Kwaliteit zorg zorgaanbieder was onvoldoende

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 91543/134108

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De vader van de klaagster was opgenomen bij de zorgaanbieder om aan te sterken voor een operatie. Vanaf het begin heeft de klaagster aangegeven dat er fouten werden gemaakt, maar hier werd niks mee gedaan. Haar vader kwam in een paar dagen 5 kilo aan en werd benauwd. De klaagster heeft om een arts gevraagd toen haar vader moeite kreeg met ademhalen, maar pas toen hij niet meer aanspreekbaar was werd hij met een ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis. Hier is hij na twee dagen overleden. De zorgaanbieder stelt dat de vader een kwetsbare gezondheid met een groot risico op overlijden had toen hij werd opgenomen. Het uitgevoerde beleid is regelmatig met de klaagster besproken en meerdere keren geëvalueerd en aangepast. Kort voor zijn overlijden is de vader in het ziekenhuis geweest voor controle, maar hier kwam niks uit. Sinds het overlijden heeft de zorgaanbieder meerdere pogingen gedaan om tot een oplossing te komen met de klaagster, maar dit is niet gelukt. De commissie oordeelt dat de communicatie met de klaagster beter had gemoeten. Ook is niet duidelijk waarom de vader niet eerder naar het ziekenhuis is gestuurd. De klacht is gegrond.

Volledige uitspraak

in het geschil tussen

[naam klaagster], wonende te [woonplaats]

en

Zorggroep Noordwest-Veluwe, gevestigd te Harderwijk
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 10 maart 2022 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen. Partijen hebben digitaal deelgenomen aan de zitting. De zorgaanbieder werd vertegenwoordigd door [namen].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van zorgverlening door de zorgaanbieder aan de vader van de klaagster.

Standpunt van de klaagster
Voor het standpunt van de klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De vader van klaagster is in februari 2019 opgenomen bij de zorgaanbieder om aan te sterken voor een volgende operatie. Klaagster heeft al vanaf het begin aangegeven dat er fouten werden gemaakt. Zij kreeg geen terugkoppeling. Haar vader ging steeds meer achteruit terwijl hij moest aansterken. In vijf dagen kwam hij vijf kilo aan. Dit was gemeten, maar er werd geen actie ondernomen. Hij kreeg het benauwd en had vocht achter de longen. Klaagster hoorde dat hij raasde met ademhalen en wilde er een arts bij. Klaagster snapt niet dat het personeel zo met mensen om kon gaan. Toen hij niet meer aanspreekbaar was is haar vader op aandringen van klaagster met de ambulance afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij twee dagen later op 18 februari 2019 is overleden. Klaagster wijt dit aan fouten van de zorgaanbieder. Klaagster heeft met diverse mensen gesproken en een aantal gaf hun fouten toe.

Klaagster eist een schadevergoeding, voor wat allemaal fout is gegaan en omdat zij haar vader kwijt is.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De vader van klaagster is op 6 februari 2019 opgenomen bij de zorgaanbieder na een verblijf in het ziekenhuis. Het verblijf bij de zorgaanbieder was bedoeld ter overbrugging om na een operatie aan te sterken voordat de vader een benodigde vervolgoperatie aan zou kunnen. Geconstateerd werd dat er sprake was van een kwetsbare man met hoog risico op overlijden. Het door het ziekenhuis gevoerde niet reanimeren beleid is overgenomen. Tussen 6 februari en 14 februari 2019 hebben artsen en zorgmedewerkers het vastgestelde beleid uitgevoerd en regelmatig mondeling toegelicht aan klaagster.
Op basis van de actuele situatie is het beleid tussentijds aangepast en dagelijks geëvalueerd door arts en verpleegkundige. De fysiotherapeut was betrokken. De arts heeft meerdere malen lichamelijk onderzoek uitgevoerd. Op 14 februari 2019 is de vader van klaagster samen met klaagster voor controle naar het ziekenhuis geweest i.v.m. nacontrole van een eerdere operatie, alwaar geen bijzonderheden werden geconstateerd. Er zijn geen aanvullende adviezen gegeven. Op 15 februari 2019 trad er een knik op in het verhaal van de vader. Hij blijkt ernstig ziek met slechte controles. Klaagster is geïnformeerd en is langsgekomen. De aanwezige arts heeft na overleg met een collega-arts van de SEH de vader naar het ziekenhuis laten brengen. Volgens rapportage voor wederom de behandeling van een infectie.
Op 18 februari 2019 is vader overleden in het ziekenhuis.

