Leefgeld Volledig Pakket Thuis (VKT) moet voldoen aan richtlijnen NIBUD

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg AlgemeenZorg Algemeen    Categorie: Overig    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 147884/173339

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt woont bij de zorgaanbieder. Hij heeft recht op maaltijden en tussendoortjes. De cliënt stelt dat de zorgaanbieder niet (voldoende) voldoet aan de verplichting om tussendoortjes te verzorgen. Daarnaast krijgt hij te weinig leefgeld per maand. De cliënt vraagt schadevergoeding. De zorgaanbieder beroept zich op niet-ontvankelijkheid. De zorgaanbieder geeft aan dat het leefgeld lager is dan de richtlijnen van het NIBUD, omdat cliënt extra’s en tussendoortjes krijgt. De zorgaanbieder biedt de keuze tussen maaltijden en tussendoortjes of leefgeld, waarvan die maaltijden dan moeten worden betaald. Volgens de commissie is de cliënt ontvankelijk in zijn klacht. De commissie oordeelt dat maaltijden onderdeel uitmaken van het pakket van cliënt. Het leefgeld dat wordt aangeboden als alternatief, is niet voldoende om gezonde maaltijden te kunnen kopen. De cliënt krijgt geen schadevergoeding, maar het klachtengeld wordt wel vergoed. De klacht is gegrond.

Uitspraak

in het geschil tussen

[Naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de cliënt)
gemachtigde: [naam], (cliëntondersteuner bij Thuis in Cliëntondersteuning)

en

B-point klepel B.V., gevestigd te Emmen
(hierna te noemen: de zorgaanbieder),
gemachtigde: [naam], (advocaat).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2022 te Utrecht.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen zijn digitaal, via een Zoomverbinding, ter zitting verschenen en hebben hun standpunt toegelicht. De cliënt werd bijgestaan door zijn moeder en door zijn gemachtigde. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen[naam], (begeleider), bijgestaan door de gemachtigde.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de hoogte van het leefgeld dat de zorgaanbieder aan de cliënt verstrekt.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt woont bij de zorgaanbieder via een Volledig Pakket Thuis (VPT), dat wordt gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz). Daarbij hoort de verplichting van de zorgaanbieder om eten en drinken te verstrekken; niet alleen de hoofdmaaltijden, maar ook regelmatig een tussendoortje. De cliënt is van mening dat de zorgaanbieder onvoldoende voldoet aan deze verplichting.

De cliënt ontvangt van de zorgaanbieder leefgeld van € 120,– per maand. Van dit bedrag moet hij al zijn eten en tussendoortjes betalen. De zorgaanbieder verstrekt slechts incidenteel een kopje koffie of een koekje.
De cliënt is er – na het aanhangig maken van het onderhavige geschil – bij toeval achter gekomen dat er appels voor hem in de koelkast lagen; hij wil echter zelfstandig de keuze maken welk soort fruit hij wil eten.
Als de cliënt mee wil eten bij de zorgaanbieder, betaalt hij € 2,50 per warme maaltijd. Als de cliënt dagelijks mee zou eten, zou hij dus al € 75,– per maand kwijt zijn en nog maar € 45,– per maand overhouden voor de broodmaaltijden en de tussendoortjes.
De client is een man van 29 jaar en volgens de richtlijnen van het Nibud is het leefgeld, gelet op de leeftijd van de cliënt, ruim onvoldoende; dit zou volgens het Nibud tot 1 april 2022 € 224,– per maand moeten zijn en vanaf 1 april 2022 € 228,–.

De cliënt verzoekt de commissie hem een schadevergoeding toe te kennen voor het door hem te weinig ontvangen leefgeld. Berekend tot 1 april 2022 bedraagt dit € 1.352,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder is primair van mening dat de cliënt niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de klacht, omdat deze een puur financiële kwestie betreft; de cliënt heeft geen klacht over de kwaliteit van de zorg.

Subsidiair voert de zorgaanbieder aan als volgt.

De zorgaanbieder verstrekt zijn cliënten in beginsel zorg in natura. De verstrekking van maaltijden is daarvan een onderdeel. De zorgaanbieder biedt cliënten de mogelijkheid om vrijwillig te kiezen voor leefgeld. Er bestaat geen recht op compensatie als cliënten van onderdelen van de zorg in natura geen gebruik maken.
De cliënt heeft gekozen voor leefgeld. De zorgaanbieder betaalt hem een bedrag van € 30,– per week voor eten en drinken; dit is lager dan het bedrag volgens de richtlijnen van het NIBUD. Het bedrag van € 30,– per week is namelijk exclusief de extra’s en de tussendoortjes, De zorgaanbieder verzorgt voor de cliënt(en) ook altijd een kopje koffie, iets erbij en een stukje fruit. Daarnaast organiseert de zorgaanbieder kosteloos koffieavonden en verschillende activiteiten waarbij ook hapjes worden aangeboden. Fruit heeft de zorgaanbieder ook voor de cliënt liggen, maar dit komt hij niet ophalen. De cliënt kan bovendien voor zijn lichamelijke gezondheid gebruik maken van andere faciliteiten, zoals een kosteloze sportpas voor Basic-Fit. Ook hiervan maakt hij geen gebruik.

De zorgaanbieder vindt dat hij deels in vergoeding, deels in faciliteiten voldoet aan de richtlijnen van het Nibud. Daarbij zal de zorgaanbieder er altijd voor zorgen dat zijn cliënten het aan niks ontbreekt. Indien nodig, zal de zorgaanbieder met een maatwerkoplossing komen, bijvoorbeeld door extra voeding aan te bieden.
Sinds de cliënt leefgeld krijgt, vraagt de zorgaanbieder een bijdrage voor het mee-eten. Doordat de cliënt nu leefgeld krijgt, heeft hij meer vrijheden om (al dan niet) zelf zijn maaltijden te verzorgen.

