Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg
Categorie: Behandelingsovereenkomst
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: ongegrond
Referentiecode:
1262196/1313313
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Deze zaak gaat over een cliënt die klaagt dat zijn opname in een kliniek plotseling is beëindigd en dat er onjuist is gedeclareerd bij zijn zorgverzekeraar. De cliënt vindt dat hij oneerlijk is behandeld ten opzichte van andere cliënten en dat hij ten onrechte moest vertrekken, terwijl hij hulp nodig had. Ook vraagt hij een vergoeding voor emotionele schade. De zorgaanbieder stelt dat de opname is beëindigd vanwege ernstige spanningen en verbale agressie, en dat de veiligheid in de kliniek niet meer kon worden gegarandeerd. De Geschillencommissie oordeelt dat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd, maar dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld en passende vervolgzorg heeft aangeboden. De fout in de declaratie is hersteld. Daarom verklaart de commissie de klachten ongegrond en wijst zij de schadevergoeding af.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)en
Stichting Novadic-Kentron, gevestigd te Vught
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Onderwerp van het geschil
De klacht betreft de abrupte beëindiging van de opname van cliënt en de onjuiste declaratie bij de zorgverzekeraar.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
De diagnostische opname van cliënt in de kliniek in Breda is abrupt door de zorgaanbieder beëindigd nadat cliënt enkele aanvaringen heeft gehad met medecliënten. Cliënt stelt dat hij het idee heeft dat de zorgaanbieder alles heeft gedaan om hem te dwarsbomen. Het gedrag van de medecliënten werd door de zorgaanbieder bestraft. Er is sprake geweest van het meten met twee maten. Van de therapeuten kreeg cliënt te horen dat hij goed meedeed met het programma en niets verkeerd heeft gedaan maar tegelijkertijd heeft hij te horen gekregen dat de zorgaanbieder in de toekomstproblemen voorzag tussen cliënt en de medecliënten waardoor cliënt de kliniek moest verlaten. Cliënt betwist dat hij op 20 mei 2025 een medecliënt heeft bedreigd.
Voorts stelt cliënt dat de zorgaanbieder bij de zorgverzekeraar onjuist heeft gefactureerd door vijf dagen te declareren die cliënt niet in de kliniek heeft doorgebracht.
Cliënt vordert een vergoeding voor de emotionele schade die hij heeft geleden. Door vroegtijdig vertrek heeft hij geen gesprekken kunnen voeren met de psycholoog. Client heeft 6 weken doorgebracht in de kliniek en is er uiteindelijk slechter uitgekomen. Cliënt wenst een vergoeding van € 200,- per week, totaal € 1200,-. Cliënt heeft een opiaatverslaving en heeft dringend hulp nodig. Het is heel moeilijk om een behandelaar te vinden want deze vorm van verslaving wordt niet overal behandeld en de wachttijden zijn erg lang. Ook kan hij niet terecht in een kliniek die geen contract heeft met zijn zorgverzekering.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Cliënt was opgenomen voor een klinische detoxificatie met aansluitende diagnostiek, met als doel zijn diagnostisch beeld verder te verduidelijken. Tijdens zijn verblijf ervoer cliënt regelmatig spanningen binnen de groep. Deze spanning uitte hij met regelmaat op een te directe en aanvallende wijze, zowel naar cliënten als medewerkers. Daarnaast wenste cliënt zijn programma zelf te bepalen, wat geen optie is in de kliniek. Hierdoor was de samenwerking, de voorwaarde voor behandeling, regelmatig niet aanwezig. Vaak kon cliënt nadien wel op zijn gedrag reflecteren en zijn eigen aandeel zien. Om escalatie te voorkomen is cliënt op eigen verzoek overgeplaatst naar een andere woonkamer. Op 20 mei 2025 vond er een daadwerkelijke escalatie plaats. Cliënt heeft zich dreigend uitgelaten richting een medecliënt. De dreiging/verbale agressie jegens medecliënt was dermate ernstig en niet acceptabel, dat beëindiging van de klinische opname noodzakelijk was in verband met de veiligheid binnen de klinische setting van de andere cliënten en de medewerkers van de zorgaanbieder. Het ontslag is met cliënt besproken door de senior sociotherapeut. Toen cliënt aanvankelijk weigerde te vertrekken, is door de klinisch regiebehandelaar samen met zijn ambulant behandelaar en de senior sociotherapeut het besluit nog een keer toegelicht. Hierbij is benoemd dat ontslag van de afdeling in dit geval niet betekent dat het behandeltraject zou stoppen maar dat de diagnostiek en de behandeling zou worden voortgezet in de ambulante setting.
