Opzegging melkcontract was onrechtmatige druk – klacht deels gegrond

De Geschillencommissie Opslaan als PDF




Commissie: Oneerlijke Handelspraktijken Landbouw- en Voedselvoorzieningsketen    Categorie: Opzeggen overeenkomst    Jaartal: 2026
Soort uitspraak: Uitspraak   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 619554/1011596

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Een leverancier klaagde over de manier waarop een afnemer een nieuwe leveringsovereenkomst wilde afdwingen. De afnemer bood in september 2024 een nieuw contract aan met andere prijzen en regels, en gaf de leverancier slechts veertien dagen om dit te ondertekenen. Daarbij zei de afnemer dat het bestaande contract zou worden opgezegd als de leverancier niet akkoord ging. Toen de leverancier weigerde, werd zijn huidige contract opgezegd per 31 december 2026. De commissie vindt dat de afnemer hiermee onrechtmatige druk heeft uitgeoefend. Volgens de wet is het verboden om leveranciers te bedreigen met commerciële nadelen wanneer zij hun rechten willen uitoefenen. De afnemer had wel een contractuele opzeggingsbevoegdheid, maar gebruikte deze op een manier die neerkomt op “slikken of stikken”. De andere klachten – dat de nieuwe voorwaarden onredelijk waren en dat er prijsfactoren zouden worden opgelegd zonder invloed van de leverancier – zijn afgewezen, omdat deze nieuwe voorwaarden niet van toepassing worden zolang de leverancier het contract niet tekent. De leverancier krijgt geen schadevergoeding, maar de klacht is deels gegrond. De afnemer moet het klachtengeld van €302,50 terugbetalen.

De volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van geschil betreft de vraag of de afnemer onrechtmatig jegens de leverancier heeft gehandeld in de zin van artikel 2 lid 1 van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

De gronden van de beslissing

Bevoegdheid

Artikel 4 lid 1 van het reglement van de commissie (hierna: het reglement) bepaalt dat de commissie bevoegd is geschillen als genoemd in artikel 3 van het reglement te behandeling. Artikel 3 van het reglement bepaalt het volgende:
“De commissie heeft tot taak de beslechting van geschillen tussen een afnemer en een leverancier inzake de toepassing van de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen, indien uit toetsing aan artikel 5 van de Wet blijkt dat de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet van toepassing zijn in de verhouding tussen de afnemer en de leverancier. Zij doet dit door in een dergelijk geschil een uitspraak te doen of door een schikking tussen partijen te bevorderen.”

De voorzitter van de commissie heeft in de tussenuitspraak van 19 mei 2025 de commissie voorlopig bevoegd verklaard en de leverancier voorlopig ontvankelijk verklaard in zijn klacht. Uit de beoordeling van het geschil door de commissie (hieronder) zal volgen dat de commissie zich bevoegd acht en dat de leverancier ontvankelijk is in zijn klacht, nu zij tot het oordeel komt dat er sprake is van een geschil in de zin van artikel 2 lid 1 van de Wet oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen (hierna: Wet OHP).

De feiten

De commissie stelt de volgende feiten vast:
1. Partijen hebben op 23 november 2021 een leveringsovereenkomst gesloten. In deze leveringsovereenkomst is, voor zover relevant, het volgende bepaald:

“Artikel 2: Looptijd
1. Deze overeenkomst treedt in werking per 1 januari 2022 en wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
2. Deze overeenkomst kan voor het eerst na afloop van de termijn van vijf (5) jaar jaarlijks worden beëindigd middels schriftelijke opzegging en met inachtneming van een opzegtermijn van twee (2) jaar. Aldus geldt voor een opzegging gedaan uiterlijk per 31 december 2025 dat het contract eindigt per 31 december 2027, een opzegging gedaan uiterlijk per 31 december 2026 tot beëindiging per 31 december 2028, enzovoort.”

2. Bij brief van 9 september 2024 heeft de afnemer een nieuwe leveringsovereenkomst met gewijzigde prijs- en praktijkregeling aan de leverancier aangeboden, die bij akkoordverklaring per 1 januari 2025 zou gelden.

3. In de leveranciersvergadering van 9 september 2024 heeft de afnemer de gewijzigde prijs- en praktijkregelingen van de nieuwe leveringsovereenkomst aan de leverancier toegelicht. Bij brief van 9 september 2024, met het onderwerp: “samenvatting [de afnemer] leveranciersvergadering”, heeft de afnemer aan de leverancier, voor zover relevant, het volgende medegedeeld:

Reageer uiterlijk 23 september
In dit informatiepakket vindt u naast bovenstaande samenvatting:
• De gewijzigde prijsregeling.
• De gewijzigde leveranciersovereenkomst.
• De gewijzigde praktijkregeling.
• Het formulier voor ondertekening wanneer akkoord met nieuwe voorwaarden. Wanneer akkoord, stuur dit document dan niet later dan 23 september 2024 aangetekend en ondertekend retour.

