Klacht over zwelling na darmonderzoek ongegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2025
Soort uitspraak: Bindend Advies   Uitkomst: ongegrond   Referentiecode: 233944/253361

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een man diende een klacht in tegen Haaglanden Medisch Centrum over een coloscopie die hij in 2017 onder narcose had ondergaan. Volgens hem is tijdens dit onderzoek onzorgvuldig gehandeld, waardoor hij daarna een pijnlijke zwelling aan zijn scrotum kreeg. Hij stelde dat hij niet goed op de operatietafel lag, dat niemand hem vroeg of hij comfortabel lag en dat hij geen kussentje tussen zijn benen kreeg, terwijl dat volgens hem gebruikelijk is. Na de ingreep hield hij langdurig klachten, zoals pijn, zwelling en beperkingen in zijn dagelijks leven en bij sporten. Het ziekenhuis vond dat de klacht wel behandeld mocht worden, maar ontkende dat er onzorgvuldig was gewerkt. Volgens het ziekenhuis is het normaal om vooraf te vragen of een patiënt goed ligt, is een zijligging gebruikelijk bij dit onderzoek en bestaat er geen richtlijn die een kussentje tussen de benen verplicht. De commissie oordeelde eerst dat de man ontvankelijk was in zijn klacht, omdat hij op tijd had geklaagd. Daarna keek de commissie naar de inhoud van de zaak. De commissie kon niet vaststellen wat er precies voorafgaand aan het onderzoek is gezegd of gebeurd, omdat de lezingen van beide partijen hierover tegenover elkaar stonden. Ook kon de commissie niet vaststellen dat de zwelling is veroorzaakt door de ligging tijdens het onderzoek. In de medische literatuur is deze complicatie niet beschreven bij een coloscopie. Daarom vond de commissie niet bewezen dat het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld. De klacht werd in alle onderdelen ongegrond verklaard.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Haaglanden Medisch Centrum, gevestigd te ‘s-Gravenhage
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden op 11 november 2025 te Den Haag. Beide partijen hebben hun standpunt nader toegelicht.

De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam], jurist Gezondheidsrecht Haaglanden Medisch Centrum, en [naam], MDL-arts. Client was eveneens aanwezig.

Onderwerp van het geschil

De klacht betreft onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder tijdens een ingreep.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt dit op het volgende neer.
Cliënt heeft op 14 september 2017 een coloscopie onder narcose ondergaan. Direct na de ingreep kreeg hij last van een pijnlijke, forse zwelling aan het scrotum, vermoedelijk veroorzaakt door onzorgvuldige positionering tijdens de ingreep. Vanwege de immobiliteit van beide armen kon cliënt op de operatietafel niet zelf anders gaan liggen. Niemand vroeg of hij comfortabel lag, en hij had geen gelegenheid zijn wensen kenbaar te maken omdat hij direct onder narcose werd gebracht. Patiënten krijgen bij dergelijke ingrepen meestal een kussen tussen de knieën om letsel te voorkomen, maar in zijn geval is dit niet gebeurd.
Enkele dagen na de ingreep kreeg hij erge last van zwelling aan zijn scrotum en werd hij door de huisarts doorverwezen naar de uroloog. Voor de ingreep had cliënt geen klachten. Een operatie werd uitgevoerd om de zwelling te verwijderen of te verminderen, maar het probleem bleef bestaan. Tot op heden ervaart cliënt nog steeds lichte zwelling, stuwing, en een gevoel van belemmering tijdens dagelijkse en sportieve activiteiten. Daarnaast ondervindt hij slaapklachten en relationele problemen door de pijnklachten.
De uroloog stelde voor om de testikel te verwijderen als laatste optie, maar cliënt heeft hier nog niet mee ingestemd vanwege de impact op zijn persoonlijke integriteit. Tijdens een controle ontstond een verstoorde relatie met de behandelaar, waarna hij een andere arts heeft gezocht.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern dit op het volgende neer.

Niet ontvankelijk
De klacht is te laat ingediend en client is derhalve niet ontvankelijk in zijn klacht op grond van art. 6, lid 1 sub c van het Reglement van de Geschillencommissie. Daarnaast is de klacht te laat ingediend, omdat een rechtsvordering tot vergoeding van schade op basis van artikel 3:310 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek verjaart door verloop van 5 jaar nadat een benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

Inhoudelijk
Het is gebruikelijk dat patiënten voorafgaande aan de ingreep wordt gevraagd of zij goed liggen. De betrokken MDL-arts herinnert zich niet dat bij cliënt van die werkwijze is afgeweken. Een ligging op de linkerzijde is een gebruikelijke ligging bij dit type ingrepen. Er gelden daarbij, ook volgens vakliteratuur, geen specifieke instructies ter zake de ligging van het scrotum. Evenmin is er een richtlijn die het gebruik van een kussentje tussen de benen van een patiënt voorschrijft. Overigens wordt sedert de ingreep bij cliënt wel een kussentje gebruikt bij een dergelijke ingreep.
Uit het enkele feit dat er een hydrocele is ontstaan, kan niet worden afgeleid dat er (dus) een fout is gemaakt. De vraag is of de hydrocele überhaupt het gevolg is van deze ingreep. Het betreft in ieder geval geen bekende, eerder gemelde complicatie van dit type ingreep. Voor zover de betrokken specialist heeft kunnen nagaan is ook elders de relatie tussen een coloscopie onder propofol en het ontstaan van een hydrocele nergens beschreven. Als de hydrocele wel het gevolg is van de ingreep, dan betreft het een complicatie en is er geen sprake van een toerekenbare fout of nalaten.

Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid
De commissie heeft in haar tussenadvies naar aanleiding van het verweer van de zorgaanbieder met betrekking tot de niet ontvankelijkheid geoordeeld dat het beroep op artikel 3:310 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek niet kan slagen, daar er geen sprake is van een schadevordering van de zijde van cliënt.

De commissie heeft in haar tussenadvies aan cliënt verzocht de brief van 22 april 2022 aan de commissie te doen toekomen omdat de inhoud van die brief mogelijk van belang is voor de ontvankelijkheidsvraag, omdat de datum van deze brief is gelegen binnen een periode van vijf jaar na de behandeling van de cliënt op 14 september 2017.

De commissie heeft in het dossier in de bijlage bij het verweerschrift van de zorgaanbieder deze brief van 22 april 2022 van cliënt gericht aan de zorgaanbieder aangetroffen waarin hij zijn klacht schriftelijk kenbaar heeft gemaakt. Cliënt heeft, nadat hij de brief van de Raad van Bestuur, gedateerd 31 januari 2023 heeft ontvangen, op 4 december 2023 zijn klacht voorgelegd aan de commissie, derhalve binnen de termijn van 12 maanden, na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis. Daarmee is vast komen te staan dat er geen sprake is van een termijnoverschrijding in de zin van artikel 6, lid 1, sub c van het reglement.
De commissie zal het verweer van de zorgaanbieder op dit punt afwijzen.

Inhoudelijk
Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet het ziekenhuis bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat het ziekenhuis die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor het ziekenhuis voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorginstelling moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorginstelling zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen, of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

De commissie zal de klacht van cliënt beoordelen in het licht van het hierboven geschetste toetsingskader.

Cliënt heeft aan de commissie de volgende klachten voorgelegd:
– voorafgaand aan de ingreep heeft de zorgaanbieder niet goed gecommuniceerd met cliënt;
– hij heeft niet, zoals gebruikelijk is, een kussentje tussen zijn benen gekregen;
– door de verkeerde ligging is een hydrocele testis ontstaan waardoor hij ernstig wordt belemmerd in zijn activiteiten.

Cliënt heeft ter zitting aangevoerd dat de assistentes op de operatiekamer cliënt voorafgaande aan de operatie niet hebben gevraagd of hij goed lag op de operatietafel. Cliënt lag niet lekker maar kon dit niet kenbaar maken omdat hij vrijwel direct onder narcose werd gebracht.

De zorgaanbieder heeft betwist dat vooraf niet aan cliënt is gevraagd of hij goed lag. Dit is een gebruikelijke vraag voor de ingreep.

De commissie stelt vast dat de meningen van partijen diametraal tegenover elkaar staan. Het is vaste jurisprudentie van de commissie in gevallen als deze, waarbij de lezingen van beide partijen uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke gang van zaken is geweest, het verwijt van een klager op het desbetreffende onderdeel niet gegrond kan worden bevonden. Dit oordeel berust niet op het uitgangspunt dat het woord van de klager minder geloof verdient dan dat van de zorgaanbieder, maar op de omstandigheid dat voor een oordeel of onzorgvuldig is gehandeld eerst moet worden vastgesteld welke feiten daaraan ten grondslag gelegd kunnen worden. Deze feiten kan de commissie hier niet vaststellen, waardoor deze klacht niet kan slagen.

Cliënt heeft voorts gesteld dat de zorgaanbieder heeft verzuimd een kussentje tussen zijn benen te leggen.
De commissie heeft vastgesteld dat er geen richtlijn bestaat waarin is opgenomen dat een kussentje moet worden gebruikt bij een dergelijke ingreep. In zoverre zal ook deze klacht ongegrond worden verklaard.
Dat de zorgaanbieder naar aanleiding van de klacht van cliënt is overgegaan tot het plaatsen van een kussentje tussen de benen van een patiënt bij een coloscopie betekent naar het oordeel van de commissie niet dat daarmee de klacht van cliënt gegrond is.

Cliënt heeft aangevoerd dat door de verkeerde ligging tijdens de ingreep een hydrocele testis is ontstaan.
De commissie begrijpt dat deze zwelling voor cliënt veel ongemak veroorzaakt. Echter niet kan worden vastgesteld dat dit letsel het gevolg is geweest van de ligging op de operatietafel. De commissie kan dit ambtshalve in medisch technische zin niet verklaren. In de vakliteratuur wordt deze complicatie niet beschreven. Mocht er desalniettemin sprake zijn geweest van een complicatie, dan is deze zo zeldzaam dat de zorgaanbieder hiervan geen verwijt kan worden gemaakt.

Alles overziende is de commissie van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de zorgaanbieder niet heeft gehandeld zoals een redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheid zou hebben gehandeld bij het uitvoeren van de colonscopie.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie
– verklaart cliënt ontvankelijk in zijn klachten;
– verklaart de klachten ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer prof. dr. R.J.A. van Moorselaar, de heer J. Donga, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 11 november 2025.

Opslaan als PDF