Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg
Categorie: -
Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
676743/866989
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Een cliënte diende een klacht in tegen Stichting Omring over de medische zorg en omgang die zij ontving tijdens haar verblijf in een verpleeghuis. Ze klaagde onder meer over het onvoldoende serieus nemen van buikpijnklachten vanaf juli 2022, het verkeerd omgaan met oxycodongebruik, en de gang van zaken rond een spoedopname op 29 november 2022. Twee klachtonderdelen – het niet onderzoeken van de ontlasting en het niet meegeven van voldoende medicatie bij ziekenhuisopname – zijn eerder al door de interne klachtencommissie gegrond verklaard. De Geschillencommissie verklaarde cliënte daarom in die punten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De overige klachten werden inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De commissie oordeelde dat de zorgaanbieder adequaat heeft gehandeld bij pijnklachten en dat er geen sprake was van nalatigheid. De zorgaanbieder had redelijke zorgen over het gebruik van oxycodon, mede omdat cliënte medicatie op eigen initiatief gebruikte. Ook in de spoedopname is volgens de commissie adequaat en zorgvuldig gehandeld. Omdat geen van de resterende klachtonderdelen gegrond is verklaard, werd de gevraagde schadevergoeding van €10.000 afgewezen.
De uitspraak
in het geschil tussen
mevrouw [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: cliënte)
en
Stichting Omring, gevestigd te Hoorn,
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Samenvatting
De commissie oordeelt ambtshalve dat cliënte, wegens een gebrek aan belang, in een tweetal klachtonderdelen niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deze klachten zijn immers reeds door de klachtencommissie van de zorgaanbieder gegrond verklaard. De overige klachtonderdelen worden ongegrond verklaard. Van nalatigheid of anderszins verwijtbaar handelen is geen sprake. Deze klachtonderdelen betreffen de reactie van de zorgaanbieder op de pijnklachten van cliënte, de gang van zaken rondom de spoedopname op 29 november 2022 en mededelingen over het gebruik van medicatie door cliënte.
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
Cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2025 te Utrecht. Daarbij zijn verschenen: cliënte die werd bijgestaan door de heer [naam] en namens de zorgaanbieder de heren [naam] en [naam]. Beide partijen hebben hun standpunt toegelicht.
Onderwerp van het geschil
De klacht betreft de kwaliteit van de verleende zorg, de manier waarop de zorgaanbieder met cliënte omging en de schade die cliënte als gevolg daarvan heeft geleden.
Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dat op het volgende neer.
Cliënte woont sinds 2019 bij de zorgaanbieder. Op 27 augustus 2021 heeft zij een longtransplantatie ondergaan. Cliënte stelt dat zij op meerdere vlakken nalatigheid heeft ervaren.
Klachten vanaf juli 2022 niet serieus genomen
Buikpijnklachten, waarmee cliënte kampte vanaf juli 2022, zijn door de zorgaanbieder niet serieus genomen en afgedaan met paracetamol. De door de zorgaanbieder verrichte onderzoeken leidden niet tot een diagnose. Met de klachten is verder niets gebeurd. De ontlasting van cliënte is niet onderzocht. Cliënte voelde zich hierdoor niet serieus genomen. Eind oktober 2022 werd cliënte uiteindelijk doorverwezen naar een MDL-arts, waar sprake was van een wachttijd van vijf weken.
Oxicodon
Daarnaast werd cliënte ten onrechte verweten verslaafd te zijn aan oxicodon.
Bevindingen rondom spoedopname
Op 29 november 2022 had cliënte opnieuw veel pijn. Haar zus heeft toen 112 gebeld. Cliënte is met spoed naar het ziekenhuis overgebracht. Haar darm bleek geperforeerd ten gevolge van een lymfoom. Er is een stuk van 15 cm darm weggehaald. Cliënte bleek lymfeklierkanker te hebben met uitzaaiingen. Verder heeft cliënte haar medicatie, zoals wel was afgesproken, niet voor 24 uur meegekregen toen zij naar het ziekenhuis moest. Bij dit alles komt dat ten onrechte niet in het dossier van cliënte is vermeld dat zij bekend is met atypische klachten.
Schadevergoeding
Als gevolg van dit alles ondervindt cliënte nachtmerries en is zij angstig. De periode juli 2022 tot en met november 2022 is haar, door de pijn en het onbegrip van de zorgaanbieder, heel zwaar gevallen. De acute situatie, die in november 2022 ontstond, heeft cliënte eveneens aangegrepen. Cliënte heeft een en ander als zeer traumatisch ervaren, waarvan zij tot op de dag van vandaag nog last heeft. Cliënte meent dat een schadevergoeding van € 10.000,- redelijk is.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting. In de kern komt dat op het volgende neer.