Voor hen die niet akkoord gaan zijn wij, tot onze grote spijt, genoodzaakt om het contract met [de afnemer] te beëindigen, waarbij we natuurlijk de bepalingen in dit contract en opzegtermijn in acht nemen. We willen graag iedereen aan boord houden en hopen dat iedereen deze nieuwe voorwaarden kan accepteren. Daarom zullen we de komende weken ons uiterste best doen om vragen te beantwoorden en waar nodig verduidelijking te geven.”

4. Op 10 september 2024 heeft de leverancier het volgende whatsappbericht aan de afnemer gestuurd.
“Is er een gesprek mogelijk met een (vertegenwoordiging van) een groep verontruste en wanhopige leveranciers?”
De afnemer heeft dezelfde dag op voornoemd bericht als volgt gereageerd:
“We richten ons deze weken op het toelichten van het voorstel. Daar kunnen we inhoudelijk niets aan veranderen. Dat doen we uitsluitend op individuele basis. Dit vraagt onze volledige aandacht de komende weken. Daarna zouden wij graag met de klankbordgroep afspreken.”

5. Bij brief van 26 september 2024 heeft de afnemer de leveringsovereenkomst met de leverancier opgezegd per 31 december 2026.

Het geschil

Standpunt en verzoek van de leverancier
Voor het standpunt van de leverancier verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en hetgeen de leverancier ter zitting naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst
De afnemer heeft onrechtmatig jegens de leverancier gehandeld door bij de leverancier een nieuwe leveringsovereenkomst met gewijzigde prijs- en praktijkregeling af te dwingen met onacceptabele voorwaarden. De leverancier heeft slechts twee weken de tijd gekregen om te beslissen of hij akkoord ging met de nieuwe voorwaarden. De afnemer heeft tijdens de leveranciersbijeenkomst van 9 september 2024 meerdere keren duidelijk gemaakt dat indien de leverancier niet akkoord zou gaan met de nieuwe leveringsovereenkomst, de bestaande leveringsovereenkomst zou worden opgezegd. De leverancier wijst de commissie in dit kader tevens op de brief van 9 september 2024 met het onderwerp: “samenvatting [de afnemer] leveranciersvergadering”.

De leverancier heeft nog aan de afnemer gevraagd of er een gesprek mogelijk was over de wijziging van de voorwaarden. De afnemer heeft hierop gereageerd dat er alleen een toelichting kan worden gegeven op het voorstel, maar dat er inhoudelijk niets zal veranderen. Er werd door de afnemer dus geen enkele ruimte geboden om de leverancier tegemoet te komen in het voorstel, hetgeen volgt uit de door leverancier overgelegde Whatsappberichten van 10 september 2024. Ook is er vooraf geen overleg geweest met de klankbordgroep over de aangeboden nieuwe prijssystematiek, omdat het adviseren over prijssystematiek volgens de afnemer niet binnen de bevoegdheden van de klankbordgroep zou vallen.

Hoewel de afnemer zich tot op heden netjes heeft gehouden aan de contractuele voorwaarden van de bestaande leveringsovereenkomst, is de leverancier het niet eens met de wijze waarop deze overeenkomst door de afnemer is opgezegd.

Eenzijdige buitenproportionele wijziging van de leveringsovereenkomst
De voorwaarden in de nieuwe leveringsovereenkomst zijn onacceptabel. De leverancier heeft daarom geweigerd om de nieuwe leveringsovereenkomst te ondertekenen. In artikel 1 lid 5 van de leveringsovereenkomst is immers bepaald dat de leverancier bij voorbaat akkoord gaat met het eenzijdig wijzigen van de praktijkregeling, de prijsregeling en het duurzaamheidsprogramma.

Betalingen die geen verband houden met de verkoop
Voorts zijn in de nieuwe prijsregeling voorwaarden opgenomen met prijsfactoren waar de leverancier geen invloed op en/of inzicht in heeft, maar welke wel aan hem worden doorberekend. De leverancier wijst de commissie op artikel 2.6 en 2.9 van de nieuwe prijsregeling, waarin staat dat er geen beperking van omstandigheden is om verdere prijsdalingen eenzijdig door te voeren. De door de afnemer eenzijdig vastgestelde uitbetaalprijs kan dus gedurende het lopende jaar zonder overleg worden verlaagd op grond van omstandigheden waar de leverancier geen invloed op heeft. Immers, ervaring leert dat de leverancier geen enkele invloed heeft op de verwerking en verkoopstrategie van de afnemer. Hoewel er dus geen directe betalingen worden verlangd door de afnemer, worden er wel prijskortingen zonder vooraf overleg verlangd.

