Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: Beëindiging behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring
Uitkomst: niet-ontvankelijk
Referentiecode:
1190916/1311122
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
De klacht ging over het beëindigen van de behandeling van een patiënt na de chemotherapie. De nabestaande vond dat hierbij onzorgvuldig was gehandeld. De Geschillencommissie oordeelde echter dat de klacht niet inhoudelijk behandeld kon worden, omdat deze te laat was ingediend. De klacht had binnen 12 maanden na de afwijzing van de aansprakelijkheid moeten worden ingediend. Daarnaast zag de commissie geen aanwijzingen dat de artsen niet zorgvuldig hebben gehandeld.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam]
(hierna te noemen: klager),
nabestaande van de heer [naam], (hierna te noemen: cliënt),
en
Stichting Radboud universitair medisch centrum, gevestigd te Nijmegen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De klacht betreft in hoofdzaak het stoppen van de behandeling van cliënt door de zorgaanbieder nadat de chemotherapie was afgerond.
Beoordeling van de ontvankelijkheid
Zoals ter zitting aan partijen is meegedeeld dient de commissie op de eerste plaats te beoordelen of klager ontvankelijk is in zijn klachten, nu de zorgaanbieder in haar verweerschrift van 25 oktober 2025, onder verwijzing naar artikel 6, lid 1, aanhef onder c, van het reglement, uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de klager in zijn klacht.
In dit verband heeft de zorgaanbieder aangegeven dat klager zijn klacht niet bij de geschillencommissie aanhangig heeft gemaakt binnen 12 maanden na de datum waarop de zorgaanbieder een beslissing heeft genomen op de aansprakelijkheidsstelling. Klager heeft het geschil op 8 juni 2025 aan de commissie voorgelegd (datumvermelding op het meldingsformulier), ruim 15 maanden na afwijzing van de aansprakelijkheid.
Naar aanleiding van het niet-ontvankelijkheidsverweer van de zorgaanbieder heeft klager aangevoerd dat hij de klachtenprocedure nooit heeft stopgezet. De procedure waarbij hij de zorgaanbieder aansprakelijk heeft gesteld liep naast de klachtenprocedure en heeft deze niet vervangen. Vanwege de ziekte en overlijden van cliënt heeft klager een hele heftige periode meegemaakt.
De commissie overweegt het volgende.
Ingevolge artikel 6, lid 1, sub c van het reglement van de commissie, verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk indien de cliënt zijn geschil niet binnen 12 maanden, na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.
Op grond van de door partijen overgelegde stukken stelt de commissie het volgende vast.
Klager heeft zijn klachten aan de zorgaanbieder voorgelegd op of omstreeks 12 juli 2023 nadat hij op 22 mei 2023 aan de zorgaanbieder heeft verzocht om het medisch dossier. Klager heeft daarnaast op 17 oktober 2023 de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor de behandeling en overlijden van cliënt.
Naar aanleiding van deze klacht en de aansprakelijkheidstelling heeft de klachtenfunctionaris op 19 oktober 2023 een e-mail aan klager gezonden met daarbij gevoegd twee verklaringen van de behandelend artsen. In deze e-mail heeft de klachtenfunctionaris aangegeven dat zij – vanwege de aansprakelijkheidsstelling – geen mogelijkheid meer zag voor verdere klachtenbehandeling en heeft zij verzocht om toestemming tot overdracht van het dossier aan de afdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken. Klager heeft daarop op 19 oktober 2025 per e-mail zijn toestemming gegeven.
De commissie is van oordeel dat, gezien deze e-mailwisseling, klager toestemming heeft gegeven de klachtenprocedure te beëindigen en te vervangen door een aansprakelijkheidsprocedure.
Op 1 maart 2024 heeft de Raad van Bestuur bij brief aan klager bericht dat de zorgaanbieder niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de behandeling van de cliënt en de schade. Klager heeft daarop zijn klacht aan de commissie voorgelegd, die de commissie op 8 juni 2025 heeft ontvangen.
Op basis van voorgaande data concludeert de commissie dat klager zijn klachten niet binnen 12 maanden, na de datum waarop de zorgaanbieder de aansprakelijkheid heeft afgewezen, aanhangig heeft gemaakt. Vanwege deze termijnoverschrijding is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 6, lid 1, sub c, van het reglement.
De commissie is van oordeel dat klager geen omstandigheden heeft aangevoerd waardoor hem ter zake van de niet naleving van voornoemd artikel redelijkerwijs geen verwijt treft. Reeds hierom zal de commissie cliënt niet-ontvankelijk verklaren in zijn klacht.
Ten overvloede merkt de commissie op dat zij op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting niet tot het oordeel kan komen dat de behandelend artsen niet hebben gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts in gelijke omstandigheden zou hebben gehandeld.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. R.I. Lalisang, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 8 april 2026.