Klacht over prostaatoperatie en ruggenprik ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Medische behandeling    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 1170193/1182006

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De weduwe van een patiënt diende een klacht in tegen het Zaans Medisch Centrum over de behandeling van haar echtgenoot. Hij onderging in 2019 een operatie aan zijn prostaat. Volgens de nabestaande kreeg hij tegen zijn wens een ruggenprik in plaats van volledige narcose. Na de behandeling kreeg hij ernstige gezondheidsproblemen en werd hij uiteindelijk bedlegerig. De familie denkt dat deze problemen zijn ontstaan door de ruggenprik en de operatie. De patiënt had daarna veel klachten en besloot enkele jaren later zijn leven te beëindigen omdat hij het lijden niet meer aankon. De nabestaande vroeg daarom een schadevergoeding voor gemiste inkomsten en voor het leed van de familie. Het ziekenhuis stelde dat de behandeling volgens de medische regels was uitgevoerd en dat er geen verband is tussen de ruggenprik en de latere neurologische problemen. Volgens onderzoek ontstond de beschadiging in het ruggenmerg op een andere plek dan waar de ruggenprik was gegeven. Ook werd uitgelegd dat tijdens de eerste operatie een bekende complicatie optrad, maar dat dit correct is behandeld. De Geschillencommissie oordeelde dat niet kan worden vastgesteld dat het ziekenhuis een fout heeft gemaakt of dat de latere gezondheidsproblemen door de behandeling zijn veroorzaakt. De klacht werd daarom ongegrond verklaard. De commissie besloot ook dat de nabestaande geen schadevergoeding kan eisen, omdat daar eerder al afspraken over waren gemaakt in een vaststellingsovereenkomst.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], (hierna te noemen: klaagster), nabestaande van [naam] (hierna te noemen: de cliënt), wonende te [woonplaats],
gemachtigde: [naam], zoon van klaagster,

en

Zaans Medisch Centrum, gevestigd te Zaandam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 11 november 2025 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben ter zitting hun standpunten nader toegelicht. Namens klaagster was aanwezig [naam zoon]. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [naam], uroloog, [naam], klachtenfunctionaris en [naam].

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de medische behandeling van de echtgenoot van klaagster.

Standpunt van de klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Klaagster vordert van de zorgaanbieder een schadevergoeding vanwege onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder bij de medische behandeling van cliënt. Cliënt heeft een prostaatoperatie ondergaan die mis is gegaan. In plaats van volledige narcose heeft cliënt een ruggenprik gekregen, terwijl cliënt volledige narcose had willen krijgen. Als gevolg van deze ruggenprik heeft cliënt een ruggenmerginfarct gekregen waarna hij bedlegerig is geworden. Hij heeft een katheter gekregen waarna er allerlei complicaties zijn ontstaan. Uiteindelijk heeft cliënt de huisarts gevraagd zijn leven te beëindigen omdat het niet meer ging. Klaagster heeft voordat cliënt overleed de zorgaanbieder gevraagd om een immateriële schadevergoeding van € 7.800,- zodat de laatste wens van cliënt vervuld kon worden, te weten met zijn hele familie naar Terschelling. De zorgaanbieder wilde echter niet verder gaan dan € 500,-.
Klaagster vordert een schadevergoeding van € 16.200,- voor de gemiste AOW uitkering en daarnaast € 1500,- per familielid (zoons en kleinkind) in het kader van immateriële schade, omdat de familie cliënt heeft zien lijden.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.

Ontvankelijkheid
Op voet van artikel 65, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet BIG kan een klacht alleen worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende. Ook een nabestaande van de overleden patiënt kan rechtstreeks belanghebbend zijn, zij het dat deze nabestaande geen eigen klachtrecht heeft, maar een klachtrecht dat is afgeleid van de in het algemeen te veronderstellen wil van de overleden patiënt. Voor het antwoord op de vraag of een nabestaande rechtstreeks belanghebbend is, moet volgens vaste jurisprudentie aansluiting worden gezocht bij de vertegenwoordigings-regeling van artikel 7:465, lid 3 BW. Als de patiënt bij leven een levensgezel had (echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel), dan is deze levensgezel als naaste betrekking klachtgerechtigd. Uit de door klager overlegde stukken blijkt dat patiënt een echtgenote had. Uit de stukken blijkt niet dat de echtgenote klager heeft gemachtigd om namens haar de klacht in te dienen bij de commissie.