Verzoek aan commissie
De leverancier heeft ter zitting aangegeven dat hij bij gegrondverklaring van de klacht wenst dat de commissie bepaalt dat:
– de afnemer compensatie betaalt aan de groep van leveranciers, waarbij door beëindiging van de leveringsovereenkomst geen melk wordt afgenomen vanaf 2027.

Standpunt van de afnemer
Voor het standpunt van de afnemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en hetgeen de afnemer ter zitting naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst
De afnemer heeft de bestaande leveringsovereenkomst met de leverancier opgezegd, omdat de leverancier niet akkoord ging met de door de afnemer aangeboden nieuwe leveringsovereenkomst. De afnemer wil met de aangeboden nieuwe leveringsovereenkomst een nieuwe prijssystematiek voor al zijn leveranciers invoeren. De oude prijssystematiek van de bestaande leveringsovereenkomst was namelijk niet meer houdbaar. De nieuwe prijssystematiek is niet rigoureus aangepast; bij de oude prijssystematiek was de afnemer de best betalende in de markt, maar bij de gewijzigde prijssystematiek zal hij niet de slechtst betalende afnemer zijn. Dit is een belangrijke nuance. De afnemer heeft hierbij ter zitting benadrukt dat hij wil bijdragen aan een gezonde sector.

Dat de leverancier zich gedwongen heeft gevoeld akkoord te gaan met de nieuwe leveringsovereenkomst is vervelend. Wat hier ook verder van zij, de afnemer had de contractuele vrijheid om de bestaande leveringsovereenkomst tussentijds op te zeggen.

Eenzijdige buitenproportionele wijziging van de leveringsovereenkomst
De afnemer betwist dat er sprake is van een eenzijdige wijziging van de bestaande leveringsovereenkomst in de zin van artikel 2 lid 1 sub c Wet OHP. De bestaande leveringsovereenkomst is immers niet gewijzigd en wordt in beginsel tot de beëindigingsdatum voortgezet. De afnemer heeft enkel gebruik gemaakt van zijn contractuele bevoegdheid tot opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst.

Betalingen die geen verband houden met de verkoop
Het beroep van de leverancier op artikel 2 lid 1 sub d Wet OHP kan de afnemer niet plaatsen en is niet onderbouwd. Gelet hierop kan de afnemer hierover slechts opmerken dat een dergelijke handelspraktijk niet aan de orde is.

De afnemer concludeert tot ongegrondverklaring van de klacht en afwijzing van het verzoek van de leverancier.

Beoordeling van het geschil
Ter beoordeling van de commissie ligt de vraag of de afnemer onrechtmatig jegens de leverancier heeft gehandeld in de zin van artikel 2 lid 1 Wet OHP.

De opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst (klachtpunt 1)
De leverancier heeft zich in de eerste plaats beklaagd over de gang van zaken rond de opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst. De commissie oordeelt ter zake dit klachtpunt als volgt.

Vaststaat dat partijen de bestaande leveringsovereenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangegaan en dat de afnemer deze overeenkomst bij brief van 26 september 2024 tussentijds heeft opgezegd per 31 december 2026. De commissie is van oordeel dat deze opzegging onrechtmatig jegens de leverancier is op grond van artikel 2 lid 1 sub h van de Wet OHP. In voornoemd artikel is het volgende bepaald:
1. Een afnemer handelt onrechtmatig jegens een leverancier indien hij een van de volgende handelspraktijken verricht:
h. de afnemer dreigt met of gaat over tot commerciële vergeldingsmaatregelen tegen de leverancier indien de leverancier zijn contractuele of wettelijke rechten uitoefent, met inbegrip van de indiening van een klacht bij de Autoriteit Consument en Markt of een andere handhavingsautoriteit of de samenwerking met handhavingsautoriteiten tijdens een onderzoek;”
Hoewel de afnemer contractueel gezien op grond van artikel 2 lid 2 van de bestaande leveringsovereenkomst de bevoegdheid had om tussentijds de bestaande leveringsovereenkomst op te zeggen, heeft ze van deze contractuele bevoegdheid gebruik gemaakt en kunnen maken maar daarbij wel onrechtmatig jegens de leverancier gehandeld. Immers, de afnemer heeft in zijn brief van 9 september 2024 (hiervoor weergegeven onder 3. van de feiten) gedreigd de bestaande leveringsovereenkomst met de leverancier op te zeggen indien de leverancier niet akkoord zou gaan met de nieuwe leveringsovereenkomst binnen een termijn van slechts 14 dagen. De afnemer heeft aan dit dreigement ook uitvoering gegeven door de bestaande leveringsovereenkomst op te zeggen. Ter zitting heeft de afnemer desgevraagd ook bevestigd dat de reden voor de opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst geen andere is dan dat de leverancier heeft geweigerd akkoord te gaan met de nieuwe leveringsovereenkomst en de daarin geldende en in de ogen van de afnemer noodzakelijke gewijzigde prijsregeling.