Sinds het overlijden van de vader van klaagster is de zorgaanbieder met haar in gesprek over haar klacht ten aanzien van de zorgverlening aan haar vader. De betrokken artsen hebben klaagster toegelicht welk beleid de artsen bij welk ziektebeeld inzetten en concreet bij haar vader hebben ingezet. Op 2 december 2019 zijn de toenmalig regiomanager en de toenmalige locatiemanager van de zorglocatie waar de vader verbleef, op bezoek geweest bij klaagster. Op 14 februari 2020 hebben de betrokken specialist ouderengeneeskunde en de toenmalige eerste geneeskundige het medische beleid zoals toegepast bij de vader van klaagster toegelicht in een persoonlijk gesprek met klaagster. Op 27 juli 2020 heeft een andere betrokken specialist ouderengeneeskunde een persoonlijk vervolggesprek gevoerd met klaagster. Zij heeft ook een toelichting op het uitgevoerde beleid gegeven en klaagster gewezen op de mogelijkheid een klacht in te dienen bij de interne klachtenfunctionaris. Op 8 oktober 2020 heeft klaagster haar klacht ingediend bij de interne klachtenfunctionaris. De klachtenfunctionaris heeft naar aanleiding van de klacht een persoonlijk gesprek tussen klaagster, de toenmalig manager van het Advies- en Behandel Centrum en een lid van de Raad van Bestuur georganiseerd op 11 november 2020. Op 30 november 2020 is een brief gestuurd aan klaagster waar nogmaals excuses worden aangeboden voor communicatie rondom de klachten.
Op 18 december 2020 heeft klaagster een verzoek ingediend om een persoonlijke toelichting te ontvangen op haar klacht van de toenmalig regiomanager van het Specialistisch Centrum Ouderenzorg. Deze heeft schriftelijk gereageerd op 18 januari 2021, waarna de klachtenfunctionaris meerdere malen heeft bemiddeld in het contact. De klachtenfunctionaris heeft klaagster tot slot ondersteund bij het indienen van een klacht bij de commissie.

Uit het voorgaande en uit de gespreksverslagen en de door klaagster zelf aan het dossier toegevoegde
e-mails, volgt dat de zorgaanbieder zorgvuldig heeft gehandeld in de zorgverlening aan de vader van klaagster. De zorgaanbieder heeft haar uiterste best gedaan om naar klaagster te luisteren.
De zorgaanbieder heeft zorgvuldig gehandeld met steeds de wens en de beste zorg voor de vader van klaagster voor ogen ten tijde van zijn verblijf bij de zorgaanbieder. Met de wetenschap van achteraf had de zorgaanbieder in de communicatie met klaagster tijdens het ziekteproces en de klachtenbehandeling zorgvuldiger kunnen handelen. Daarvoor hebben de betrokken personen van de zorgaanbieder meerdere malen hun welgemeende excuses aangeboden. De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht ongegrond te verklaren. Dat betekent ook dat er geen grond bestaat voor toekenning van enige vorm van schadevergoeding. Klaagster heeft haar verzoek om schadevergoeding overigens niet onderbouwd.
Ook hierom dient dat verzoek te worden afgewezen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het Burgerlijk Wetboek). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

Klaagster houdt de zorgaanbieder aansprakelijk voor de snelle verslechtering van de toestand van haar vader gedurende diens verblijf bij de zorgaanbieder en zijn overlijden korte tijd daarna in het ziekenhuis.
Zij is van mening dat dit had kunnen worden voorkomen indien de juiste zorg aan haar vader was verleend. De door de klaagster ingediende klacht betreft de onvoldoende kwaliteit van de door de zorgaanbieder geleverde zorg aan haar vader. De commissie is van oordeel dat, op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, de kwaliteit van verleende zorg aan de vader van klaagster niet heeft voldaan aan de professionele standaard die daarvoor geldt. Aldus is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder in de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de zorgovereenkomst tekortgeschoten is. De commissie acht de klacht gegrond en merkt ter toelichting daarop het volgende op.