Ten aanzien van de door klaagster gevorderde schadevergoeding wijst de zorgaanbieder erop dat zij een vaststellingsovereenkomst heeft getekend op 2 november 2024 in de zin van artikel 7:900 BW waarin als volgende is bepaald: “Benadeelde verleent tegen ontvangst van voormelde slotuitkering algehele en finale kwijting voor de door benadeelde geleden en te lijden schade, materieel, immaterieel, bekend en onbekend, aan MediRisk, bovengenoemde verzekerden en wie het verder zou mogen aangaan. Benadeelde verklaart verder niets te vorderen te hebben van MediRisk, bovengenoemde verzekerden en wie het verder zou mogen aangaan”. Er is reeds derhalve een regeling getroffen met finale kwijting. Klaagster is derhalve niet-ontvankelijk ten aanzien van haar verzoek om schadevergoeding.

Inhoudelijk
In juli 2019 is cliënt bij de polikliniek urologie geweest nadat hij is verwezen door zijn huisarts in verband met mictieproblematiek. Er werd na diagnostiek een vergrote prostaat gezien met prostaatmiddenkwab. Op 19 juli 2019 is dit met cliënt besproken en heeft hij een folder meegekregen over de voorgestelde operatie. Cliënt is op de wachtlijst geplaatst voor een TURP; transurethrale resectie van de prostaat. Deze ingreep heeft op 29 oktober 2019 plaatsgevonden. Tijdens de operatie bij patiënt, is het operatie instrument/de camera door de wand van de plasbuis gegaan en kon de operatie op dat moment daardoor niet worden verricht. Dit is een fausse route. Dit is een weinig voorkomende complicatie die verder geen ernstige gevolgen heeft. De plasbuis herstelt door rust. Er is daarom een blaaskatheter geplaatst waarna de plasbuis heeft kunnen herstellen. De ingreep heeft vervolgens op 2 januari 2020 zonder problemen plaatsgevonden. De fausse route was hersteld. Het ontstaan van een fausse route is een situatie die voorkomt bij behandelingen via de plasbuis en de actie die is ondernomen (plaatsen van katheter en de ingreep in later stadium uitvoeren) is de juiste actie destijds geweest

Er is geen rechtstreeks verband tussen de ruggenprik en het ontstane neurologisch beeld van ruggenmerg-ischemie op niveau T7(schouderblad niveau). De procedure op 29 oktober 2019 verliep gedocumenteerd ongecompliceerd en is uitgevoerd op circa L4 (bekken-niveau), ongeveer 30cm lager dan waar de problemen zijn ontstaan. Ook is nergens uit het dossier gebleken dat er na deze ruggenprik op 29 oktober 2019 sprake is geweest van enige complicaties of klachten. De precieze oorzaak van het optreden van de ischemie is moeilijk te achterhalen.

De zorgaanbieder leest in de klachtonderdelen het verwijt van klaagster dat de algehele achteruitgang van cliënt, welke uiteindelijk heeft geleid tot de keuze van cliënt om op deze manier niet meer verder te willen leven, door de zorgaanbieder is veroorzaakt. De ontstane situatie is echter niet veroorzaakt door een verwijtbaar handelen of nalaten vanuit de zorgaanbieder. In dit verband verwijst de zorgaanbieder naar de overweging van de klachtencommissie: ‘Hoewel de klachtencommissie zich kan voorstellen dat klager denkt dat, mede omdat er geen andere oorzaak voor de neurologische aandoening bekend is, het lijkt alsof de achteruitgang van de vader van klager is veroorzaakt door de bedoelde operatie en de daarvoor gegeven anesthesie, kan de klachtencommissie deze redenering van klager echter niet volgen. In het algemeen is het zeer onwaarschijnlijk dat een operatie als deze en de gebruikte vorm van anesthesie zouden leiden tot een neurologische achteruitgang. Gezien het dossier en de verklaring van de artsen is er geen sprake geweest van bijzondere omstandigheden om tot het oordeel te komen dat een dergelijk verband wel bestaat.’