De commissie acht deze handelspraktijk dan ook in strijd met artikel 2 lid 1 sub h van de Wet OHP, nu de contractuele bevoegdheid tot opzegging van de bestaande leveringsovereenkomst tegen de leverancier niet anders kan worden gezien als een (dreiging tot) commerciële vergeldingsmaatregel.

De commissie weegt in dit verband mee dat tevens vast is komen te staan dat de afnemer het voorstel van de leverancier om in gesprek/overleg te gaan over de nieuwe leveringsovereenkomst heeft afgewezen en dat er voorafgaand geen daadwerkelijk overleg is geweest met de leverancier of met een klankbordgroep over deze nieuwe prijsregeling. Naar het oordeel van de commissie is het weigeren door de afnemer van genoemd overleg met de leverancier en een klankbordgroep, mede gelet op het commerciële belang van leverancier, in deze niet redelijk. De leverancier werd aldus immers voor een onbespreekbaar voldongen feit gesteld; ‘slikken of stikken’. Dat er door de afnemer in dit verband een leveranciersbijeenkomst is belegd kan daar niet aan afdoen, nu het naar het oordeel van de commissie niet meer dan een informatief karakter droeg. Dit klachtonderdeel zal daarom gegrond worden verklaard.

Het verzoek van de leverancier aan de commissie om te bepalen dat de afnemer een bedrag aan schadevergoeding dient te betalen aan de groep leveranciers waarbij de leveringsovereenkomst (onder dezelfde omstandigheden) door de afnemer is opgezegd, zal worden afgewezen. Deze groep leveranciers is, met uitzondering van [de leverancier], immers geen partij in deze procedure. Voorts heeft de leverancier niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden of zal lijden door het handelen van de afnemer. Ook anderszins is zulks niet gebleken. Daarbij is mede van belang dat de leverancier desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat de afnemer zich tot op heden netjes aan de voorwaarden van de bestaande leveringsovereenkomst houdt en dat de leverancier in beginsel voornemens is na de beëindiging van voornoemde overeenkomst (per 31 december 2026), al dan niet in samenspraak met andere leveranciers, met een andere afnemer in zee te gaan.

Eenzijdige buitenproportionele wijziging van de leveringsovereenkomst (klachtonderdeel 2) en betalingen die geen verband houden met de verkoop (klachtonderdeel 3)
De commissie zal de klachtonderdelen 2 en 3 ongegrond verklaren, reeds omdat deze klachtonderdelen betrekking hebben op de voorwaarden die gelden in de nieuwe leveringsovereenkomst. In deze doet zich de situatie voor dat de afnemer, ondanks hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de onrechtmatigheid, wel rechtsgeldig volgens de overeengekomen voorwaarden daartoe de tussen partijen gesloten overeenkomst heeft kunnen opzeggen en deze rechtsgeldig zal eindigen.

Aan een toetsing van deze voorwaarden aan artikel 2 lid 1 Wet OHP en de door de leverancier in dit verband geformuleerde klachten, niet zijnde partij waarop deze voorwaarden van toepassing zijn, komt de commissie dan ook niet toe. Een en ander nog afgezien van de omstandigheid dat klachtonderdeel 3 door de leverancier onvoldoende is onderbouwd.

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Slotsom
De conclusie uit het voorgaande is dat de klacht deels gegrond wordt verklaard en dat het verzoek van de leverancier wordt afgewezen.

Klachtengeld
Nu de klacht deels gegrond wordt verklaard, zal de commissie conform artikel 19 lid 1 sub a van het reglement van de commissie bepalen dat de afnemer aan de leverancier het door de leverancier betaalde klachtengeld ter hoogte van € 302,50 dient te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:
– verklaart de klacht deels gegrond;
– wijst het verzoek van de leverancier af;
– bepaalt dat de afnemer aan de leverancier het door de leverancier betaalde klachtengeld van € 302,50 dient te vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer ir. W.H.M. Baltussen, mevrouw drs. H. de Haan, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 9 januari 2026.

Opslaan als PDF