De zorgaanbieder is van mening dat de cliënt altijd ruim heeft gekregen wat hij nodig heeft hij en waar hij recht op heeft. Volgens hem heeft de cliënt geen recht op schadevergoeding, omdat geen sprake is van een tekortkoming van de zorgaanbieder in de nakoming van de met de cliënt gesloten overeenkomst. Er bestaat geen recht op compensatie, omdat het de eigen keuze van de cliënt is om in plaats van zorg in natura leefgeld te ontvangen. Bovendien heeft de cliënt de verzochte schadevergoeding onvoldoende onderbouwd; hij heeft niet aangetoond dat sprake is van het daadwerkelijk bekostigen van iets dat hij – mede gelet op zijn overige inkomsten – niet zou kunnen betalen.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

Gelet op het primaire verweer van de zorgaanbieder dient de commissie – alvorens zij toe kan komen aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil – eerst het beroep van de zorgaanbieder op niet-ontvankelijkheid te toetsen, aan de hand van de bepalingen van het toepasselijke reglement.
Artikel 5 lid 1 sub a van het reglement luidt – voor zover van belang – als volgt:
”De commissie verklaart de cliënt in zijn geschil ambtshalve niet ontvankelijk:
a. indien het een geschil betreft over de niet-betaling van een factuur en daaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt.”
De zorgaanbieder stelt dat uit de door de cliënt verzochte (schade)vergoeding blijkt dat het geschil een puur financiële kwestie betreft waaraan geen inhoudelijke klacht ten grondslag ligt; als de cliënt een factuur van de zorgaanbieder zou hebben ontvangen, zou hij deze waarschijnlijk niet hebben betaald.
De commissie kan de zorgaanbieder niet volgen in deze redenering. Zoals ter zitting reeds aangegeven, leest de commissie de klacht aldus dat het (leef)geld dat de zorgaanbieder aan de cliënt verstrekt, onvoldoende is om goede en gezonde maaltijden te kopen waardoor de klacht naar het oordeel van de commissie wel degelijk de kwaliteit van de zorg betreft.
De commissie zal de cliënt dan ook ontvankelijk verklaren in zijn klacht. Dit betekent dat de commissie deze inhoudelijk zal behandelen.

De commissie stelt voorop dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende is komen vast te staan dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de zorgovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten.
De zorgovereenkomst die tussen de client en de zorgaanbieder is gesloten, betreft een VPT. Het VPT is in beginsel een voorziening die in natura wordt gegeven. Daarvan maakt de verstrekking van maaltijden onderdeel uit.
Vaststaat dat de zorgaanbieder zijn cliënten aanbiedt om in plaats van de maaltijden in natura een vergoeding te verstrekken. Zoals de commissie in de – door de zorgaanbieder overgelegde – eerdere uitspraak heeft overwogen, is een zorgaanbieder hiertoe niet verplicht. Echter, als een zorgaanbieder cliënten wel deze keuze biedt, dan moet de vergoeding naar het oordeel van de commissie genoeg zijn om daarvan goede en gezonde maaltijden te kunnen kopen.

De cliënt stelt – zoals hiervoor vermeld – dat het leefgeld niet voldoende is. Hij verwijst hiervoor naar de gegevens met betrekking tot het budget voor levensonderhoud die het Nibud verstrekt.
De commissie acht deze wijze van beoordelen van de hoogte van het toe te kennen leefgeld niet onredelijk. Het Nibud is immers een onafhankelijk instituut dat onder meer adviseert over financiële situaties van verschillende huishoudens en referentiecijfers vaststelt.
De cliënt heeft onweersproken gesteld dat het leefgeld, gelet op zijn leeftijd, volgens de richtlijnen van het Nibud inmiddels € 249– per maand zou moeten zijn.
Gelet hierop is de commissie – met de cliënt – van oordeel dat het bedrag van € 120,– per maand te laag is. Daaraan doet niet af dat de zorgaanbieder zijn cliënten ook op andere wijze, bijvoorbeeld door de verstrekking van een sportpas, faciliteert; deze faciliteiten staan los van het leefgeld.
De commissie komt dan ook tot de conclusie dat de kwaliteit van de zorg door zorgaanbieder onvoldoende is en dat daarom sprake van een (toerekenbare) tekortkoming in het nakomen van de zorgovereenkomst.
De klacht is derhalve gegrond.

Aan de orde is dan de door de cliënt verzochte (schade)vergoeding. Naar het oordeel van de commissie stelt de zorgaanbieder terecht dat de cliënt geen bewijs heeft geleverd dat hij daadwerkelijk kosten heeft moeten maken voor het kopen van (goede en gezonde) voeding. De algemene verwijzing naar de richtlijnen van het Nibud acht de commissie hiervoor onvoldoende. De cliënt heeft de door hem beweerdelijk geleden schade niet nader geconcretiseerd en onderbouwd. De door hem verzochte (schade)vergoeding zal daarom worden afgewezen.

Nu de klacht gegrond wordt verklaard, zal de commissie – overeenkomstig het reglement van de commissie – wel de zorgaanbieder veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld van € 52,50 dat de cliënt aan de commissie heeft voldaan voor de behandeling van dit geschil.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

verklaart de cliënt ontvankelijk in de klacht;

verklaart de klacht gegrond;

bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie aan de cliënt het door hem betaalde het klachtengeld, zijnde een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden;

bepaalt dat betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit advies;

wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers en de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. drs. I.M. van Trier, secretaris, op 26 augustus 2022.