Cliënt geeft aan dat er sprake was van ongelijke behandeling in de kliniek. Binnen de kliniek gelden voor alle cliënten dezelfde regels. Wel worden behandeltrajecten waar nodig individueel afgestemd, omdat ieder traject maatwerk is. Dit betekent echter niet dat cliënten ongelijk behandeld worden, maar dat er rekening wordt gehouden met ieders persoonlijke situatie.
Inderdaad is er bij de zorgverzekeraar van cliënt een onjuiste factuur ingediend. Het bedrag dat te veel is ontvangen is inmiddels gecrediteerd.
Het spijt de zorgaanbieder dat cliënt heeft ervaren dat hij slechter is door opname in de kliniek. Echter, gezien de incidenten die hebben plaatsgevonden, was het onmogelijk om cliënt in de kliniek te houden. Er is hem na ontslag uit de kliniek aangeboden om ambulant de onderzoeken af te nemen. Van dit aanbod heeft cliënt geen gebruik willen maken. Een schadevergoeding is daarom niet van toepassing.
Beoordeling van het geschil
De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met cliënt.
Op grond van de behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
Cliënt heeft aan de commissie twee klachten voorgelegd.
Klacht 1: de klinische opname is abrupt beëindigd.
Cliënt heeft ter zitting aangevoerd dat de zorgaanbieder op onjuiste gronden de opname van cliënt heeft beëindigd. Hij betwist dat er sprake is geweest van incidenten. Dat hij een medecliënt zou hebben bedreigd is niet juist. Cliënt stelt dat de zorgaanbieder de medecliënten anders heeft behandeld dan cliënt. Bij alle akkefietjes die er hebben gespeeld kreeg cliënt de schuld terwijl een medecliënt de agressor was.
De zorgaanbieder heeft ter zitting aangegeven dat op het moment dat cliënt naar huis was gestuurd al op de planning stond dat hij naar huis zou gaan. De zorgaanbieder heeft de beslissing om cliënt naar huis te sturen genomen omdat er meerdere keren sprake is geweest van verbale agressie en de verwachting was dat cliënt zijn gedrag niet zou verbeteren. Er wordt niet met twee maten gemeten. Wel worden met individuele cliënten op afspraken op maat gemaakt, afhankelijk van hun geestelijke en lichamelijke situatie tijdens de (detox)fase.
De commissie heeft ter zitting vastgesteld dat de standpunten van cliënt en van de zorgaanbieder uiteenlopen met betrekking tot de reden waarom cliënt is weggestuurd. De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat drie collega’s hebben gehoord dat cliënt zich agressief jegens een medecliënt heeft opgesteld, terwijl cliënt dit uitdrukkelijk heeft betwist.
De commissie kan geen oordeel geven over de wijze waarop is gecommuniceerd nu de standpunten van partijen diametraal tegenover elkaar staan. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, dat het verwijt van klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst met voldoende zekerheid moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor deze klachten niet kunnen slagen.
Cliënt heeft ter zitting aangegeven dat het moeilijk is om een behandelaar te vinden die de vorm van verslaving van cliënt kan behandelen. Hij staat nu op een wachtlijst van het Leger des Heils maar na de intake duurt het nog maanden voordat hij in een kliniek kan worden opgenomen. Hij heeft hulp nodig voor het verkrijgen van een klinische behandeling met diagnostisch onderzoek.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de commissie vastgesteld dat de regiebehandelaar tijdens het ontslaggesprek cliënt heeft aangeboden om het diagnostische onderzoek in een ambulante setting voort te zetten. Cliënt heeft echter zelf aangegeven geen gebruik te willen maken van dit aanbod. Door het aanbieden van een passende voortzetting van de behandeling heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie zorgvuldig gehandeld.
Klacht 2: onterechte declaratie
De commissie heeft vastgesteld dat de zorgaanbieder heeft erkend dat zij te veel verblijfsdagen heeft gedeclareerd bij de zorgverzekeraar. Alle declaraties na 20 mei 2025 zijn, onder het aanbieden van excuses door de zorgaanbieder, inmiddels gecrediteerd. Daarmee is de fout hersteld en deze klacht opgelost.
Conclusie
Alles overziende is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben gehandeld. De commissie zal beide klachten ongegrond verklaren.
Schadevergoeding
De commissie zal de vordering van cliënt tot vergoeding van de emotionele schade afwijzen. Er is geen sprake van een tekortkoming van de zijde van de zorgaanbieder.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie verklaart de klachten ongegrond en wijst de vordering tot schadevergoeding af.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. T. Knap, mevrouw E.M. van den Berg, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 26 februari 2026.