Overlijden door samenstel medische oorzaken

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid / bejegening    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 139184/143502

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De overleden moeder van de klager heeft volgens de klager een te hoge dosering medicijnen gehad van de zorgaanbieder. De commissie volgt het verweer van de zorgaanbieder, dat de moeder van de klager is overleden aan een samenstel van medische oorzaken. Het medisch dossier en de toelichting ter zitting geven geen aanleiding voor de commissie om te concluderen dat de zorgaanbieder niet juist en zorgvuldig gehandeld zou hebben. Ook in de communicatie is de zorgaanbieder volgens de commissie niet tekortgeschoten. De klacht is ongegrond.

De uitspraak

in het geschil tussen

[naam klager] in zijn hoedanigheid van nabestaande van zijn op 16 juli 2020 overleden moeder, [naam cliënte], wonende te [naam woonplaats],

en

IJsselland Ziekenhuis, gevestigd te Capelle aan den IJssel,

(hierna te noemen: het ziekenhuis).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2022 te Utrecht. Bij de behandeling is klager, vergezeld van zijn echtgenote, fysiek verschenen. Het ziekenhuis is door middel van een videoverbinding verschenen. Het ziekenhuis werd vertegenwoordigd door [naam internist-oncoloog] en [naam verpleegkundig specialist].

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de ontevredenheid van klager over de door het ziekenhuis aan cliënte verstrekte (volgens hem te hoge dosering) medicatie en de communicatie tussen hem en het ziekenhuis.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Medicatie
Cliënte is in het ziekenhuis opgenomen geweest in verband met zware pijnklachten. Eerder werden aan cliënte opiaten voorgeschreven. Deze medicatie had zoveel bijwerkingen dat cliënte een collaps kreeg door te hoge doseringen en vochtophoping in haar benen, armen en oogleden met als gevolg een saturatie van 48% en een verwarde indruk. Tijdens het verblijf van cliënte op de afdeling interne geneeskunde van het ziekenhuis bleef cliënte, die ook aan COPD leed, deze verkeerde doseringen krijgen waardoor haar nierfunctie daalde en zij een longembolie kreeg. Cliënte kreeg medicijnen toegediend die bedoeld zijn voor een terminale patiënt, maar cliënte was niet terminaal.

Op de eerder genoemde afdeling vond men het niet noodzakelijk om de longarts te raadplegen. Klager heeft vervolgens de longarts gebeld en deze heeft met spoed cliënte onderzocht en haar onmiddellijk naar een andere afdeling verplaatst.

Cliënte is op 16 juli 2020 overleden door vocht op de longen, omdat ze te zwak was om te herstellen van de fouten die op de genoemde afdeling waren gemaakt.

Communicatie
Cliënte koppelde de gesprekken met de arts terug met klager. Daaruit heeft klager opgemaakt dat cliënte het meeste wat de arts haar had meegedeeld wel begreep, met uitzondering van de medische termen die zij moeilijk tot niet begreep en die haar een ongemakkelijk gevoel gaven.

Toen de bijwerking van de toegediende medicijnen steeds groter werd, heeft klager het ziekenhuis gebeld en verzocht de behandelend internist-oncoloog (hierna te noemen: de arts) te mogen spreken. Toen bleek dat de arts op dat moment niet in het ziekenhuis aanwezig was, heeft klager verzocht om teruggebeld te worden. De arts heeft klager echter nooit teruggebeld.

Het ziekenhuis deed moeilijk toen klager het medisch dossier van cliënte opvroeg.

De vordering van klager
Klager verlangt een vergoeding voor de kosten van de begrafenis van cliënte (€ 7.657,56), van de ontruiming van haar woning (€ 670,–) en van zijn reiskosten voor het bijwonen van de begrafenis van cliënte in het buitenland (€ 2.200,–), een immateriële schadevergoeding van € 13.500,– en een excuusbrief van de behandelend arts waarin zij aangeeft welke fouten zij heeft gemaakt.

Standpunt van het ziekenhuis
Voor het standpunt van het ziekenhuis verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Medicatie
Bij de presentatie van cliënte op de spoedeisende hulp, en niet tijdens het beloop van haar opname, was er sprake van een matige acute nierinsufficiëntie, die na ingezette behandeling vlot herstelde. Bij de opname van cliënte is de pijnmedicatie aangepast.

Bij cliënte zijn enkele (sub-)segmentele longembolieën aangetoond, echter het is zeer onwaarschijnlijk dat deze een gevolg zijn van de gebruikte medicatie, zoals klager stelt. De longembolieën zijn hoogst waarschijnlijk niet de onderliggende oorzaak van collaps of het overlijden, gezien de grootte en de afwezigheid van cardiale rechtsbelasting.

Hoewel er inderdaad op de spoedeisende hulp niet direct overleg is geweest met de longarts, is deze kort nadien wel geraadpleegd en is er een verzoek tot overname gedaan. Hierop volgde een beoordeling van cliënte door de longarts, maar deze oordeelde dat er nog niet direct een overname-indicatie als hoofdbehandelaar bestond.

