Onvolledig en ontijdig onderzoek aan zorgaanbieder toegerekend

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Schadevergoeding product/dienst / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 37481/40125

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt is door de zorgaanbieder geopereerd aan een cyste achter zijn linkerknie. Cliënt klaagt dat afspraken over het geven van medicijnen na de operatie niet zijn nagekomen en dat er een bacteriële infectie in zijn knieprothese is ontstaan. Hij heeft twee jaar met de infectie gelopen. Na een second opinion is besloten om de knieprothese te verwijderen. De nieuwe prothese heeft een buigcapaciteit van maar 40%. Cliënt wil een schadevergoeding voor het onzorgvuldig handelen van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder verwijst naar het oordeel van de interne klachtencommissie die de klacht over de afspraken en de termijn van toediening van een antistollingsmiddel gegrond heeft verklaard. De overige klachten zijn ongegrond verklaard. De commissie oordeelt dat er onvolledig en ontijdig onderzoek is gedaan na de operatie in 2018. Door tijdig en volledig onderzoek had voorkomen kunnen worden dat cliënt te lang zou zijn doorgelopen met een infectie, waardoor hij minder intensieve klachten had gehad en buigcapaciteit van zijn knie mogelijk behouden had kunnen blijven. De klacht is gegrond. De commissie kent cliënt een schadevergoeding van € 5.000,– toe.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [woonplaats],

en

Stichting Zuyderland Medisch Centrum, gevestigd te Sittard, (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2020 te Den Haag.
Dit is geschied buiten aanwezigheid van partijen door de omstandigheden rondom het Corona-virus.

Partijen hebben voorafgaand aangegeven geen bezwaar te hebben tegen behandeling buiten hun aanwezigheid.

Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft een klacht over de nazorg na een operatieve verwijdering van een cyste in de linkerknieholte.

Cliënt vordert een vergoeding voor de door hem geleden schade.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt is op 1 juni 2018 geopereerd aan een cyste achter de linkerknie. In 2006 heeft cliënt een totale linkerknieprothese gekregen en cliënt heeft eerder meermalen te maken gehad met infecties van zijn knie.

Na de operatie heeft cliënt twee weken antibiotica meegekregen, terwijl met hem zes weken antibiotica zou zijn afgesproken. Aansluitend aan de operatie is bovendien niet overgegaan tot het toedienen van het antistollingsmiddel Fragmin (gedurende zes weken), terwijl dat door de arts was geïndiceerd en met cliënt. was afgesproken. Vervolgens zijn bacteriële infecties ontstaan in de knie. Deze infecties zijn niet tijdig geconstateerd door de behandelend arts. Cliënt heeft hiermee gedurende twee jaar doorgelopen, gedurende welke tijd hij onder controle stond van de zorgaanbieder. Tijdens deze gehele periode van twee jaar heeft hij antibiotica moeten gebruiken. Voorts moest cliënt in die periode 12 weken met een brace op krukken lopen.

Na een second opinion is in 2020 besloten om de knieprothese te verwijderen, aangezien deze al geruime tijd geïnfecteerd was. Met de nieuw geplaatste prothese kon de knie van cliënt ten tijde van het indienen van de klacht slechts minimaal buigen met uitzicht op een maximale buigcapaciteit van 40%.

Cliënt vordert van het ziekenhuis een vergoeding van de schade die hij als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder heeft geleden, een bedrag van € 25.000,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Primair stelt de zorgaanbieder zich op het standpunt dat cliënt niet-ontvankelijk is in zijn klacht. De zorgaanbieder verwijst naar het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen waar in artikel 6, eerste lid onder b is bepaald dat de klacht bij de Geschillencommissie binnen 12 maanden, na de datum waarop de cliënt de klacht bij de zorgaanbieder indiende, aanhangig moet zijn gemaakt.

Subsidiair, indien cliënt wel ontvankelijk wordt verklaard in zijn klacht, wordt verwezen naar het oordeel en advies van de Raad van Bestuur van 19 september 2019. Uit dit oordeel en advies, heeft de zorgaanbieder het volgende standpunt ingenomen ten aanzien van de klachten van cliënt.

Blijkens het oordeel van de interne klachtencommissie van de zorgaanbieder is er na de operatie van 1 juni 2018 voor een periode van twee weken antibiotica voorgeschreven. Afhankelijk van het genezingsproces zou daarna tot maximaal zes weken worden doorgegaan met antibiotica. Er was bij cliënt geen reden om bij voorbaat voor de duur van zes weken antibiotica voor te schrijven. De zorgaanbieder neemt dit oordeel van de interne klachtencommissie over.

Aan cliënt was een antistollingsmiddel (Fragmin) voorgeschreven. Dit antistollingsmiddel is uiteindelijk niet aan cliënt verstrekt. De klacht met betrekking tot de afspraken en de termijn van toediening van het antistollingsmiddel Fragmin is door de interne klachtencommissie gegrond verklaard. De zorgaanbieder neemt dit oordeel van de interne klachtencommissie over.

De interne klachtencommissie stelt vast dat de behandelend arts ter zitting heeft aangegeven dat – in retrospectief beschouwd – er geen aanleiding was om, eerder dan gedaan is, een kweek te doen ter verificatie van een mogelijke infectie. De interne klachtencommissie geeft aan dat er geen reden is te twijfelen aan het beleid van de behandelend arts. De klacht met betrekking tot de medische aspecten van de nazorg na de operatie is ongegrond verklaard door de interne klachtencommissie. De zorgaanbieder neemt dit oordeel van de interne klachtencommissie over.

