Klachten niet eerst bij ziekenhuis kenbaar gemaakt, daarnaast geen verband tot uitvoering behandelingsovereenkomst

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen / Klachtafhandeling    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 11105/11902

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt heeft 7 klachtonderdelen. Klachtonderdeel 1 en 2 gaan over het handelen van de geriater en de gestelde diagnoses. In het verweer wordt door het ziekenhuis een beroep op niet-ontvankelijkheid gedaan. Het ziekenhuis stelt dat de cliënt de klachten niet eerst kenbaar heeft gemaakt, terwijl dit op grond van het Reglement wel had gemoeten. De cliënt heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de klachten wel bij het ziekenhuis kenbaar heeft gemaakt. De cliënt wordt in deze klachten niet-ontvankelijk verklaard. De commissie zal de klachtonderdelen niet inhoudelijk beoordelen. Klachtonderdeel 3 t/m 7 gaan over het handelen van de klachtenfunctionaris en de afdeling Financiën en Control van het ziekenhuis. Onder verwijzing naar artikel 3 van het Reglement beslist de commissie dat zij onbevoegd is om deze klachten te behandelen. De klachten hebben namelijk geen direct verband met de totstandkoming of uitvoering van de behandelingsovereenkomst tussen de cliënt en het ziekenhuis.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen:
[Naam cliënt], wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door zijn echtgenote [naam echtgenote]

en

Laurentius Ziekenhuis Roermond, gevestigd te Roermond, (hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De mondelinge behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2020 te Eindhoven.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
– de echtgenote;
– het ziekenhuis, vertegenwoordigd door mevrouw [naam geriater], geriater, en mevrouw [naam stafjurist], stafjurist.

Cliënt is met bericht van verhindering niet verschenen.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter van de commissie partijen ervan in kennis gesteld dat tussen het lid van de commissie, mevrouw Kleijnen- van ’t Hullenaar, en mevrouw [naam stafjurist] een zakelijke relatie heeft bestaan doordat zij gelijktijdig lid zijn geweest van dezelfde klachtencommissie. Mevrouw Kleijnen-van ‘t Hullenaar heeft verklaard zich vrij te voelen dit geschil objectief te kunnen beoordelen. Elk van partijen heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen het feit dat mevrouw Kleijnen-van ‘t Hullenaar het onderhavige geschil mee zal beoordelen.

Vervolgens heeft de voorzitter de echtgenote gevraagd of zij bezwaren heeft tegen de specificatie en opsomming van de klachten zoals door het ziekenhuis in het verweerschrift is weergegeven. Omdat de echtgenote daartegen geen bezwaren heeft kenbaar gemaakt, heeft de commissie bij de behandelding van de zaak dit als leidraad genomen.

Onderwerp van het geschil
Het geschil heeft betrekking op een onjuiste handelwijze van de geriater bij wie cliënt in behandeling was, op een onjuiste verslaglegging door de klachtenfunctionaris van een gesprek tussen cliënt, de echtgenote en de geriater op 16 september 2019 en op een voor cliënt bestemde brief met een onjuiste adressering en aanhef, afkomstig van de stafafdeling Financiën & Controle van het ziekenhuis.

Standpunt van cliënt
Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen de echtgenote tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

1.
De behandelend geriater heeft op 20 februari 2019 de diagnose van cliënt “verslechterd”. Cliënt vindt dat daarmee sprake is van fraude.

2.
De geriater heeft in haar brief aan de huisarts van cliënt betreffende het consult op 20 februari 2019 geschreven dat het verschil in levensfase van cliënt en zijn echtgenote een grote kloof tussen hen blijkt te zijn. Cliënt vindt dit discriminatie.

3.
In het verslag van de klachtenfunctionaris is vermeld dat deze op 16 september 2019 tijdens het gesprek tussen cliënt en de geriater aantekeningen heeft gemaakt. Die vermelding is niet juist, omdat de klachtenfunctionaris niet bij dat gesprek aanwezig is geweest. Cliënt is bereid om personen te laten getuigen dat hij zijn beleving op de juiste wijze kan weergeven.

4.
Tijdens het gesprek dat cliënt en zijn echtgenote op 16 september 2019 met de geriater hadden, deelde laatstgenoemde mee dat zij het er niet mee eens was dat cliënt en zijn echtgenote samen in het medisch dossier van cliënt hadden ingelogd. Voor de echtgenote was dat namelijk niet toegestaan. Cliënt en zijn echtgenote doen alles samen en hieruit mag blijken dat de echtgenote gemachtigd was in het medisch dossier van cliënt in te loggen.