Gedurende de opname van cliënte is het pijnteam in consult gevraagd. Dit team adviseerde geen nieuwe aanpassing van de dosis medicijnen bovenop de dosisverlaging die al verricht was bij de opname vanaf de spoedeisende hulp.

Cliënte is uiteindelijk overleden aan een respiratoire insufficiëntie op basis van een exacerbatie COPD, pleuravocht, een pre-existente restrictieve longfunctie bij een ernstige scoliose bij een ossaal en lymfogeen gemetastaseerd mammacarcinoom waarvoor endocriene therapie.

Communicatie
In de tijd dat cliënte in het ziekenhuis opgenomen is geweest, zijn er uitgebreide gesprekken geweest met klager naar aanleiding van zijn ontevredenheid. De medische toestand van cliënte is met cliënte en klager besproken en ook het feit dat er geen uitzicht meer was op genezing.

Klager heeft in de week van 22 juni 2020 eenmaal tevergeefs geprobeerd de arts via de afdeling interne geneeskunde telefonisch te bereiken. Het telefonisch verzoek van klager om teruggebeld te worden door de arts, is niet in haar agenda/spreekuurlijst vermeld. De arts heeft daardoor klager niet teruggebeld. Op 3 juli 2020 heeft de arts hierover met klager gesproken en daarbij aangegeven dat zij deze nalatigheid betreurt.

Het ziekenhuis heeft nooit moeilijk gedaan over het toesturen van het medisch dossier. Het ziekenhuis heeft conform de algemene verordening gegevensbescherming (AVG) gehandeld.

Ondanks dat het ziekenhuis zijn best heeft gedaan om cliënte goede zorg te verlenen en in zijn patiëntenzorg streeft naar een proces dat naar tevredenheid verloopt voor patiënt en familie, blijkt er ontevredenheid bij klager. Het ziekenhuis betreurt het dan ook dat klager geen tevreden gevoel heeft overgehouden aan de zorg die aan cliënte is geleverd, aan de gesprekken met hem en de zorgvuldige afwikkeling van zijn klachten.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht het volgende overwogen.

Het toetsingskader
De rechtsverhouding tussen cliënte en het ziekenhuis is aan te merken als een geneeskundige behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Bij de uitvoering van een dergelijke overeenkomst moet de zorgaanbieder – daaronder begrepen degenen die hem bij die uitvoering feitelijk behulpzaam zijn – de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, die voortvloeit uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Dit betekent dat hij de zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Het gaat daarbij niet om de vraag of dat handelen anders of zelfs beter had gekund, maar om het antwoord op de vraag of de zorgaanbieder binnen de grenzen van de redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Doet de zorgaanbieder dit niet en schiet hij toerekenbaar tekort in de nakoming van de verplichting, die voor hem uit die overeenkomst voortvloeit, dan moet hij de schade die cliënte daardoor lijdt, vergoeden (artikel 6:74 van het BW).

Voor een goed begrip van de hiervoor genoemde maatstaf is het van belang te weten dat die zorgplicht in beginsel niet wordt aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verbindt zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt: de hulpverlener is namelijk afhankelijk van en heeft geen invloed op de lichamelijke condities en de reacties van de patiënt op de geneeskundige behandeling. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij zijn inspanning een fout heeft gemaakt en dus niet heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam hulpverlener.

De commissie dient te onderzoeken of het ziekenhuis bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst in de gegeven omstandigheden al dan niet de hiervoor omschreven zorgplicht heeft nageleefd.

Medicatie
Uit de overgelegde stukken komt het volgende naar voren. Cliënte, die 72 jaar oud was toen zij op 30 juni 2020 in het ziekenhuis van de zorgaanbieder werd opgenomen, verkeerde toen in een slechte lichamelijke conditie. Cliënte leed aan meerdere aandoeningen. Zij had onder meer een ernstige scoliose, een ernstige respiratoire insufficiëntie bij de restrictieve longfunctiestoornis, COPD, een recidief mammacarcinoom links met palpabele klieren en uitgebreide uitzaaiingen in wervels en in het schedelbot en toenemend pleuravocht. Elk van deze aandoeningen heeft zijn eigen medicatie. Omdat cliënte als gevolg van deze aandoeningen ook veel pijn leed, is het pijnteam van het ziekenhuis geconsulteerd. De medicatie van cliënte is afgestemd door het pijnteam en de pijnmedicatie is door dit team – afgemeten aan de pijnklachten van cliënte en in overleg met klager – aangepast als dit noodzakelijk was, waarbij de afweging is gemaakt tussen de draaglijkheid van de pijn en de bijwerkingen, zoals sufheid en duizeligheid, die de pijnmedicatie bij cliënte zouden kunnen veroorzaken.

