Commissie: Ziekenhuizen
Categorie: zorgverlening
Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Bindend Advies
Uitkomst: gegrond
Referentiecode:
1317398/1330455
De uitspraak:
Waar gaat de uitspraak over?
Dit geschil gaat over de vraag of het ziekenhuis voldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de behandeling en nazorg van een gebroken pols. De cliënt vindt dat er na het verwijderen van het gips niet naar haar klachten is geluisterd en dat er geen goede controle of begeleiding is geweest, waardoor haar pols scheef is genezen en later alsnog een operatie nodig was. De zorgaanbieder stelt dat er wel zorgvuldig is gehandeld en dat de cliënt zelf niet altijd afspraken heeft opgevolgd. De commissie oordeelt dat het ziekenhuis onvoldoende nazorg heeft gegeven, onder andere doordat er geen controle afspraak is gemaakt en geen duidelijke instructies zijn gegeven. Hierdoor is niet goed gereageerd op de aanhoudende klachten van de cliënt. De klacht wordt daarom gegrond verklaard.
De volledige uitspraak
in het geschil tussen
[Naam], wonende te [woonplaats](hierna te noemen: de cliënt)
en
Stichting Tergooi, gevestigd te Hilversum
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).
Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.
De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.
De behandeling heeft plaatsgevonden op 29 mei 2026 te Utrecht. De cliënt is verschenen, samen met haar dochter [naam]. Namens de zorgaanbieder zijn verschenen [naam] (advocaat) en (jurist).
Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.
Het geschil betreft de vraag of de zorgaanbieder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld met betrekking tot de (na)zorg vanwege een gecompliceerde polsbreuk van de cliënt.
Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De cliënt stelt dat zij op 29 december 2023 een gecompliceerde polsbreuk (de commissie leest: gedislokeerde polsfractuur, nu het hier niet gaat om een open fractuur, waarop ‘gecompliceerd’ zou slaan) heeft opgelopen door een val, en als gevolg daarvan op de spoedeisende hulp terecht is gekomen.
Daar is de pols twee keer gezet. Op 1 februari 2024 heeft de laatste afspraak in het ziekenhuis plaatsgevonden, waarbij het gips is verwijderd. Daarbij zei de arts dat alles goed is. De cliënt stelt dat haar verteld werd om zelf te gaan oefenen. Er is geen verwijzing naar een fysiotherapeut geweest. Er is ook geen controleafspraak gemaakt voor een paar weken later. De cliënt heeft meteen na het gips aangegeven dat de pols niet goed stond. De pols voelde raar. Thuis kon de cliënt de pols amper gebruiken.
Via de huisarts heeft de cliënt een verwijzing voor de fysiotherapeut gekregen. Die fysiotherapie is in april 2024 gestart, en door de fysiotherapeut werd ook al snel aangegeven dat er iets niet goed zit met de pols. Hierop is de cliënt in augustus/september 2024 weer naar de zorgaanbieder gegaan, en daar bleek dat de pols in de knik stond. Er is hierna geprobeerd een MRI te maken in een ander ziekenhuis. De cliënt stelt dat de arts van de zorgaanbieder na de MRI heeft aangegeven de beelden niet ontvangen te hebben en niets meer voor haar te kunnen betekenen. Er heeft vervolgens een second opinion plaatsgevonden bij een externe kliniek. Uit de foto die toen gemaakt is bleek dat het direct ondergaan van een operatie noodzakelijk was om de pijnen te verhelpen.
De cliënt stelt gelet op het voorgaande dat er in het vervolgtraject (na 1 februari 2024) door de zorgaanbieder niet is geluisterd en geanticipeerd op de pijnklachten die zij bleef ervaren. Er is geen of onvoldoende actie ondernomen door de artsen.
De cliënt verzoekt de commissie te oordelen dat de zorgaanbieder onzorgvuldig heeft gehandeld en de klacht gegrond te verklaren. Zij kan de omvang van de haar schade niet concretiseren en behoudt zich daarom het recht voor om, afhankelijk van de uitspraak van de commissie, een eventuele civiele vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen.
Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.
De zorgaanbieder stelt zich op het standpunt dat zorgvuldig is gehandeld. De zorgaanbieder wijst in dit kader op de aantekeningen in het dossier. Uit het dossier blijkt dat de klachten van de cliënt steeds serieus zijn genomen, dat er onderzoek is gedaan en dat op basis van de bevindingen uit anamnese en onderzoek in overleg met de cliënt is besloten tot aanvankelijk een conservatief beleid, waarna de cliënt niet meer is verschenen. Toen de cliënt maanden later opnieuw door haar huisarts werd verwezen voor een foto, is zij opnieuw serieus genomen door het laten vervaardigen van een MRI en een verwijzing voor handtherapie. Helaas heeft de cliënt het aldaar voorgestelde behandelplan niet opgevolgd, is zij niet meer verschenen en heeft zij om een second opinion verzocht. Daarmee heeft zij de zorgaanbieder de kans ontnomen haar (verder) te helpen met haar klachten. De zorgaanbieder merkt in dit kader voorts op dat het feit dat de cliënt in augustus 2024 en ook thans nog kampt(e) met klachten, niet betekent dat door de zorgaanbieder onzorgvuldig is gehandeld. Dit wordt op geen enkele wijze onderbouwd en blijkt niet uit de door de cliënt overgelegde medische informatie.
