Klachten cliënte na de uitgevoerde operatie door zorgaanbieder niet serieus genomen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: bejegening/ schadevergoeding/ zorgvuldigheid    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 213711/225876

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënte is behandeld door de zorgaanbieder voor een standscorrectie voor beide benen. Het rechterbeen is te ver over-gecorrigeerd, waardoor de cliënte klachten heeft ervaren en uiteindelijk door een andere zorgverlener een hersteloperatie is uitgevoerd. De zorgaanbieder stelt dat er geen sprake is van een onjuiste of onzorgvuldige behandeling. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en kent aan de cliënte een vergoeding toe van € 6.000,–.

De uitspraak

In het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)

en

Stichting Spaarne Gasthuis, gevestigd te Haarlem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De cliënt heeft ter zitting fysiek het standpunt toegelicht. Door de zorgaanbieder is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ter zitting het standpunt toe te lichten.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 28 november 2023 te Utrecht.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling
De overeenkomst die de cliënte en de zorgaanbieder met elkaar hebben gesloten, is een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de arts bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de arts die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam en/of de menselijke geest in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormen/vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de zorgverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een toerekenbare fout heeft gemaakt.

De cliënte is van mening dat de zorgaanbieder bij de uitvoering van die overeenkomst niet zorgvuldig heeft gehandeld, waardoor zij nadeel heeft ondervonden. De cliënte houdt de zorgaanbieder hiervoor aansprakelijk. Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de arts tekort is geschoten in de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst. De tekortkoming moet aan (de arts van) de zorgverlener kunnen worden verweten en de cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

In het schriftelijk verweer heeft de behandelend arts van de cliënte aangegeven dat op de preoperatieve beenas opname de anatomische beenas 2 graden varus (de commissie begrijpt O-stand) is. Op de postoperatieve opname is de anatomische as 7 graden valgus (de commissie begrijpt: X-stand), waarmee volgens de arts een correctie van 10 is graden verkregen, zoals ook de bedoeling was van de standscorrectie. Daargelaten het feit dat dit geen correctie van 10, maar van 9 graden is, acht de commissie het niet aannemelijk geworden dat een dergelijke correctie, waarbij het been te veel in een X-stand is komen te staan, de bedoeling was. Dit wordt door de cliënte betwist, blijkt niet uit het dossier, is ook anderszins niet onderbouwd en is in zijn algemeenheid evenmin zonder meer als een begrijpelijke medische keuze aan te merken. De commissie is daarom van oordeel dat de (arts van de) zorgaanbieder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van een zorgvuldig uitgevoerde operatie.

Na deze operatie heeft de cliënte veel pijn ervaren. Zij heeft hierop te kennen gegeven bij de behandeld arts dat zij een hersteloperatie wilde. Dit werd door de arts geweigerd, zo heeft de cliënte ter zitting verklaard. Hij verwees haar naar een orthopedisch schoenmaker voor zooltjes om de stand te corrigeren. Hierna heeft de cliënte een second opinion laten uitvoeren bij een andere kliniek. Een hersteloperatie werd hier in eerste instantie afgeraden, omdat het te snel op de eerste operatie was. Omdat de cliënte aangaf door de pijn niet te kunnen functioneren, is de hersteloperatie toch uitgevoerd. De hersteloperatie heeft, net als de eerdere operatie, geleid tot een langdurig en pijnlijk revalidatietraject. In het geval van de eerste operatie bedroeg dit vier maanden, na de hersteloperatie ging het om zes maanden. De hersteloperatie heeft wel geleid tot het beoogde resultaat.

De commissie is van oordeel dat evenmin sprake is geweest van een zorgvuldig na-traject van de operatie nadat de cliënte herhaaldelijk heeft te kennen gegeven veel pijn te ervaren. Niet is gebleken dat de klachten van de cliënte na de uitgevoerde operatie door de zorgaanbieder serieus zijn genomen. Alhoewel begrijpelijk is dat in eerste instantie wordt bekeken hoe de situatie zich ontwikkelt en het kort na de operatie te snel was om een heroperatie uit te voeren, had de arts moeten inzien – zeker bij de controle 7,5 maand na de operatie – dat de klachten van de cliënte ernstig waren, niet overgingen en niet te verhelpen waren met een zooltje. De commissie deelt voorts het standpunt van de cliënte dat hiermee bovendien sprake was van symptoombestrijding, terwijl het daadwerkelijke probleem – de 7 graden valgus – buiten beschouwing bleef.

Verder is de commissie van oordeel dat omtrent het gehele traject van de operatie onvoldoende is vastgelegd. Er ontbreekt (operatie)documentatie, verslag van indicatiegesprek, voorlichting en er is geen vervolgtraject besproken. Doordat de zorgaanbieder niet ter zitting is verschenen, heeft de commissie hierover geen vragen kunnen stellen. Dat de commissie hierdoor wellicht geen volledig beeld van de situatie heeft gekregen dient voor rekening en risico van de zorgaanbieder te komen.

De commissie is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en verklaart de klacht gegrond.

Ten aanzien van de gevorderde schadevergoeding heeft de commissie hiervoor reeds overwogen dat voor een aanspraak op schadevergoeding ten minste is vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting en dat dit tekortschieten hem moet kunnen worden toegerekend. Ook moet er sprake zijn van voldoende causaal verband tussen de schade en de toerekenbare tekortkoming. De commissie heeft geoordeeld dat er sprake is van tekortschieten in de behandelrelatie met de cliënte. De commissie is voorts van oordeel dat dit tekortschieten aan de zorgaanbieder kan worden toegerekend. De commissie is van oordeel dat de cliënte haar verzoek tot toekenning wat betreft de materiële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd en zal dit verzoek daarom afwijzen.

Wat betreft de immateriële schade door met name pijn en herhaald langdurige revalidatie overweegt de commissie dat de cliënte, naar alle waarschijnlijkheid, bij een juiste behandeling gedurende een (veel) kortere periode en in mindere mate pijn zou hebben geleden. Bovendien was in dat geval een hersteloperatie niet nodig geweest. De commissie is dan ook van oordeel dat er sprake is van causaal verband tussen het gegronde klachtonderdeel en de gestelde immateriële schade bij de cliënte. De commissie stelt het bedrag van de vergoeding van immateriële schade naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op € 6.000,– en wijst de gevorderde schadevergoeding voor het overige af.

Daar de klacht gegrond wordt verklaard, zal de commissie, onder verwijzing naar artikel 21 van het reglement, de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding aan de cliënte van het door haar betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 127,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Beslissing
• verklaart de klacht van de cliënte gegrond;
• wijst de vordering tot schadevergoeding – onder afwijzing van het overige – toe tot een bedrag van €6.000,–;
• bepaalt dat de zorgaanbieder, nu de klacht gegrond is, overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de cliënte dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld;
• bepaalt dat betaling van de schadevergoeding en het klachtengeld binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies dient plaats te vinden;
• veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling van de behandelingskosten.
Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. dr. E. Venekatte, voorzitter, de heer dr. H. Mencke, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 28 november 2023.