In het verweerschrift en ook ter zitting benadrukt de zorgaanbieder dat de communicatie naar klaagster over haar klachten te wensen overliet. Hiervoor zijn ook excuses aangeboden. De zorgaanbieder wekt de indruk alsof daarmee voldoende aan de klacht tegemoetgekomen is. De commissie merkt op dat aan een inhoudelijk oordeel over de klachten, namelijk het onvoldoende leveren van de juiste zorg aan haar vader, door de zorgverlener niet of nauwelijks wordt toegekomen. Over de gang van zaken in de betreffende periode (februari 2019) kan niet duidelijk worden aangegeven welke handelingen precies zijn verricht door de artsen/verpleegkundigen, omdat de toen betrokken personeelsleden niet langer werkzaam zijn bij de zorgaanbieder. Het mag van een zorgaanbieder verwacht worden dat sprake is van een juiste verslaglegging en dossiervorming zodat ook bij wisseling van personeel nog duidelijk is welke stappen zijn gezet en welke handelingen wel of niet zijn verricht. Voor de commissie staat vast, gelet op hetgeen door klaagster is gesteld en niet door de zorgverlener onderbouwd wordt weerlegd, dat de zorg en het toezicht op de vader van klaagster onvoldoende is geweest. Ten aanzien van het gevoerde niet reanimeren beleid kan evenmin door de zorgaanbieder duidelijk worden gemaakt dat dit met de vader van klaagster en diens familie is besproken. De zorgaanbieder heeft hierover aangevoerd dat dit beleid overgenomen werd vanuit het ziekenhuis en met de vader door de zorgaanbieder is besproken. In het medisch dossier van vader wordt echter door de commissie geen bevestiging van dit laatste gevonden. Klaagster ontkent ook dat dit de wens van haar vader was. Er is niet vast komen te staan dat dit daadwerkelijk met de vader, en zeker niet met de familie, is besproken.

Evenmin heeft de zorgaanbieder afdoende antwoord kunnen geven op de vraag waarom de vader niet eerder is ingestuurd naar het ziekenhuis. Dit is gebeurd nadat klaagster hier met klem om heeft verzocht en heeft aangegeven anders zelf de ambulance te bellen. De stelling van de zorgaanbieder dat de vader van klaagster een kwetsbare man met hoog risico op overlijden betrof, staat in contrast met het gegeven dat de vader tijdelijk bij de zorgaanbieder zou verblijven om aan te sterken voor een operatie die gepland stond voor 2 maart 2019. Als de vader zo’n kwetsbare conditie had als door de zorgverlener stelt, lijkt een operatie op zo’n korte termijn niet voor de hand te liggen.

De commissie is van oordeel dat indien signalen eerder waren opgepakt, zoals de sterke toename van het gewicht in een zeer korte tijd, een en ander wellicht anders was verlopen. Of daarmee het overlijden van de vader van de klaagster had kunnen worden voorkomen, kan door de commissie niet worden vastgesteld. Wel kan worden gesteld dat bij een juiste en adequate verzorging door de zorgaanbieder de laatste levensfase van de vader van klaagster en het afscheid nemen van haar vader voor klaagster wellicht heel anders zou zijn verlopen en haar beter had geholpen in haar rouwverwerking.
Klaagster heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend terzake de kosten voor de crematie.
Hoewel de commissie de klacht van klaagster gegrond acht, is het overlijden van haar vader niet een direct gevolg van het handelen van de zorgaanbieder, althans kan dit door de commissie niet worden vastgesteld.
Alleen schade die in zodanig verband staat met de tekortkoming dat de schade als gevolg daarvan kan worden toegerekend, komt voor vergoeding in aanmerking. Nu een causaal verband onbreekt tussen de gestelde schade en het handelen/nalaten van de zorgaanbieder, dient deze vordering dan ook te worden afgewezen.

Nu de klacht van de klaagster gegrond wordt verklaard, zal de commissie – overeenkomstig het reglement van de commissie – de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld van € 52,50 dat klaagster aan de commissie heeft voldaan voor de behandeling van dit geschil.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie aan klaagster het door de klaagster betaalde het klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden;
– bepaalt dat betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit advies;
– wijst de vordering tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg, bestaande uit
de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. M.B. van Leusden-Donker, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris, op 10 maart 2022.