Niet gebleken dat geen sprake was informed consent bij toedienen medicatie na herseninfarct

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Informatieverstrekking    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 32583/52281

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt erover dat hij bloedverdunners na een herseninfarct heeft gekregen waar hij het niet mee eens was. Hij heeft geen toestemming gegeven, omdat hij van bloedverdunners gaatjes in zijn darm krijgt. Er was volgens hem geen sprake van informed consent. De zorgaanbieder stelt dat het na een herseninfarct belangrijk is om bloedverdunners of antistollingsmiddelen toe te dienen om het risico op een nieuw herseninfarct zo klein mogelijk te houden. De cliënt is geïnformeerd over het belang van de medicatie en de mogelijke bijwerking ervan. Ook kreeg hij ter preventie van bijwerkingen maagbeschermers voorgeschreven. Volgens de zorgaanbieder is wel sprake van informed consent. De commissie stelt dat uit de informatie van de zorgaanbieder niet blijkt dat de cliënte geen toestemming voor het gebruik van de medicatie heeft gegeven. Daarnaast heeft de cliënte aangegeven op de deskundigheid van de arts te vertrouwen en om die reden de medicatie te hebben genomen. De commissie oordeelt dan ook dat uit het dossier niet blijkt dat geen sprake was van informed consent. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Noordwest Ziekenhuisgroep, gevestigd te Alkmaar (hierna te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Alhoewel daartoe wel in de mogelijkheid gesteld, hebben geen van partijen aangegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 18 februari 2021 geïnformeerd dat de zitting op 4 maart 2021 zonder partijen plaatsvindt en dat de commissie binnen een maand na 4 maart 2021 schriftelijk zal beslissen over het geschil.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft het toedienen van medicatie.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt is van 3 maart 2016 tot 9 maart 2016 vanwege een beroerte/herseninfarct onder behandeling geweest van de zorgaanbieder. Hij kreeg bloed verdunnende medicatie voorgeschreven (Clopidogrel), ondanks dat hij aan de zorgaanbieder nadrukkelijk had medegedeeld dat hij geen toestemming gaf voor bloedverdunners omdat hij daar gaatjes in zijn darmen van kreeg. Vertrouwende op de kundigheid van de arts die hem had meegedeeld dat er een nieuw soort bloedverdunner op de markt was waarbij deze bijwerking niet zou kunnen optreden, heeft hij deze medicatie genomen. Na zijn opname kreeg de cliënt een longontsteking en moest hij met spoed worden opgenomen. De Hb-waarde in zijn bloed was gedaald en hij kreeg vier zakken bloed toegediend. Toen hij de behandelend arts vroeg waarom hij de bloed verdunnende medicatie had gekregen, zou deze hem hebben verteld dat hij toch iets moest toedienen. Daarna werd het middel Ascal, dat de cliënt bij een eerder herseninfarct kreeg, aan hem voorgeschreven. De cliënt beklaagt zich over het willens en wetens toedienen van het medicijn Clopidogrel waarvan bekend was dat het bij hem een dodelijke afloop had kunnen hebben.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Aan elke patiënt die een herseninfarct heeft gekregen, wordt een bloedverdunner of antistollingsmiddel en doorgaans ook een cholesterolverlager voorgeschreven om de kans op een nieuw herseninfarct/TIA te verkleinen. Toen de cliënt van 3 maart 2016 tot 9 maart 2016 onder behandeling was van de zorgaanbieder, was bekend dat hij terughoudend was om antistolling te gebruiken in verband met kans op bloeding in het maag darm kanaal. Omdat antistolling echt noodzakelijk was, is de cliënt sterk geadviseerd om antistolling te gebruiken, in combinatie met een maagbeschermingsmiddel. Aan de cliënt is Clopidogrel onder maagbescherming van Pantoprazol voorgeschreven. Tijdens de opname heeft Clopidogrel niet ter discussie gestaan. Op 20 juni 2016 werden er bij een nacontrole geen bijwerkingen gezien. In het dossier werd toen genoteerd dat de cliënt weet waar de medicatie voor is, dat hij in het verleden al eens gestopt is en dat hem op het hart is gedrukt dit niet weer te doen. Verder is genoteerd dat cliënt geen last heeft van de medicatie en dat hij het daarom geen bezwaar vindt om deze in te nemen. Op 6 februari 2017 deelde de cliënt telefonisch aan de CVA verpleegkundige mee dat hij was gestopt met het innemen van Clopidogrel, omdat hij klachten aan zijn darmen ervoer. Voorgesteld werd het middel Ascal voor te schrijven, ook al had dit niet de eerste voorkeur.