Gelet op het voorgaande meent de zorgaanbieder dat de klacht van de cliënt dat in de periode van dertien maanden na een compliceerde polsbreuk door een val onvoldoende zou zijn geluisterd naar en geanticipeerd op de door de cliënt ervaren pijnklacht, en dat daarop onvoldoende actie zou zijn ondernomen, op geen enkele wijze wordt onderbouwd. Dit terwijl uit het medisch dossier en de toelichting daarop van de betrokken artsen en het verweerschrift het tegendeel blijkt. De zorgaanbieder verzoekt de commissie de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren.
Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
Alvorens de commissie een inhoudelijk oordeel kan geven over het geschil, dient zij allereerst vast te stellen of de cliënt ontvankelijk is in haar klacht en of de commissie bevoegd is. De reden hiervoor is dat de cliënt in het vragenformulier heeft aangegeven dat zij de omvang van haar schade op dit moment niet kan concretiseren en zich daarom het recht voorbehoudt om, afhankelijk van de uitspraak van de commissie, een eventuele civiele vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen.
De commissie is van oordeel dat de cliënt ontvankelijk is in de klacht en dat de commissie tevens bevoegd is om een oordeel te geven over dit geschil. Uit het vragenformulier en hetgeen er zitting is besproken volgt namelijk dat de cliënt heeft besloten geen vordering in te dienen bij de Geschillencommissie Ziekenhuizen waardoor zij kan worden ontvangen in haar klacht. Een situatie zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 onder c van het Reglement van de commissie (als zou aannemelijk zijn geworden dat het totale financiële belang meer dan € 25.000, bedraagt) is niet aan de orde.
De commissie heeft het volgende overwogen.
Toetsingskader
De overeenkomst die de cliënt met de zorgaanbieder heeft gesloten betreft een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van deze overeenkomst dient de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en te handelen overeenkomstig de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Dit betekent dat de commissie beoordeelt of de zorgaanbieder heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden mocht worden verwacht. Daarbij geldt dat de commissie beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het handelen, en niet met de kennis van achteraf.
Beoordeling
De commissie is op basis van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken van oordeel dat de zorgaanbieder onvoldoende heeft geluisterd naar de (pijn)klachten van de cliënt en bovendien niet adequaat heeft gehandeld. Daarmee heeft de zorgaanbieder onzorgvuldig gehandeld.
Hiervoor is in de eerste plaats van belang dat de zorgaanbieder nadat het gips bij de cliënt was verwijderd, geen controleafspraak heeft gemaakt. De zorgaanbieder heeft de cliënt naar huis gestuurd met enkel de mededeling dat zij zelfstandig moet gaan oefenen. Niet is gebleken dat de zorgaanbieder hierbij concreet heeft aangegeven wat voor oefeningen de cliënt moest doen en hoe die uit te voeren. Evenmin is gebleken dat de zorgaanbieder expliciet aan de cliënt heeft meegedeeld bij welke alarmsignalen zij aan de bel moest trekken.
Gelet op al het voorgaande is de commissie van oordeel dat de zorgaanbieder geen vangnet heeft gecreëerd voor de cliënt. Gelet op het type fractuur, had van de zorgaanbieder mogen worden verwacht dat dit wel was gedaan. Temeer nu het niet ongebruikelijk is dat er na het zetten van de pols opnieuw scheefstand ontstaat. Zeker in zo een situatie mag van een hulpverlener worden verwacht dat de cliënt goed gemonitord wordt. Dat de foto die op
1 februari 2024 is gemaakt er goed uitzag, doet aan het voorgaande naar het oordeel van de commissie niets af. Het verweer van de zorgaanbieder dat in augustus opnieuw een foto is gemaakt naar aanleiding van de aanhoudende pijnklachten van de cliënt maakt het oordeel van de commissie evenmin anders.
Daarbij neemt de commissie mede in aanmerking dat er sprake is van een fors tijdsverloop, ruim zes maanden, waarin door de zorgaanbieder gelet op het voorgaande onvoldoende nazorg is geboden.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht, voor zover deze betrekking heeft op het onvoldoende luisteren en anticiperen, gegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
De commissie:
- verklaart de klacht van de cliënt gegrond;
- bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de cliënt dient te vergoeden ter zake van het klachtengeld.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. L. Verheij, voorzitter, de heer prof. dr. M. Poeze, de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. K.E. Heins, secretaris, op
29 mei 2026,