Ondanks onjuiste diagnose volgens klaagster, klacht ongegrond

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zelfstandige Klinieken    Categorie: Inspanningsverplichting    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 99938/114894

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dochter van klaagster heeft zich in maart 2019 met verwijzing van huisarts, waarin stond dat gedacht werd aan alopecia androgenetica, tot de zorgaanbieder gewend met haarverlies. Zorgaanbieder heeft deze diagnose niet gesteld. Dochter stelt ruim een jaar aan kostbare tijd te hebben verloren waarin zij het haarverlies had kunnen beperken. Klaagster houdt zorgaanbieder verantwoordelijk voor onherstelbaar haarverlies door nalatigheid en een onjuiste diagnose. Klaagster verlangt een schadevergoeding van € 24999,-. Zorgaanbieder stelt dat in de dertien maanden dat de dochter patiënt was er veel onderzoek is gedaan en er een differentiële diagnose bleef bestaan. De commissie oordeelt dat er gedegen onderzoek is verricht door de zorgaanbieder om de oorzaak van het haarverlies te achterhalen. Zorgaanbieder heeft zich ingespannen om de dochter van cliënte van haar klachten af te helpen. De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het verzoek op het toekennen van schadevergoeding af.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam], (hierna te noemen: klaagster), moeder/vertegenwoordigster van [naam], wonende te [woonplaats] (hierna te noemen: de dochter)

en

Mohs Klinieken, gevestigd te Dordrecht
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is tweemaal eerder op een zitting gepland, maar beide keren aangehouden omdat klaagster twijfels heeft geuit over de onpartijdigheid van één van de commissieleden. Na toetreding van een ander commissielid heeft de behandeling plaatsgevonden op 6 oktober 2022 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Klaagster is digitaal ter zitting verschenen en heeft haar standpunt toegelicht. Door de zorgaanbieder is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ter zitting het standpunt toe te lichten.

Onderwerp van het geschil
Klaagster heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft de kwaliteit van de door de zorgaanbieder geleverde zorg. Door het niet tijdig diagnosticeren van alopecia androgenetica heeft de dochter van klaagster onherstelbaar haarverlies geleden.

Standpunt van klaagster
Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In maart 2019 heeft de dochter zich na een verwijzing van de huisarts tot de zorgaanbieder gewend vanwege haarverlies; zij was toen 20 jaar oud. In de verwijsbrief van de huisarts was opgenomen dat gedacht werd aan alopecia androgenetica. Ook was vermeld dat haarverlies bij tantes van de dochter voorkwam. De dermatoloog van de zorgaanbieder heeft echter naar andere oorzaken gezocht, zoals eczeem, allergie en een schimmelinfectie. De dermatoloog wilde een biopt nemen van de hoofdhuid van de dochter, maar dat wilde de dochter niet vanwege een traumatische ervaring in haar jeugd toen een moedervlek werd verwijderd. De dochter heeft dan ook gevraagd om een andere manier van onderzoek. Uiteindelijk heeft de dochter toch ingestemd met het afnemen van een biopt, maar daar kwam geen alopecia androgenetica uit. Later hoorde klaagster dat het nemen van een biopt helemaal niet nodig is en de diagnose ook op een ander manier kan worden gesteld.

Na een jaar werd de dochter gezien door een andere dermatoloog van de zorgaanbieder. Die dermatoloog heeft de dochter te kennen gegeven dat zij haar niet kon helpen en niet wist wat de oorzaak was van het haarverlies. De dochter heeft op 23 april 2020 een second opinion gevraagd bij [andere zorgaanbieder] waar diezelfde dag alopecia androgenetica werd vastgesteld. De dochter heeft hiermee ruim een jaar aan kostbare tijd verloren waarin zij met mogelijke supplementen en/of medicijnen het haarverlies had kunnen beperken. Klaagster houdt de zorgaanbieder verantwoordelijk voor het onherstelbare haarverlies door nalatigheid en een onjuiste diagnose. Het haarverlies heeft een grote impact op het fysieke en mentale welzijn van de dochter. De dochter draagt nu een haarstuk dat steeds vervangen en aangepast zal moeten worden.

Klaagster verlangt een schadevergoeding van € 24.999,– van de zorgaanbieder, bestaande uit een vergoeding voor de aanschaf en het maandelijks onderhoud van het haarstuk, een vergoeding voor de voedingssupplementen die de dochter moet gebruiken om verder haarverlies tegen te gaan, een vergoeding voor het jaarlijks consult in de haarkliniek en een vergoeding van de kosten van psychische ondersteuning.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Vooraf merkt de zorgaanbieder op dat hij het zeer betreurt dat de dochter onverminderd klachten van haarverlies ondervindt en daar psychisch onder lijdt.

In maart 2019 heeft de dermatoloog van de zorgaanbieder de dochter voor het eerst gezien en na grondig klinisch onderzoek de diagnose seborroïsch eczeem vastgesteld. Bij die diagnose kan haaruitval optreden. De dermatoloog heeft bij de huisarts bloeduitslagen opgevraagd en aanvullend een bloedafname laten uitvoeren om tekorten uit te sluiten. Er werd een behandeling ingesteld waarmee de jeuk en schilfering minder werd, maar het haarverlies aanhield. Er werd een diffuus haarverlies geconstateerd. De dermatoloog stelde een biopt voor diagnostiek voor, maar de dochter wilde dit liever niet. Bij het consult in september 2019 was de haaruitval weer toegenomen, maar de dochter weigerde wederom een diagnostisch biopt. Uiteindelijk werden er eind oktober 2019 twee biopten genomen. De casus van de dochter en de uitslag van de biopten werden met alle dermatologen en de patholoog van de zorgaanbieder besproken. De conclusie was dat sprake was van non scarring alopecia; superficieel een geringe chronische (peri-)folliculitis met intracorneaal schimmeldraden en gistbolletjes. Geen fibrose. Het beeld past bij tinea capitis.

