Klacht over schade-expert ongegrond verklaard

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Tuchtcommissie NIVRE    Categorie: Tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 807093/1124586

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een klager diende een klacht in bij de Tuchtcommissie van het NIVRE tegen een schade-expert die in opdracht van de verzekeraar een rapport opstelde na een inbraak waarbij zadels waren gestolen. Volgens de klager bevatte het rapport onjuiste informatie: het zou ten onrechte vermelden dat hij brandkluizen had aangeschaft en dat de gestolen zadels nooit thuis werden bewaard. De expert erkende dat de opmerking over de brandkluizen onjuist was, maar stelde dat dit geen invloed had op de schadebeoordeling. Over de opslaglocatie van de zadels verschilden partijen van mening. De commissie oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat de expert onzorgvuldig had gehandeld of dat het rapport onzorgvuldig was opgesteld. Omdat de verklaringen van beide partijen uiteenliepen en er geen objectief bewijs was, kon de klacht niet gegrond worden verklaard. De commissie benadrukte dat een tuchtrechtelijke sanctie alleen kan worden opgelegd op basis van vaststaande feiten. De klacht werd daarom ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

Onderwerp van de klacht

Klager verwijt beklaagde dat hij heeft gehandeld in strijd met de gedragsregels van het NIVRE tijdens de schadevaststelling na een diefstal, waarbij eigendommen van klager zijn ontvreemd. Beklaagde heeft in opdracht van de verzekeraar van klager, een expertiserapport opgesteld over de inbraakschade. Volgens klager bevat dit rapport onjuiste informatie en weigert beklaagde het rapport te corrigeren.

Standpunt van klager

Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Beklaagde heeft een onderzoek uitgevoerd en een expertiserapport opgemaakt naar aanleiding van een inbraak, waarbij zadels en toebehoren van klager zijn gestolen. De zadels en toebehoren waren ten tijde van de inbraak opgeslagen op het terrein van kennissen van klager. Volgens klager bevat het expertiserapport foutieve informatie en weigert beklaagde deze onjuistheden aan te passen.
Het gaat om de volgende fouten:
• In het expertiserapport staat dat klager na de diefstal brandkluizen heeft aangeschaft. De nieuwe brandkluizen zijn echter niet door klager aangeschaft en zijn niet zijn eigendom.
• In het expertiserapport staat dat klager heeft verklaard dat de gestolen zadels nooit thuis werden bewaard. Volgens klager heeft hij duidelijk verklaard dat de zadels wel degelijk ook thuis werden bewaard.

Klager is van mening dat beklaagde tekortschiet in het corrigeren van de fouten in zijn rapport. Beklaagde had na de melding door klager op zijn minst kunnen onderzoeken of de in het rapport opgenomen feiten correct waren.

Ter zitting
Klager heeft ter zitting verklaard dat de zadels ten tijde van de inbraak op de schade locatie aanwezig waren, enkel omdat hij in die periode op het huis van de kennissen paste. Klager is van mening dat hij, als hem de vraag zou zijn gesteld of de zadels altijd op die locatie aanwezig waren, daarop “nee” zou hebben geantwoord.

Standpunt van beklaagde

Voor het standpunt van beklaagde verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 21 mei 2024 heeft beklaagde de locatie van de diefstal bezocht. De ontvangen instructie voor de expertise-opdracht luidde:

Na inbraak schuur kennissen zadels gestolen. Graag schadeoorzaak en omvang vaststellen. Ook nagaan of de zadels ook weleens bij verzekerde thuiskomen en wanneer voor het laatst.

Beklaagde heeft een ronde over het erf van de schade locatie gemaakt en klager de vraag gesteld of de gestolen eigendommen ook thuis werden bewaard. Klager verklaarde daarop dat de eigendommen uitsluitend op de schade locatie werden bewaard en niet thuis.