Klachten vanaf juli 2022 niet serieus genomen
De zorgaanbieder betwist dat de klachten van cliënte in de periode juli 2022 tot en met november 2022 niet serieus zijn genomen. Ter zitting is uitvoerig ingegaan op de vele acties die in de periode vanaf juli 2022 in gang zijn gezet om de oorzaak van de pijnklachten te achterhalen, variërend van eigen onderzoek tot overleg met het transplantatieteam. Cliënte is verwezen naar een MDL-arts. Cliënte weigerde verwijzing naar het ziekenhuis waar de zorgverlener normaliter naar verwijst. Geen van de vier benaderde MDL-artsen vond dat reden was voor spoedverwijzing. De MDL-arts die cliënte in oktober zag, dacht aanvankelijk aan het prikkelbare darmsyndroom of functionele darmklachten. De wachttijd bij het ziekenhuis kan de zorgverlener niet worden verweten. De klachtencommissie heeft reeds vastgesteld dat het onderzoek naar de ontlasting ten onrechte niet is opgenomen in het dossier. De zorgverlener erkent dit, maar voegt daar aan toe dat een lymfoom niet had kunnen worden aangetoond met een kweek op bacteriën en virussen.
Oxycodon
Er bestond bij de zorgverlener zorg over het oxycodongebruik van cliënte, omdat gebleken was dat zij een eigen voorraad aanhield en het middel nam zonder dat het op de medicatielijst stond. Ook werd door de verzorging druk ervaren om (meer) oxycodon te geven. De risico’s van verslaving zijn daarom met cliënte besproken.
Bevindingen rondom de spoedopname
Cliënte woont in een zorginstelling met een 112-protocol met betrekking tot contact met de ambulance. Het zorgpersoneel is niet tekort geschoten, maar na de melding door de zus van cliënte behulpzaam geweest in het contact met de ambulancedienst. In de hectiek is inderdaad slechts medicatie meegegeven voor één avond in plaats van vierentwintig uur. De klachtencommissie heeft ook dit klachtonderdeel reeds gegrond verklaard. De zorgverlener merkt daarbij op dat cliënte daardoor niet in gevaar is gebracht, nu vrijwel alle medicatie ook in de ziekenhuisapotheek voorhanden is.
Tot slot verwijst de zorgverlener naar gesprekken die zijn gevoerd en acties die zijn ondernomen om de gevoelens van onveiligheid weg te nemen. Ook is cliënte in de gelegenheid gesteld om te verhuizen naar de aanleunwoningen met 24-uurszorg zodat zij een eigen huisarts zou kunnen nemen. Daar heeft cliënte niet voor gekozen. Met cliënte zijn vervolgens afspraken gemaakt over ‘shared decision making’. Cliënte wordt daarbij binnen de instelling benaderd als was zij een huisartspatiënt.
Gelet op het voorgaande acht de zorgverlener de na behandeling door de klachtencommissie resterende klachtonderdelen ongegrond en ziet zij geen reden om schadevergoeding toe te kennen.
Beoordeling
De commissie heeft het volgende overwogen.
De commissie dient zich allereerst ambtshalve uit te spreken over de ontvankelijkheid van cliënte, nu een tweetal klachtonderdelen al door de klachtencommissie van de zorgaanbieder gegrond is verklaard. Ingevolge artikel 5 lid 1 sub e van het Reglement Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg kan de commissie een cliënt in zijn klacht ambtshalve niet-ontvankelijk verklaren, indien hij geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie. Uit vaste jurisprudentie van de commissie (bijvoorbeeld de uitspraak met referentiecode 225170/248421) blijkt dat klachtonderdelen die reeds gegrond zijn verklaard in de interne klachtenprocedure, in beginsel niet opnieuw door de commissie kunnen worden behandeld.
De klachtonderdelen over het niet onderzoeken van de ontlasting en over het voor korter dan 24 uur meegeven van medicatie naar het ziekenhuis zijn door de klachtencommissie van de zorgaanbieder gegrond verklaard. De commissie ziet in de onderbouwing van de door cliënte bij de Geschillencommissie ingediende klacht geen belang om deze klachtonderdelen opnieuw in behandeling te nemen. Gelet hierop verklaart de commissie cliënte, wegens een gebrek aan een redelijk belang,
niet-ontvankelijk in voormelde klachtonderdelen.
