geweest indien klaagsters eerder betrokken waren geweest bij de medische afwegingen betreffende de behandeling van hun vader.
Anders dan de klachtencommissie verklaart de commissie dit klachtonderdeel dan ook gegrond.
Resumerend is de commissie van oordeel dat de klacht ten aanzien van de smetplekken van de vader en de communicatie met klaagsters gegrond is. Omdat de klacht van klaagsters daarmee deels gegrond is, zal de commissie bepalen dat het klachtengeld door de zorgaanbieder aan klaagsters dient te worden vergoed.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
– verklaart de klachtonderdelen 3. en 4. gegrond;
– verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan klaagsters dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
– wijst het meer of anders verzochte af.
Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam en de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 24 januari 2025.