Niet‑ontvankelijkverklaring wegens ontbreken van een behandelrelatie

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Complementaire en Alternatieve Gezondheidszorg    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 1228668/1313166

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De commissie verklaart klaagster niet‑ontvankelijk, omdat zij géén cliënt was van de therapeut. De behandelingsovereenkomst bestond alleen tussen de therapeut en haar dochter, die de hulp had aangevraagd. Dat klaagster bij gesprekken aanwezig was en soms meebetaalde aan facturen, maakt haar nog steeds geen cliënt volgens de Wkkgz. Omdat er geen behandelrelatie bestond tussen klaagster en de zorgaanbieder, mag de commissie niet inhoudelijk oordelen over haar klachten.

De volledige uitspraak

in het geschil tussen

mevrouw [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: klaagster)

en

IDEE Therapie & Training, gevestigd te Haarlem
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Complementaire Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026 te Utrecht. Partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunt nader toegelicht. Klaagster werd daarbij vergezeld door haar partner. Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door de heer [naam], psychotherapeut. Hij werd vergezeld door zijn partner.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de houding en de opstelling van de psychotherapeut van de zorgaanbieder in een traject tot het herstellen van de relatie tussen klaagster en haar dochter. Klaagster verwijt de therapeut dat hij onderscheid heeft gemaakt tussen de positie van klaagster en haar dochter waarbij de positie van klaagster werd achtergesteld en zij niet serieus werd genomen. Voorts verwijt klaagster de therapeut dat hij zich niet coöperatief heeft opgesteld in het klachtentraject. De reactie van de therapeut in dat traject was slordig en onwaar en hij heeft een gesprek met klaagster geweigerd.

Standpunt van klaagster

Het contact tussen klaagster en één van haar dochters verliep al jaren moeizaam. Nadat er twee jaar geen contact was geweest heeft de dochter klaagster en haar partner (de ouders) in februari 2023 een bezoek gebracht waarin zij aangaf het contact te willen herstellen. De dochter stelde voor op zoek te gaan naar een therapeut die zij allebei zouden goedkeuren. De dochter stuurde klaagster de website van de therapeut van de zorgaanbieder door. Ook voor klaagster zag die website er vertrouwenwekkend uit waarna klaagster en de dochter afspraken gezamenlijk naar de therapeut te gaan. Na een intakegesprek met ieder van hen zouden klaagster en de dochter samen het traject ingaan. Klaagster had de indruk dat zij en haar dochter samen cliënt waren; zij gingen immers samen in relatietherapie welke therapie onmogelijk is met één partij. Klaagster heeft ook facturen van de therapeut betaald. In die facturen bleek niet van enig onderscheid tussen haar en haar dochter.
Algauw bleek in de gezamenlijke gesprekken echter dat van een gelijkwaardige positie tussen klaagster en haar dochter geen sprake was. Tot haar verbazing gaf de therapeut te kennen dat hij meer op de hand van de dochter was en zij zijn primaire cliënt was. Klaagster werd door de therapeut in de hoek van dominante moeder gezet. Uiteraard heeft klaagster de therapeut hierover om uitleg gevraagd maar hij ging die vragen uit de weg en voelde zich aangevallen. De therapeut was voorbarig en rigide in zijn conclusies en toonde geen enkele bereidheid of flexibiliteit zijn onterechte beeld aan te passen. Klaagster ervoer geen empathie en voelde zich niet serieus genomen. Voorts stelde de therapeut zich niet beschikbaar voor een gesprek samen met de klachtenfunctionaris en nam hij een nonchalante houding aan. Van een serieuze klachtafhandeling was geen sprake en klaagster is dan ook niet tevreden met de uitkomst van de klachtenprocedure.

Door toedoen van de therapeut zijn de mogelijkheden tot relatieherstel tussen klaagster en haar dochter belemmerd. Dit heeft geleid tot emotionele schade bij klaagster. Klaagster verlangt dan ook een uitspraak van de commissie over de handelwijze van (de therapeut van) de zorgaanbieder. Voorts vraagt zij om een begeleid gesprek met de therapeut in aanwezigheid van haar partner. Het doel van klaagster is de therapeut uit te leggen wat de uitwerking van zijn begeleiding is op de relatie van klaagster met haar dochter, wat de uitwerking is op klaagster persoonlijk en hoe dit beter had kunnen gaan. Omdat het de klaagster bekend is dat de commissie geen gesprek kan afdwingen vraagt zij de commissie de zorgaanbieder, bij wijze van symbolische financiële schadevergoeding, een bedrag van € 1,- op te leggen.

