Klachten over de diagnose, de behandeling van en de omgang met de cliënt worden ter zitting met een schikking opgelost

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Vrijgevestigde GGZ praktijken    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 110624

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [plaats]

en

[naam zorgverlener], gevestigd te Amsterdam
ten deze vertegenwoordigd door haar gemachtigde, [naam] (verder te noemen: de zorgverlener).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wege van bindend advies door de
Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ Praktijken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 2 augustus 2017 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.

De cliënt heeft haar standpunt ter zitting toegelicht.

De zorgverlener werd ter zitting vertegenwoordigd door [gemachtigde].

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van geschil betreft de door de zorgverlener gestelde diagnose, de tegenstrijdige behandeling door de zorgverlener en de manier waarop de zorgverlener met de cliënt is omgegaan.

Standpunt van cliënt

Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. De door cliënt overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van cliënt op het volgende neer.

1. Behandeling en diagnose
Cliënt stelt dat de zorgverlener een onjuiste diagnose heeft gesteld. Ondanks dat cliënt aangaf een gewelddadige relatie te hebben gehad en zich afvroeg of zij PTSS en wellicht Stockholm syndroom had, nam de zorgverlener dit niet serieus en hield zij vast aan de diagnose Borderline syndroom. De second opinion van een andere behandelaar werd door de zorgverlener niet gehonoreerd, terwijl de cliënt zich daarin veel beter kon vinden dan in de door de zorgverlener gestelde diagnose. De vraag van cliënt was hoe zij een gezonde relatie met haar ex-partner kon onderhouden met betrekking tot de omgang met hun kind. Pas na een incident waarbij het kind gevaar liep, heeft de zorgverlener relatietherapie voorgesteld. De aanmeldingsklacht die in het dossier wordt vermeld en in de e-mails van de zorgverlener is, een andere dan de werkelijke aanmeldingsklacht van cliënt, te weten een gewelddadige relatie met haar ex-partner en het onverwerkte verdriet van de miskramen en het isolement wat daaruit voortkwam. De zorgverlener omschreef de aanmeldingsklacht als ‘explosief gedrag’. Voorts is door de zorgverlener een tegenstrijdige behandeling gegeven en commentaar ten aanzien van de persoonlijke therapie en de kindtherapie. Daarnaast wordt in de praktijk van de zorgverlener een agressieve en dominante houding aangenomen. De behandeling door de zorgverlener op 2 februari 2017 heeft het vertrouwen van de cliënt en haar gevoel van veiligheid beschaamd. De zorgverlener heeft cliënt die dag agressief en onjuist bejegend naar aanleiding van een geschil over de premie zorgverzekering. Verder is drie keer de behandeling niet doorgegaan en is de cliënt drie keer voor niets op komen dagen, waarvoor onkosten zijn gemaakt. Tot slot is door de zorgverlener verkeerde informatie verschaft over de zorgverzekering en de behandelingsprocedure ten aanzien van de relatietherapie die de cliënt en haar ex-partner zouden ondergaan, alsmede is vertrouwelijke informatie via e-mail verstuurd die niet relevant was voor het geschil. Voor wat betreft dat laatste is in de mailwisseling geschreven over ‘de gewelddadige relatie tussen moeder en dochter’, terwijl dit nooit met cliënt is besproken of behandeld.

2. Dossier
Cliënt stelt dat het dossier onvolledig is en diverse kwalijke fouten bevat. Zo wordt in het testrapport vermeld dat cliënt een cokeverslaving heeft gehad, hetgeen niet juist is. Het betrof een wietverslaving. Voorts zijn er twee brieven verstuurd aan de huisarts zonder overleg met en toestemming van cliënt. Daarnaast geeft het dossier geen beeld van de werkelijke aanmeldingsklachten en de klachten die heersen. Tot slot krijgt cliënt geen inzage in haar dossier en dat van haar dochter.

Op 1 mei 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de cliënt en de zorgverlener, waarbij de klachtenfunctionaris aanwezig was. De klacht is volgens cliënt door de zorgverlener in onvoldoende mate opgelost.

In het bijzonder wijst de cliënt erop dat zij vanwege het tekortschieten door de zorgverlener schade heeft geleden. Omdat de cliënt een onjuiste behandeling heeft gehad die niet aansloot bij haar behoefte/problematiek, wenst zij financieel gecompenseerd te worden. Voorts wenst cliënt compensatie van de extra premie over 2017, de vergoeding van het klachtengeld en een maandelijkse vergoeding van de schade vanaf 2 februari 2017 tot het einde van dit proces.

Cliënt steekt tijd en energie in het proces in plaats van zich beter te voelen door therapie. Daarnaast verliest zij cruciale werktijd. Ook heeft de zorgverlener haar niet kunnen helpen met de crisissituatie tussen haar en haar ex-partner en haar dochter en heeft zij elders hulp moeten zoeken. De therapie sloot niet aan op de behoeftes van cliënt.

Daarnaast eist cliënt enkele rectificaties alsmede een juist en volledig dossier:
– Rectificatie omtrent de vermeende ‘gewelddadige moeder-dochter relatie’.
– Inzage in het dossier en een gesprek met de kinder- en jeugdtherapeut [naam].
– Opname van de eigen aanmeldingsklacht in het dossier.
– Rectificatie van de testrapporten omtrent de vermeende ‘cokeverslaving’.
– Een volledig dossier welke een juist beeld weergeeft, derhalve met de second opinion van [naam].
– Rectificatie bij de huisarts en een terugtrekking van de brieven.