Klager stelt dat aan cliënte de juiste medicatie is onthouden en de verstrekte medicatie een te hoge dosering had, maar daarin volgt de commissie hem niet, omdat klager die stelling onvoldoende heeft onderbouwd en de commissie daarvoor ook geen aanwijzingen in het dossier heeft gevonden. De commissie gaat er daarom van uit dat het ziekenhuis en degenen die bij de behandeling van cliënte betrokken waren in het belang van cliënte en overeenkomstig de voor hen geldende professionele standaard hebben gehandeld.

Ook wat de oorzaak van het overlijden van cliënte betreft, schaart de commissie zich achter de oorzaak dan wel het samenstel van oorzaken die/dat het ziekenhuis heeft genoemd. Dat cliënte is overleden door vocht op de longen als gevolg van foutief handelen door het ziekenhuis, zoals klager heeft gesteld, acht de commissie dan ook niet (voldoende) aannemelijk. Het moet niet uitgesloten worden geacht dat vocht een rol heeft gespeeld, maar zeker geen doorslaggevende rol.

Op grond van de voorgaande overwegingen komt de commissie tot de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn dat het ziekenhuis niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. Dit betekent dat dit klachtonderdeel ongegrond is.

Communicatie
Het ziekenhuis heeft zich op het standpunt gesteld dat er gedurende de tijd dat cliënte in het ziekenhuis opgenomen is geweest, met klager uitgebreide gesprekken zijn geweest over zijn ontevredenheid en dat de medische toestand van cliënte, die geen uitzicht meer bood op genezing, met zowel cliënte als klager zijn besproken. Een en ander blijkt ook uit het deel van het medisch dossier van cliënte, dat in deze procedure is overgelegd. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

Ter zijde merkt de commissie wel het volgende op. De commissie heeft de indruk dat er een kloof heeft bestaan tussen de werkelijke lichamelijke toestand van cliënte en hetgeen klager van (de arts van) het ziekenhuis daarover heeft gehoord en begrepen. In de gegeven omstandigheid, waarin cliënte van buitenlandse origine is, de Nederlandse taal onvoldoende machtig is en veelal heeft moeten communiceren via klager, die de Nederlandse taal – zo is de commissie tijdens de mondelinge behandeling gebleken – wel machtig is, zou het beter zijn geweest indien het ziekenhuis zich ervan beter had vergewist of de van zijn zijde gedane mededelingen aan cliënte en/of klager goed waren overgekomen. Dat dit is gebeurd, is de commissie namelijk niet – altijd – gebleken.

Tussen partijen kan als vaststaand worden beschouwd dat aan het verzoek van klager aan een medewerker van de afdeling interne geneeskunde om door de arts teruggebeld te worden niet is voldaan. Kennelijk kleefde er een gebrek aan informatieoverdracht. De commissie houdt het ervoor dat hier eerder sprake is geweest van een – in het algemeen veel voorkomende – menselijke vergissing dan van een bewuste nalatigheid van de betreffende medewerker. Hoewel voorstelbaar is dat klager hiervoor weinig begrip kan opbrengen omdat hij zich zorgen maakte over de situatie van cliënte, moet er op dat moment naar het oordeel van de commissie geen sprake zijn geweest van een medisch gezien alarmerende situatie. Zou dat immers wel het geval zijn geweest dan had klager op een later tijdstip opnieuw geprobeerd om de arts telefonisch te bereiken, maar een dergelijke poging heeft klager niet meer gedaan. Gesteld noch gebleken is dat het niet-terugbellen relevant is geweest voor of van invloed is geweest op de behandeling dan wel de gezondheidstoestand van cliënte. De commissie acht het niet-terugbellen door de arts dan ook onvoldoende klachtwaardig.

Klager verwijt het ziekenhuis moeilijk te hebben gedaan toen hij het medisch dossier van cliënte bij het ziekenhuis opvroeg. Klager heeft echter nagelaten dit verwijt te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden. Zeker nadat het ziekenhuis de desbetreffende stelling had betwist, had het op de weg van klager gelegen concreet aan te geven waaruit de verweten gedraging van het ziekenhuis heeft bestaan. Nu klager dit heeft nagelaten, acht de commissie dit klachtonderdeel reeds daarom ongegrond.

De vordering van klager
Klager heeft toekenning van een schadevergoeding gevorderd. Nu het hier een contractuele verhouding betreft tussen cliënte en het ziekenhuis is voor toekenning van een schadevergoeding ten minste vereist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie). Hiervoor heeft de commissie overwogen dat zij de klacht van klager in beide onderdelen ongegrond acht en dat betekent dat er van een toerekenbare tekortkoming geen sprake is. Reeds op deze grond moet de schadevordering van klager worden afgewezen. Ook de vordering van klager om een excuusbrief van de behandeld arts te ontvangen, dient – nu zijn klachten ongegrond zijn bevonden – te worden afgewezen.

Beslissing
De commissie:

verklaart beide klachtonderdelen ongegrond;

wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, mevrouw mr. dr. M.J. van Dam en mevrouw mr. I. van den Hoven – van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox op 22 april 2022.