5.
Cliënt vond het erg dat hij op 16 september 2019 eerst alleen met de geriater moest praten.

6.
Het verslag van de klachtenfunctionaris is niet juist.
a) Er staat in het verslag dat de geriater ook contact heeft gehad met de huisarts van cliënt over de medicatie, terwijl de huisarts aan cliënt heeft verklaard dat hij daarvan niets weet. De huisarts heeft alleen in februari 2019 contact gehad met de geriater, die de huisarts toen telefonisch heeft benaderd.
b) In het verslag staat dat de echtgenote heeft aangegeven dat de praktijkassistente van de huisarts naar de geriater zou hebben gebeld om door te geven dat de medicatie zou worden aangepast. Dit is niet gezegd. Gezegd is dat de praktijkassistente dit zou doorbellen naar het ziekenhuis en dit is ook gebeurd.
c) Tot september 2019 was in het door het ziekenhuis aangehouden medisch dossier van cliënt niet vermeld dat het gebruik van het antidepressivum citalopram 10 mg, dat door de geriater was voorgeschreven, niet was gestopt.
d) Er staat niet in het verslag dat de geriater op 20 februari 2019 de diagnose van cliënt wilde “verslechteren”.

7.
Het ziekenhuis heeft in zijn brief aan cliënt van 25 juli 2019 een onjuist huisnummer en een onjuiste aanhef vermeld.

Cliënt verlangt een schadevergoeding van € 10.000,– voor de ellende die hij heeft moeten meemaken, de schade aan zijn vertrouwen in de hulpverlening, de emotionele schade, onrust en kosten van een psycholoog, medicijnen en telefoonkosten. Cliënt wenst dat een eventueel toe te kennen schadevergoeding wordt overgemaakt aan de stichting dementie.

Standpunt van het ziekenhuis
Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen het ziekenhuis tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De klachten 3 tot en met 7 gaan niet over het verlenen van zorg. Daarvan moet wel op grond van het bepaalde in de artikelen 14 lid 1 en 19 lid 1 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) sprake zijn. Genoemde klachten gaan over de behandeling van de klacht door cliënt en de echtgenote respectievelijk het handelen van de klachtenfunctionaris en de stafafdeling Financiën en Control. Indien cliënt daarover ontevreden is, dient hij zich te wenden tot de raad van bestuur van het ziekenhuis. Het ziekenhuis verzoekt de commissie om zich ten aanzien van deze klachten onbevoegd te verklaren dan wel cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in deze klachten.

Een van de vereisten voor het indienen van een klacht bij de commissie is dat (de raad van bestuur van) het ziekenhuis over het onderwerp van de klacht een oordeel heeft gegeven. Cliënt heeft zijn klachten niet voorgelegd aan (de raad van bestuur van) het ziekenhuis ondanks dat de klachtenfunctionaris cliënt hierop heeft gewezen. De klachten zijn alleen besproken met de behandelend geriater en de klachtenfunctionaris. Het ziekenhuis verzoekt de commissie dan ook cliënt in zijn klachten niet-ontvankelijk te verklaren.

Voor het geval de commissie de hiervoor vermelde verweren van het ziekenhuis niet honoreert, luidt het inhoudelijk verweer van het ziekenhuis als volgt.

1.
Op 20 februari 2019 heeft de geriater de door haar bij cliënt in maart 2018 gestelde diagnose Mild Cognitive Impairment (MCI) na zorgvuldige afweging gehandhaafd. De geriater heeft in haar brief aan de echtgenote van cliënt van 4 april 2019 geschreven dat zij “…als het nodig zou zijn de diagnose geheugenproblemen zou handhaven en mogelijk wat zou uitbreiden, zodat uw man niet het risico loopt dat hij niet meer naar de dagbesteding mag gaan” en “…waardoor het handhaven en evt. verzwaren van een diagnose met geheugenproblemen niet noodzakelijk is”. Als de opmerking van cliënt over fraude hierop betrekking heeft, dan merkt het ziekenhuis op dat het “handhaven” of “verzwaren” van een diagnose als ook de mogelijke “uitbreiding “ van een diagnose wel dient te voldoen aan de eisen die daarvoor op grond van de medisch-professionele standaard gelden. Het ziekenhuis betreurt het als de insteek van de geriater om zorg te dragen voor een zo goed mogelijke zorgverlening aan cliënt, ertoe geleid heeft dat bij hem en zijn echtgenote het idee van fraude heeft post gevat. Hier is geen sprake geweest van fraude of verslechtering. Het behoort tot de professionele autonomie van de geriater om deze diagnose te stellen en dat dient te gebeuren en is gebeurd volgens de eisen die de medische professionele standaard daaraan stelt. De klacht hierover is door het ziekenhuis adequaat opgepakt.