Na het bezoek heeft beklaagde het schadebedrag vastgesteld en klager hierover op 24 mei 2024 geïnformeerd. Het rapport is op 30 mei 2024 naar de opdrachtgever verzonden, waarmee de opdracht als afgerond werd beschouwd. Beklaagde heeft zich daarbij niet over de dekkingskwestie uitgelaten.

Op 19 juni 2024 ontving beklaagde een verzoek tot aanpassing van het expertiserapport. Klager stelt dat in het rapport twee zaken door elkaar zijn gehaald: de opengebroken zadelkasten waren eigendom van klager, terwijl de nieuwe brandkluizen eigendom zijn van de kennis van klager. Deze stelling van klager is juist, die zaken zijn door elkaar gehaald. Het voorbeeld is slechts gebruikt om duidelijk te maken dat er achteraf veiligheidsmaatregelen zijn genomen.

In het expertiserapport zijn geen zaken anders weergegeven dan met klager is besproken. In het rapport is de verklaring opgenomen die klager tijdens het bezoek van beklaagde heeft afgelegd. Dat blijkt ook uit de gemaakte aantekeningen van die dag, waarin over de zadels staat: “liggen altijd hier”.

Ter zitting
Beklaagde heeft ter zitting verklaard dat hij tijdens zijn bezoek aan klager heeft gevraagd of de zadels weleens bij hem thuis kwamen en dat hij daarop het antwoord heeft gekregen dat de zadels altijd op deze locatie lagen. Naar eigen zeggen was beklaagde zich ervan bewust dat de opdrachtgever deze vraag niet zomaar stelde en dat het een belangrijke vraag betrof.

Beoordeling van de klacht

De commissie heeft het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 3.1. van haar reglement heeft de commissie tot taak het behandelen van klachten over het handelen en/of nalaten van een beklaagde ten tijde van diens NIVRE-registratie of inschrijving in de Kamer van het NIVRE, dat mogelijk in strijd is met de gedragscode en/of Statuten en/of Reglementen van het NIVRE en/of met hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening door beklaagde betamelijk is. Zij doet dit door een uitspraak te doen.

Voorop gesteld wordt dat een expert dient te handelen conform de Gedragsregels, de Statuten en Reglementen van het NIVRE, alsmede conform al hetgeen overigens bij een goede beroepsuitoefening betamelijk is. Zo dient men zich te gedragen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend expert betaamt, waarbij men dient te voldoen aan de eisen van betrouwbaarheid, professionaliteit, integriteit en collegialiteit, zoals nader omschreven in de gedragsregels van het NIVRE.

Het inhoudelijke werk van een expert staat in beginsel niet ter beoordeling van de commissie. Inhoudelijke geschillen, zoals die over de hoogte van een vergoeding voor geleden schade, dienen langs daartoe geëigende wegen beslecht te worden. Slechts indien en voor zover een expert een inhoudelijk standpunt heeft betrokken dat redelijkerwijze niet verdedigbaar is, kan dat strijd opleveren met de gedragsregels en tot een gegrondverklaring en/of tot een eventuele tuchtrechtelijke veroordeling leiden. Daarbij dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden waardoor het mogelijk is dat, ook indien men achteraf/objectief gezien een (inhoudelijke) fout heeft gemaakt, daar niet automatisch uit volgt dat men tevens klachtwaardig gehandeld heeft.

De commissie beoordeelt met inachtneming van de gedragsregels de door klager ingediende klacht als volgt, waarbij zij de door partijen ingediende stukken meeneemt en ook laat meewegen wat partijen tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht.

De door klager ingediende klachten hebben betrekking op twee punten die beklaagde in zijn deskundigenrapport heeft vastgelegd:
• De opmerking dat de brandkluizen na de diefstal door klager zouden zijn aangeschaft. De nieuwe brandkluizen zijn volgens klager echter niet door hem aangeschaft en zijn niet zijn eigendom.
• De opmerking dat klager zou hebben verklaard dat de gestolen zadels nooit thuis werden bewaard. Volgens klager heeft hij verklaard dat de zadels wel degelijk thuis werden bewaard.