In de biopten werden geen tekenen van androgenetische alopecia gezien. Op basis van de diagnose (schimmelinfectie) werd meteen gestart met een orale antimycotische behandeling. Na meerdere telefonische consulten zag de dermatoloog de dochter voor het laatst in januari 2020. De dochter gaf toen aan dat het haarverlies aanzienlijk was afgenomen en afgesproken werd dat de dochter alleen zo nodig weer een afspraak zou maken. Vier maanden later, in april 2020, is de dochter eenmalig bij een andere dermatoloog van de zorgaanbieder geweest, omdat er weer een toename was van haarverlies. De vervangende dermatoloog constateerde toen opnieuw seborroïsch eczeem, maar dacht toen ook aan mogelijke alopecia androgenetica. In een telefonisch consult heeft de dermatoloog de dochter geadviseerd een second opinion te vragen. In april 2020 is de dochter voor een second opinion naar [andere zorgaanbieder] geweest waar de diagnose telogeen effluvium of androgenetische alopecia werd gesteld. Door [andere zorgaanbieder] is de dochter verwezen naar [derde zorgaanbieder] waar werd ingezet op zowel alopecia androgenetica als op telogeen effluvium, wat duidelijk maakt dat de diagnose lastig te stellen was en er meerdere oorzaken aan het haarverlies van de dochter ten grondslag lagen.

In de dertien maanden tijd dat de dochter patiënt was bij de zorgaanbieder is er steeds zeer intensief contact geweest en is veel onderzoek gedaan. Er bleef een differentiële diagnose bestaan. De zorgaanbieder merkt nog op dat mocht de aandoening in een eerder stadium zijn ontstaan (waarvoor er geen aanwijzingen waren) dan zouden de therapeutische opties zeer matig zijn en het beloop van de aandoening nauwelijks tot niet hebben beïnvloed. De behandeling van alopecia androgenetica bij vrouwen is helaas teleurstellend.

Beoordeling van het geschil
Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen de dochter en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige
behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener – in dit geval de dermatoloog – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen. Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De zorgplicht houdt in beginsel geen resultaatsverplichting in, maar wordt aangemerkt als een inspanningsverplichting. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.
De commissie dient te onderzoeken of de dermatoloog bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie overweegt als volgt.

De dochter heeft zich in maart 2019 tot de zorgaanbieder gewend met klachten van haarverlies. In de verwijsbrief van de huisarts werd de mogelijkheid van alopecia androgenetica genoemd. Klaagster verwijt de zorgaanbieder dat die diagnose niet meteen in maart 2019 is gesteld.

De commissie stelt vast dat de dermatoloog gedegen onderzoek heeft verricht om de oorzaak van het haarverlies van de dochter te achterhalen. De dermatoloog heeft daarbij een zorgvuldig en uitvoerig traject doorlopen. Naast haarverlies had de dochter ook last van jeuk en een schilferende hoofdhuid. Niet alleen alopecia androgenetica maar ook eczeem en schimmelinfecties kunnen haarverlies veroorzaken.
De behandelingen van het eczeem en de schimmelinfectie gaven aanvankelijk een vermindering van klachten te zien waarmee de dermatoloog mocht verwachten op het goede spoor te zitten. De mogelijkheid van alopecia androgenetica werd wel onderzocht, maar niet aangetroffen in een afgenomen biopt dat de dermatoloog met andere dermatologen en de patholoog besprak. Toen de dochter zich weer meldde met klachten van toenemend haarverlies, heeft de dermatoloog de dochter aangeraden een second opinion te vragen. Deze handelwijze getuigt van een zorgvuldige houding ten opzichte van de dochter.
In april 2020 werd door [andere zorgaanbieder] de diagnose telogeen effluvium of androgenetische alopecia gesteld en werd de dochter doorverwezen naar een gespecialiseerde kliniek waar voor beide aandoeningen een behandeling werd ingezet. De commissie leidt hieruit af dat de door de dochter bezochte klinieken kennelijk ook aarzelingen hadden bij het benoemen van een eenduidig ziektebeeld.

De commissie begrijpt goed dat het haarverlies grote gevolgen heeft gehad en nog heeft voor de dochter. De zorgaanbieder kan daarvan echter geen verwijt worden gemaakt.

Tussen de dochter en de zorgaanbieder bestond in de periode van 13 maanden waarin zij daar onder behandeling was een intensieve behandelrelatie waarin sprake was van vele consulten in de kliniek, telefonische consulten, het nemen van biopten en het verrichten van bloedonderzoek. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich heeft ingespannen om de dochter van haar klachten af te helpen, althans die te verminderen door gedegen onderzoek te doen naar de oorzaken van haar haarverlies en de daarvoor geëigende behandelingen voor te schrijven en haar voor een second opinion te verwijzen naar een collega. De zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend hulpverlener in vergelijkbare omstandigheden verwacht mag worden.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht ongegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
– verklaart de klacht van klaagster ongegrond;
– wijst af het verzoek tot het toekennen van schadevergoeding.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zelfstandige Klinieken, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer prof. dr. R. Willemze en mevrouw mr. R. Jelicic, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 oktober 2022.