2.
Met de term “verschil in levensfase” heeft de geriater de feitelijke situatie beschreven, zoals zij die uit de mededelingen van cliënt en zijn echtgenote heeft gehoord. De geriater heeft geen moment bedoeld om te discrimineren. Zij heeft dit meermalen tegen cliënt gezegd en toegelicht hoe zij die term gebruikt.

3.
De klachtenfunctionaris heeft verklaard dat zij op 16 september 2019 aanwezig is geweest zowel bij het gesprek tussen de geriater en cliënt alleen als bij het gesprek tussen de geriater, cliënt en zijn echtgenote. Zij heeft tijdens beide gesprekken aantekeningen gemaakt en het verslag van beide gesprekken is door haar opgemaakt. Dit wordt bevestigd door de geriater.

4.
Tijdens het gesprek op 16 september 2019 vertelde de echtgenote van cliënt dat zij samen met cliënt in diens medisch dossier heeft gekeken. De geriater heeft cliënt en zijn echtgenote er op willen attenderen dat het eigenlijk niet is toegestaan dat partners de DiGid van hun echtgenoot gebruiken om in diens dossier te kijken. Het dossier is vertrouwelijk. Formeel gezien is daarvoor een machtiging vereist. De opmerking van de geriater is niet in het verslag van het gesprek van 16 september 2019 opgenomen, omdat die opmerking niets te maken had met de bespreking en de behandeling van de klacht.

5.
Het gesprek van de geriater en de klachtenfunctionaris met cliënt alleen is tot stand gekomen nadat cliënt en zijn echtgenote hierover waren geïnformeerd en daarvoor hun toestemming hadden gegeven en deze vóór aanvang van het gesprek hebben bevestigd.

6.
a) Het is mogelijk dat het inderdaad niet correct is dat er in het verslag staat dat er telefonisch contact is geweest met de huisarts over de medicatie. De klachtenfunctionaris kan zich niet meer precies herinneren wat daarover is gezegd. Afgesproken is dat de op- en aanmerkingen van cliënt over het gespreksverslag als bijlage bij het verslag gevoegd worden.
b) Waar het hier om gaat is dat bij de geriater op het moment van de afspraak van 15 augustus 2018 met cliënt en zijn echtgenote niet bekend was dat de dosering van de medicatie (citalopram) door de huisarts was verhoogd. Bij de geriater is een bericht van de huisarts dat deze de medicatie aangepast zou hebben niet doorgekomen.
c) De geriater heeft cliënt in 2018 citalopram 10 mg voorgeschreven. Op 15 augustus 2018 hoorde de geriater van cliënt voor het eerst dat de huisarts de dosering had verhoogd naar 20 mg. Over verhoging van doseringen informeren de huisartsen specialisten in het ziekenhuis niet. Cliënt is op een gegeven moment op eigen initiatief gestopt met de medicatie. Het is niet gebruikelijk om dit soort wijzigingen door de huisarts of het stoppen met de medicatie door de patiënt te verwerken in het medicatieoverzicht dat in het ziekenhuis wordt gehanteerd. Het medicatieoverzicht van het ziekenhuis geeft het beleid van de medisch specialist weer en niet dat van de huisarts.
d) De geriater vond het van belang dat cliënt naar de dagbesteding zou kunnen blijven gaan, omdat hij daarvan meer rust leek te hebben, wat weer een gunstig effect leek te hebben op zijn cognitieve functie. De geriater verwachtte een cognitieve terugval wanneer de dagbesteding zou stoppen. Dat is de reden dat de geriater met cliënt en zijn echtgenote heeft besproken om de gestelde diagnose te handhaven, waarmee zij het eens waren.