De commissie stelt voorop dat zij niet de inhoudelijke juistheid van het rapport kan beoordelen, maar slechts kan nagaan of het rapport met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, zoals bedoeld in artikel 5.1 onder c van de Gedragsregels van het NIVRE.

Ter zitting is gebleken dat partijen van mening verschillen over de wijze waarop beklaagde heeft gevraagd naar de plaats waar de zadels werden bewaard en daarnaast over het antwoord dat klager heeft gegeven. De commissie kan niet vaststellen op welke wijze deze vraag precies is gesteld en wat is geantwoord. Wel staat vast dat het antwoord op deze vraag van belang was voor de beoordeling van de dekking van de schade, en dat dit belang voor beklaagde kenbaar was. Om die reden mocht van beklaagde worden verwacht dat hij deze vraag duidelijk en zorgvuldig formuleerde, en deze zo nodig herhaalde.

Daarbij geldt dat van een deskundige mag worden verwacht dat hij op zorgvuldige wijze informatie verzamelt en verifieert, zonder sturende vragen te stellen of het antwoord te beïnvloeden. Het is niet vereist dat een deskundige steeds uitlegt waarom hij een bepaalde vraag stelt. Van een verzekerde mag immers worden verondersteld dat hij bekend is met de inhoud van zijn eigen verzekeringspolis. Uitleg over de achtergrond of het doel van een vraag kan bovendien het risico met zich brengen dat het antwoord wordt beïnvloed. Een toelichting op een vraag zou er bovendien toe kunnen leiden dat een verzekerde zijn antwoord afstemt op de situatie waarin er dekking is van zijn schade door de verzekering.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting in deze zaak is verklaard blijkt niet dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld door het stellen van zijn vraag naar de locatie van de zadels. Met betrekking tot het antwoord van klager op die vraag hebben partijen verschillende lezingen. In dat verband geldt dat in gevallen waarin partijen uiteenlopende lezingen hebben gegeven over voor de beoordeling van de klacht relevante feiten en omstandigheden, en op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld van welke lezing moet worden uitgegaan, de klacht met betrekking tot het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit berust niet op de opvatting dat het woord van klager minder geloof zou verdienen dan dat van beklaagde, maar op het uitgangspunt dat het oordeel over de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van het handelen of nalaten waarover is geklaagd, zijn grondslag behoort te vinden in feiten en omstandigheden die als vaststaand kunnen worden aangenomen. Een tuchtrechtelijke sanctie kan slechts worden gebaseerd op zodanige feiten en omstandigheden.

Gelet op wat hiervoor is overwogen komt de commissie tot het oordeel dat in deze zaak niet is komen vast te staan dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld of dat zijn rapport onzorgvuldig of met relevante onjuistheden is opgesteld. Erkend is dat in het rapport een onjuistheid is opgenomen met betrekking tot de eigendom van de brandkluizen. Naar het oordeel van de commissie is deze onjuistheid niet van dien aard dat sprake is van schending van artikel 5.1 onder c van de Gedragsregels van het Nivre. De klacht van klager wordt daarom ongegrond verklaard.

Ten overvloede merkt de commissie op dat niet duidelijk is geworden waarom de tussenpersoon van klager niet bij het gesprek met beklaagde aanwezig was. Indien de tussenpersoon daarbij aanwezig was geweest, had hij klager kunnen uitleggen waarom bepaalde vragen werden gesteld en wat de relevantie daarvan was.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart de klacht van klager ongegrond.

Aldus beslist door de Tuchtcommissie NIVRE, bestaande uit mevrouw mr. J.M. van Jaarsveld, voorzitter, de heer mr. D.B. van der Neut, mevrouw J.M.A. van Haren, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L.H.A. van Doorn, secretaris, op 28 augustus 2025.

Opslaan als PDF