Blijkens artikel 21 lid 1 sub b van de Wkkgz kan de commissie een klacht wel behandelen, indien het oordeel van de zorgaanbieder op een klacht, de klacht naar het oordeel van een klager in onvoldoende mate wegneemt. Nu dit ten aanzien van de overige klachtonderdelen het geval is, gaat de commissie over tot inhoudelijke beoordeling van deze klachtonderdelen.
Op grond van de zorgovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de behandelingsovereenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.
Cliënte woont sinds 24 juni 2019 bij de zorgaanbieder in het [naam verpleeghuis] ter voorbereiding op een dubbele longtransplantatie, die zij op 27 augustus 2021 heeft ondergaan. Het [naam verpleeghuis] is een verpleeghuis. In een verpleeghuis heeft een cliënt geen eigen huisarts, maar wordt de huisartsenzorg gedaan door de Advies- en Behandeldienst van de zorgaanbieder. Na de longtransplantatie is cliënte opgeknapt en bij de zorgaanbieder blijven wonen. Sinds juli 2022 had cliënte aanhoudende buikpijnklachten waar diverse onderzoeken naar zijn uitgezet, waaronder bloedonderzoek en beeldvormende diagnostiek. Deze lieten geen alarmsymptomen zien.
Eind oktober 2022 is zij doorgestuurd naar een MDL-arts. Cliënte is op 29 november 2022 met spoed opgenomen, waarbij een door lymfoom verdekte darmperforatie is vastgesteld. Op 15 december 2022 is bij cliënte lymfeklierkanker vastgesteld. Op 15 juli 2023 is cliënte schoon verklaard van de lymfklierkanker.
De commissie stelt vast, gelet op de stukken en de mondelinge behandeling, dat elke keer dat door cliënte pijnklachten werden gemeld, hier door de zorgaanbieder naar is gehandeld met medisch lichamelijk onderzoek, bloed- en/of ontlastingsonderzoek, een echo, of contact met de transplantatieafdeling van het academisch ziekenhuis. Geen oorzaak werd echter gevonden voor de pijnklachten. De zorgaanbieder heeft zich ingespannen een verwijzing naar een MDL-specialist te verkrijgen. Dat MDL-artsen geen aanleiding zagen voor een spoedverwijzing kan de zorgverlener niet verweten worden, maar is wellicht significant voor de omstandigheid dat de juiste diagnose niet eenvoudig te stellen was. Gelet op dit alles is de commissie dan ook van oordeel, evenals de klachtencommissie, dat van nalatigheid of anderszins verwijtbaar handelen geen sprake is.
Dit geldt eveneens voor het klachtonderdeel over de gang van zaken rondom de spoedopname op 29 november 2022. Die dag zijn diverse bezoeken gebracht aan cliënte en is overleg gevoerd met de specialist ouderengeneeskunde. Uiteindelijk is besloten tot een spoedopname in het Zaans Medisch Centrum en de Spoedeisende Hulp. Niet kan worden vastgesteld dat de zorgaanbieder inzake de 112-melding onzorgvuldig heeft gehandeld.
Blijkens de stukken en de mondelinge behandeling is voor cliënte een belangrijk klachtonderdeel dat zij meent dat haar werd verweten verslaafd te zijn aan het middel oxycodon. Dat cliënte oxycodon op haar kamer bewaarde en soms naar eigen inzicht innam, heeft zij niet betwist. Dat cliënte dat deed omdat zij meende op die manier deze verdenking te kunnen bestrijden, acht de commissie enerzijds begrijpelijk. Maar dat neemt niet weg dat deze gang van zaken tot terechte zorg bij de zorgverlener leidde. Naar het oordeel van de commissie kan dan ook niet worden geconcludeerd dat de zorgverlener verwijtbaar heeft gehandeld door de zorgen over haar gebruik met cliënte te delen en de risico’s te bespreken. Er is een uitgebreid behandelplan rondom de pijnsignalen opgesteld en overgegaan is op het verstrekken van tramadol. Met dit alles heeft de zorgaanbieder een juiste invulling gegeven aan goed hulpverlenerschap. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Nu cliënte in twee klachtonderdelen niet-ontvankelijk zal worden verklaard en de overige klachtonderdelen ongegrond worden bevonden, komt de commissie niet toe aan de beoordeling van de verzochte schadevergoeding.
Beslissing
verklaart cliënte in de klachtonderdelen over het niet onderzoeken van de ontlasting en het niet voor 24 uur meegeven van medicatie naar het ziekenhuis niet-ontvankelijk;
verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. I. van der Kamp, secretaris, op 28 maart 2025.