Standpunt van de zorgaanbieder

Primair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat de therapeut met klaagster geen (behandelings)overeenkomst heeft gesloten. Zij is niet zijn cliënt of opdrachtgever geweest zodat de commissie niet over de klacht kan oordelen.
Ter toelichting heeft de therapeut daartoe aangevoerd dat de dochter van klaagster hem had gevraagd haar te begeleiden in het proberen de relatie met haar moeder te verbeteren van wie zij al jaren vervreemd was en met wie zij nog nauwelijks contact had. De therapeut heeft die opdracht geaccepteerd waarmee de dochter zijn cliënt en opdrachtgeefster werd. Tussen het moment van aanmelding begin 2023 en het eerste gesprek met de cliënt (de dochter) en klaagster (haar moeder) zat ongeveer een half jaar. In dat halve jaar hebben de therapeut en de cliënt gesprekken gevoerd over hoe zo’n traject eruit zou kunnen zien, hoe dat traject gestructureerd zou zijn en wat de positie van klaagster zou zijn in die gesprekken. In de werkwijze van de therapeut staat voorop dat hij begint vanuit het kind. De therapeut maakt dit vooraf duidelijk in de gesprekken die hij voert met het kind en de ouder, zo ook in het geval van de cliënt en klaagster. De therapeut maakt duidelijk dat hij naast zijn cliënt staat en dat dat zijn vertrekpunt is, waarmee er geen gelijkwaardigheid in de relaties is tijdens de sessies. Het kind is en blijft de opdrachtgever en de cliënt. De eerste gesprekken brachten voor de client verbetering in de relatie met haar moeder maar een volgend gesprek, waarin meer verdieping werd gezocht, verliep helaas niet goed. Klaagster heeft de therapeut verzocht om een gesprek welk gesprek de therapeut met klaagster en haar partner heeft gevoerd. In dat gesprek verweten klaagster en haar partner de therapeut dat hij de gesprekken op een onjuiste wijze voerde en leidde en werd hem gezegd dat hij de dochter duidelijk moest maken dat zij moest bijdraaien. De therapeut heeft dit gesprek niet gefactureerd. Na nog een gesprek waarin de therapeut werd geschoffeerd door klaagster heeft de therapeut geconcludeerd dat hij van weinig nut kon zijn voor de cliënt en heeft hij de opdracht teruggeven. Ook dit laatste gesprek heeft de therapeut niet gefactureerd.
De therapeut heeft in de klachtenprocedure volledig meegewerkt en herkent zich niet in de verwijten die klaagster hem maakt.

Oordeel van de commissie

Ontvankelijkheid
De zorgaanbieder heeft primair een ontvankelijkheidsverweer gevoerd. Na schorsing voor beraad heeft de voorzitter partijen te kennen gegeven dat eerst daarop zal worden beslist alvorens het geschil (in het geval van een ontvankelijkverklaring) inhoudelijk zal worden behandeld.

De commissie heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid het volgende overwogen.

De dochter van klaagster heeft de therapeut in het begin van 2023 aangezocht en hem verzocht haar te helpen in het herstellen van de relatie met haar moeder (klaagster). Na afzonderlijke intakegesprekken met de dochter en met klaagster zou onder begeleiding van de therapeut worden toegewerkt naar relatieherstel. Daartoe hebben enkele gesprekken plaatsgevonden tussen klaagster, haar dochter en de therapeut maar die hebben niet tot het gewenste relatieherstel geleid.
Klaagster verwijt de therapeut onder meer dat hij onderscheid heeft gemaakt tussen haar en haar dochter waarbij de positie van klaagster achter werd gesteld aan die van haar dochter hoewel die positie gelijkwaardig had moeten zijn aangezien klaagster en haar dochter gezamenlijk hebben besloten de stap naar de therapeut te zetten.

Wie is de cliënt?
Op grond van artikel 19 lid 1 van de Wkkgz (Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg) heeft de commissie tot taak geschillen over gedragingen van een zorgaanbieder jegens een cliënt in het kader van de zorgverlening te beslechten. Op grond van Hoofdstuk één artikel 1 van de Begripsbepalingen van de Wkkgz is een cliënt een natuurlijk persoon die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend. De (therapeut van de) zorgaanbieder is een behandelingsovereenkomst aangegaan met de dochter van klaagster, zij is de cliënt. Tussen de zorgaanbieder en klaagster is geen behandelingsovereenkomst gesloten. Klaagster heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat zij geen overeenkomst heeft ondertekend. Dat klaagster bij de hulpvraag van haar dochter tot het herstel van hun relatie meerdere gesprekken met de therapeut heeft gevoerd maakt niet dat een behandelingsovereenkomst tussen de therapeut en klaagster tot stand is gekomen.
Klaagster heeft in overleg met de therapeut een deel van de facturen van het gesprekstraject betaald: de factuur voor het intakegesprek met haar en de helft van de factuur betreffende de gesprekken die tezamen met haar dochter zijn gevoerd. Aan de dochter werd de factuur voor de gesprekken tussen haar en de therapeut gestuurd en eveneens de helft van de factuur voor de gezamenlijke gesprekken met klaagster. Ter zitting heeft de therapeut toegelicht dat deze verdeling wordt gemaakt vanwege de (mogelijke) vergoeding door de zorgverzekeraar voor elke gesprekspartner afzonderlijk.
Dat klaagster een deel van de facturen heeft betaald maakt niet dat een behandelingsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. De dochter van klaagster was en bleef de cliënt en de opdrachtgever van (de therapeut van) de zorgaanbieder. Zij is de cliënt in de zin van het reglement en de Wkkgz.

De commissie kan dan ook geen uitspraak doen over de klachten van klaagster aangezien klaagster geen partij was in de behandelingsovereenkomst waarop die klachten betrekking hebben.
Klaagster is niet ontvankelijk in haar klacht op grond van artikel 19 lid 1 van de Wkkgz.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Complementaire Gezondheidszorg, bestaande uit mevrouw mr. A.D.R.M. Boumans, voorzitter, de heer mr. A.W. Lonnee en mevrouw mr. L.M.T. Otten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 19 januari 2026.

Opslaan als PDF