7.
De stafafdeling Financiën en Control van het ziekenhuis heeft bij brief van 25 juli 2019 gereageerd op een klacht van cliënt van 16 juli 2019. De adressering van die brief was gericht aan cliënt en met potlood was als huisnummer bijgeschreven 13, terwijl het huisnummer van cliënt 17 is. In de brief zelf staat als aanhef een andere naam vermeld dan die van cliënt. Dit had niet mogen gebeuren en het ziekenhuis excuseert zich hiervoor bij cliënt. De brief is wel op het goede adres aangekomen en de inhoud van de brief was ook bestemd voor cliënt.

De door cliënt gevorderde schadevergoeding is niet onderbouwd en er zijn ook geen bewijsstukken van geleden schade overgelegd. Het ziekenhuis is van mening dat een schadevergoeding niet aan de orde is. Bij een eventuele gegrondverklaring van de klacht(en) verzoekt het ziekenhuis om matiging van de schadevergoeding, omdat het gevraagde bedrag niet in verhouding staat tot wat er is gebeurd.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht het volgende overwogen.

De commissie dient eerst te oordelen over het onbevoegdheids- en niet-ontvankelijkheidsverweer van het ziekenhuis.

Het onbevoegdheidsverweer
In artikel 3, eerste lid, van het reglement van de commissie is aan de commissie de taak toebedeeld alle geschillen tussen een cliënt en een ziekenhuis te beslechten, voor zover deze betrekking hebben op de totstandkoming of de uitvoering van gesloten behandelingsovereenkomsten. Deze taakstelling beperkt de bevoegdheid van de commissie. De klachten onder 3 tot en met 7 hebben een te ver verwijderd verband met de totstandkoming en/of de uitvoering van de behandelingsovereenkomst tussen cliënt en het ziekenhuis.

Met het ziekenhuis is de commissie van oordeel dat deze dan ook niet vallen binnen het kader van de hiervoor genoemde taakstelling. De commissie is daarom niet bevoegd de op die klachten betrekking hebbende geschillen te beoordelen en te beslechten en zij zal zich dan ook ten aanzien daarvan onbevoegd verklaren.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer
Gelet op hetgeen de commissie hiervoor heeft overwogen kan dit verweer van het ziekenhuis alleen nog betrekking hebben op de klachten onder 1 en 2. Het ziekenhuis heeft in zijn verweerschrift – en dat was de eerste gelegenheid dat hij in deze procedure aan het woord was – gesteld dat cliënt zijn klachten niet eerst bij (de raad van bestuur van) het ziekenhuis heeft ingediend. Cliënt heeft deze stelling niet betwist, zodat in deze procedure van de juistheid van die stelling moet worden uitgegaan.

Het ziekenhuis heeft dit verweer kennelijk mede gebaseerd op artikel 6, eerste lid, van het reglement van de commissie dat bepaalt dat de commissie op verzoek van het ziekenhuis – gedaan bij eerste gelegenheid – cliënt niet ontvankelijk dient te verklaren indien hij zijn klacht niet eerst overeenkomstig de Wkkgz of de op de geneeskundige behandelingsovereenkomst van toepassing zijnde voorwaarden bij het ziekenhuis heeft ingediend. Daar komt nog bij dat het ziekenhuis onweersproken heeft gesteld dat cliënt, ondanks dat de klachtenfunctionaris hem hierop heeft gewezen, zijn klachten niet heeft voorgelegd aan (de raad van bestuur van) het ziekenhuis.

Nu cliënt geen omstandigheden heeft gesteld – en de commissie ook geen omstandigheden zijn gebleken – waaruit valt af te leiden dat cliënt redelijkerwijs geen verwijt treft van het feit dat hij zijn klachten niet eerst bij het ziekenhuis heeft ingediend, dient hij in de klachten 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Omdat cliënt niet-ontvankelijk is in de klachten 1 en 2 komt de commissie niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan en de door cliënt daaraan gekoppelde vordering tot schadevergoeding. Desondanks – maar slechts op voorhand en ten overvloede – merkt de commissie op dat als zij tot een inhoudelijk beoordeling van deze klachten zou zijn gekomen, er geen voldoende aanwijzingen zijn dat de geriater tegenover cliënt niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, die inhoudt dat zij de zorg moest betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Beslissing
De commissie:

– verklaart zich onbevoegd de geschillen onder 3 tot en met 7 te beslechten;

– verklaart cliënt niet-ontvankelijk in zijn klachten onder 1 en 2.

Aldus beslist op 9 oktober 2020 door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, mevrouw M.J.T. Kleijnen- van ’t Hullenaar, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.