Ter zitting heeft cliënt haar standpunt nader toegelicht.

Op de vraag van de voorzitter of cliënt nog mogelijkheden ziet om tot een schikking te komen,  heeft zij aangegeven  dat ze een schadevergoeding van minimaal € 1.000,– voor de door haar geleden schade passend vindt. Daarbij wenst zij een brief van de zorgverlener waarin wordt vermeld dat er geen sprake is (geweest) van een gewelddadige relatie tussen cliënt en haar dochter.

Standpunt van de zorginstelling

Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie allereerst naar de overgelegde stukken. Het standpunt van de zorgverlener luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.

De zorgverlener heeft cliënt op 2 februari 2017 niet onjuist bejegend. Zij heeft niet tegen cliënt geschreeuwd, noch heeft zij cliënt anderszins onjuist bejegend. Zij is wel, gelet op de geuite beschuldigingen van cliënt, duidelijk geweest in die zin dat het therapie uur werd beëindigd en dat cliënt zich tot het secretariaat moest wenden.
De zorgverlener stelt dat zij alleen tot vergoeding van geleden schade is gehouden als sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de geneeskundige behandelingsovereenkomst, dan wel sprake is van een onrechtmatige daad. Het bewijs ter zake het verwijtbaar handelen en het causaal verband dient, ook in een situatie als deze, conform de regels van het recht door cliënt geleverd te worden. Naar de opvatting van de zorgverlener is cliënt hierin niet geslaagd. Voor wat betreft de premie zorgverzekering over 2017 van € 660,36 is niet gesteld, laat staan aangetoond, waarom de zorgverlener tot vergoeding van dit bedrag is gehouden. Ook is niet duidelijk of het een vordering van cliënt zelf betreft. Niet valt immers uit te sluiten dat het in werkelijkheid gaat om de vordering van de (ex)vriend, die in deze procedure geen partij is. Cliënt zal inzage moeten geven wie de verzekering heeft afgesloten en tot betaling gehouden is. Ook is het bedrag niet nader onderbouwd met stukken. Het bedrag is niet te verifiëren en wordt bij gebrek aan wetenschap betwist. Daarbij komt dat cliënt te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de financiering van de therapie en voor het afsluiten van een passende zorgverzekering. Daar heeft de zorgverlener cliënt ook nadrukkelijk op gewezen. Indien en voor zover de zorgverlener al tot vergoeding van enig bedrag zou zijn gehouden, dan dienen de voordelen van deze duurdere zorgverzekering bovendien in de schadebegroting te worden verdisconteerd. De zorgverlener beroept zich in dezen op artikel 6:100 van het Burgerlijk Wetboek. Het is aannemelijk dat deze duurdere zorgverzekering er voor heeft gezorgd dat cliënt ook andere medische kosten vergoed krijgt c.q. kreeg, die niet zouden zijn vergoed als cliënt een andere (goedkopere) verzekering zou hebben afgesloten. Of cliënt dan ook schade heeft geleden, kan pas zorgvuldig worden beoordeeld op het moment dat alle gemaakte en vergoede kosten over geheel 2017 bekend zijn, waarna de werkelijke situatie kan worden vergeleken met de hypothetische situatie. Daarnaast is het ook mogelijk dat cliënt onder behandeling staat dan wel gaat bij een andere psycholoog/psychotherapeut, die eveneens niet gecontracteerd is door haar zorgverzekeraar. Ook dan geniet zij voordeel van haar huidige verzekering, en dit voordeel dient in de begroting van de schade te worden verdisconteerd.
Voor wat betreft het smartengeld en verlies aan verdienvermogen rust op de zorgverlener geen resultaatsverbintenis. Bovendien staat het gestelde van cliënt ook haaks op hetgeen partijen op 1 mei 2017 hebben besproken,  waarvan de zorgverlener een kort verslag heeft gemaakt: “omdat zowel haar dochter als cliënt geprofiteerd hebben van de therapie die beiden hebben genoten. Ik heb erop gewezen dat de afgenomen testen een verbetering hebben laten zien. [Cliënt] kon dat niet ontkennen."
Nu cliënt geenszins heeft onderbouwd en aangetoond dat de zorgverlener tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, komt haar vermeende schade niet voor vergoeding in aanmerking. De zorgverlener concludeert dan ook dat zij niet tot vergoeding van enig bedrag is verschuldigd. Alle vorderingen van cliënt dienen integraal te worden afgewezen.

Schikking

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen alsnog overeenstemming bereikt over de wijze waarop het geschil opgelost zal worden. Dit betekent dat de commissie niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Volstaan wordt met het hierna vastleggen van de tussen partijen tot stand gekomen schikking.

– De zorgverlener stuurt een brief naar cliënt waarin zal worden vermeld dat er geen sprake is (geweest) van een gewelddadige relatie tussen cliënt en haar dochter. Met deze brief wordt teruggekomen op de woorden die de zorgverlener in haar e-mailbericht van 27 maart 2017 heeft vermeld: “…dat de gewelddadige relatie tussen moeder en dochter…”.
– De zorgverlener zal aan de cliënt een vergoeding betalen van € 1.000,– ter finale beslechting van het geschil.

De zorgverlener dient het door de cliënt betaalde klachtengeld aan haar te voldoen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De zorgverlener dient aan de cliënt een vergoeding te betalen van € 1.000,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies;

De zorgverlener  dient een bedrag van € 52,50 te vergoeden aan de cliënt ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist op 2 augustus 2017 door de Geschillencommissie Vrijgevestigde GGZ Praktijken.