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ontvankelijkheid
Omdat de zorgaanbieder een beroep heeft gedaan op de niet ontvankelijkheid van klaagster dient de commissie allereerst hier een oordeel over te geven.

Ter zitting heeft de commissie vastgesteld dat [zoon van klaagster] namens zijn moeder,[klaagster], nabestaande van cliënt, de klacht bij de commissie heeft ingediend. De vaststellingsovereenkomst ziet op de schadevordering en niet op de inhoud van de klacht. Daarmee staat de ontvankelijkheid van de klacht vast.

De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat er met klaagster reeds een financiële regeling is getroffen met finale kwijting. Daartoe is een vaststellingsovereenkomst opgesteld die op 2 november 2024 door klaagster is ondertekend.
De commissie is van oordeel dat klaagster daarmee afstand heeft gedaan van haar recht om schadevergoeding te vorderen in deze procedure. De commissie zal klaagster ten aanzien van het vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk verklaren.

Inhoudelijk
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval: de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-) proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van klaagster beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Klaagster heeft aangegeven dat cliënt tegen zijn wil voorafgaande aan de operatie op 29 oktober 2019 een ruggenprik heeft gekregen in plaats van volledige narcose, dat de operatie volledig mis is gegaan en cliënt als gevolg van deze ingreep een dwarslaesie heeft gekregen.

De commissie kan niet vaststellen wat er precies voorafgaande aan door de anesthesist is besproken met cliënt. Uit het medisch dossier blijkt dat aan cliënt twee opties zijn voorgelegd. Voorts blijkt uit het dossier dat cliënt een ASA 2 kwalificatie had, dat wil zeggen een patiënt met milde gezondheidsklachten. Gelet op deze kwalificatie acht de commissie het een redelijke keuze van de anesthesist om geen volledige narcose te geven vanwege de kans op bijwerkingen.

Tijdens de ingreep is bij patiënt een camera door de wand van de plasbuis gegaan en kon de operatie op dat moment daardoor niet worden verricht. Een fausse route is een bekende complicatie bij het inbrengen van een operatie-instrument. Ondanks inachtneming van de grootst mogelijke zorgvuldigheid kan een fausse route worden geprikt omdat de constitutie van het menselijk lichaam onvoorspelbaar is. Deze complicatie kan de behandelend arts – naar het oordeel van de commissie – niet worden verweten.

Na de ingreep heeft cliënt is ischemie in het ruggenmerg ontstaan. Klaagster stelt dat de ischemie het gevolg is geweest van de ruggenprik. De commissie begrijpt de reactie van klaagster nu er sprake is geweest van een samenloop van omstandigheden. Uit neurologisch onderzoek is echter vast komen te staan dat de ischemie op schouderblad niveau (T7) is ontstaan. De ruggenprik is op bekken niveau (L4) gegeven, ruim 30 centimeter lager. Vanuit medisch-technisch oogpunt ziet de commissie dan ook geen verband tussen de ischemie en de ruggenprik. Niet kan worden vastgesteld hoe de ischemie is opgetreden.

Klaagster heeft aangegeven dat cliënt na de medische behandeling door de zorgaanbieder veel klachten heeft gekregen die er uiteindelijk toe hebben geleid dat hij drie jaar na de ingreep uit het leven is gestapt vanwege ondraaglijk lijden.
De commissie begrijpt dat dit voor klaagster en haar familie een hele zware en verdrietige periode is geweest om hun man en vader zo te zien lijden. Echter, de commissie heeft niet kunnen vaststellen dat de klachten, die cliënt na de operatie heeft gekregen, rechtstreeks verband hebben gehouden met de medische behandeling die cliënt bij de zorgaanbieder heeft ondergaan.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld conform de voor hem geldende professionele standaard. De klachten van klaagster zullen ongegrond worden verklaard.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie
– verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding;
– verklaart de klachten ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 11 november 2025.

Opslaan als PDF