De klacht met betrekking tot de bejegening is door de interne klachtencommissie eveneens gegrond verklaard. De zorgaanbieder schaart zich achter dit oordeel.

Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de klacht van cliënt overweegt de commissie het volgende.

In het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen wordt in artikel 6, eerste lid onder a bepaald dat de klacht bij de Geschillencommissie binnen 12 maanden na afhandeling van de klacht door het ziekenhuis aanhangig moet zijn gemaakt. De klacht van cliënt is afgerond met de brief van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis van 1 oktober 2019, waarin wordt verwezen naar het oordeel en advies van de Klachtencommissie Patiëntenzorg van Zuyderland MC van 19 september 2019. Cliënt heeft zijn klacht bij de Geschillencommissie op 29 juni 2020 ingediend. Het indienen van de klacht bij de Geschillencommissie valt binnen die termijn van 12 maanden. Het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen waarnaar de zorgaanbieder verwijst, is niet van toepassing nu er een speciale regeling bestaat voor de Geschillencommissie Ziekenhuizen.

De cliënt is dan ook ontvankelijk in zijn klacht.

Het geschil

Het toetsingskader
De overeenkomst die patiënt en het ziekenhuis met elkaar hebben gesloten, is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen. Daarbij moet de hulpverlener handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW), die mede bepaald wordt door onder meer de stand en inzichten van de medische wetenschap, richtlijnen en protocollen.

Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Doet de hulpverlener dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij en/of het ziekenhuis de schade die een cliënt daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 van het BW).

De toetsing
De commissie dient te onderzoeken of de behandeld arts bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

De commissie overweegt het volgende.

De commissie stelt vast dat cliënt na de operatie niet het antistollingsmiddel Fragmin toegediend heeft gekregen, terwijl dat door de behandelend arts was geïndiceerd en met cliënt was afgesproken. Blijkens de in het dossier aanwezige stukken is er voor de operatie geen aandacht besteed aan de mogelijkheid dat er sprake zou kunnen zijn van een latente knieprothese-infectie. Dit gezien de postoperatieve prothese- infectie 12 jaar eerder met drie maanden opname. De genoemde bakers-cyste is een signaal voor intra-articulaire problemen en had in dit geval als alarmsignaal preparatief moeten leiden naar een zoektocht in het kniegewricht. De wondgenezing van cliënt na de operatie op 1 juni 2018 verliep niet goed. Hoewel cliënt al meermalen in het ziekenhuis was geweest, is pas in september 2018 een nieuwe kweek afgenomen en nieuwe antibiotica voorgeschreven. Ook daarna verliep de wondgenezing niet naar verwachting. Desondanks is pas op 14 december 2018 een revisie-operatie uitgevoerd. Ook na deze operatie waren de klachten van cliënt nog niet over. Na een second opinion in een ander ziekenhuis is in 2020 besloten om de knieprothese te verwijderen, aangezien deze al geruime tijd geïnfecteerd was, en een nieuwe knieprothese te plaatsen.

Naar het oordeel van de commissie is er onvolledig en ontijdig onderzoek gedaan na de operatie van 1 juni 2018. Tijdig en volledig onderzoek had kunnen voorkomen dat cliënt te lang zou zijn doorgelopen met de infectie, waardoor hij in de periode juni 2018 tot 23 april 2020 minder intensieve klachten had gehad en de buigcapaciteit van zijn knie mogelijk behouden had kunnen blijven.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Schadevergoeding

Cliënt verzoekt om een vergoeding van de schade van € 25.000,– die hij als gevolg van het handelen van de zorgaanbieder heeft geleden.

Voor aanspraak op een schadevergoeding is ten minste vereist dat het ziekenhuis in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.
Gelet op de voorgaande overwegingen is de commissie van oordeel dat de arts niet die zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht en dat er derhalve sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn uit de behandelingsovereenkomst voorvloeiende (inspannings)verplichting.
De commissie acht het echter niet onaannemelijk dat het verloop van de behandeling anders zou zijn geweest als de arts tijdig onderzoek had gedaan en de revisie-ingreep eerder zou hebben uitgevoerd.
De commissie constateert wel dat cliënt door het handelen van de behandelend arts in meer of mindere mate heeft geleden.
Gelet op het voorgaande ligt een vergoeding van materiële en immateriële schade in de rede.
De commissie heeft echter vastgesteld dat de door cliënt gevorderde schade ad € 25.000,– in het geheel niet onderbouwd is. De commissie ziet daarom aanleiding om aan cliënt een schadevergoeding toe te kennen die zij naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 5.000,–.

Nu de klacht van cliënt grotendeels gegrond wordt verklaard, zal de commissie overeenkomstig haar reglement het ziekenhuis veroordelen tot vergoeding aan cliënt van het door hem betaalde klachtengeld, zijnde een bedrag van € 127,50.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart cliënt ontvankelijk in zijn klacht;
– verklaart de klacht van de cliënt in alle onderdelen gegrond;
– veroordeelt de zorgaanbieder tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,– (zegge: vijfduizend euro) binnen twee weken na verzenddatum van dit bindend advies;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 127,50 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. H. Mencke, mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Land-Smorenburg, secretaris, op 2 november 2020.