Het komt voor dat patiënten die bloedverdunners voorgeschreven krijgen, bijwerkingen ervaren zoals een bloeding in het maag-darm-leverkanaal of anemie (bloedarmoede). Deze bijwerkingen vormen geen absolute contra-indicatie voor het voorschrijven van de bloedverdunners. Daar zijn de bloedverdunners nu eenmaal te belangrijk voor en de maag-darm-lever bijwerkingen zijn in de regel onder controle te krijgen. De zorgaanbieder stelt dat uit het dossier blijkt dat de cliënt in 2016 en 2017 is gewezen op het belang van de medicatie en dat eventuele bijwerkingen van antistolling met hem zijn besproken.
De zorgaanbieder is van mening dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De cliënt klaagt erover dat hij medicatie heeft gekregen waar hij het niet mee eens was. Er was dus volgens hem geen sprake van het zogenoemde ‘informed consent’.

Informed consent houdt in dat een patiënt toestemming geeft voor het uitvoeren van een medische behandeling, nadat hij daarover door de arts goed is voorgelicht. De arts informeert de patiënt op een begrijpelijke en zo volledig mogelijke wijze over de voorgestelde behandeling, inclusief de nazorg. Duidelijk moet zijn wat de aard en het doel van de behandeling zijn, wat de diagnose en prognose zijn voor de patiënt, welke risico’s aan de behandeling verbonden zijn en welke alternatieven mogelijk zijn. De arts mag de behandeling pas starten als de patiënt toestemming heeft gegeven. Deze toestemming kan ook impliciet of stilzwijgend plaatsvinden. Bij een minder ingrijpende verrichting zal dit eerder zo zijn dan bij een ingrijpende of riskante behandeling.

Nadat een patiënt een herseninfarct heeft doorgemaakt, zijn bloedverdunners of antistollingsmiddelen belangrijk om het risico op een nieuw herseninfarct zo klein mogelijk te houden. De zorgaanbieder stelt in het dossier van de cliënt te hebben genoteerd dat de cliënt is geïnformeerd over het belang van de medicatie en de mogelijke bijwerkingen ervan. Volgens de behandelend arts was het middel Clopidogrel het meest aangewezen en heeft het voorschrijven ervan niet ter discussie gestaan. Dat er bijwerkingen konden optreden aan het maag-darm-leverkanaal was bekend, maar dat vormde geen contra-indicatie om het middel voor te schrijven. Ter preventie van bijwerkingen kreeg de cliënt het maagbeschermingsmiddel Pantoprazol voorgeschreven. Toen de cliënt darmklachten kreeg en hiervan melding maakte, werd hem een ander antistollingsmiddel voorgeschreven.

De cliënt stelt geen toestemming te hebben gegeven voor het middel Clopidogrel, maar dat blijkt niet uit de informatie van de zorgaanbieder. Bovendien zegt de cliënt, zo blijkt uit de klachtomschrijving, dat hij vertrouwde op de deskundigheid van de arts en om die reden het middel te hebben genomen. Niet is gebleken dat hij in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet in staat was om te beslissen over zijn medicatie. De commissie is dan ook van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat geen sprake was van informed consent. De klacht is ongegrond.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mevrouw mr. S.W.M. Speekenbrink, voorzitter, de heer dr. J.D.M. Metzemaekers, de heer mr. M.H.J.N. van Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. N. Graumans, secretaris, op 4 maart 2021.